artikel

‘Poortwachter pakt leuk uit voor vrouwen ’

Geen categorie

In een verkennende studie van Tinka van Vuuren, TNO Arbeid, noemen managers binnen de zorgsector nog een andere mogelijke oorzaak voor het hogere verzuim van vrouwen. De managers binnen de zorg, waarin bijna eenderde van alle werkende vrouwen werkt, typeren de verzuimcultuur als een vrouwencultuur. Tinka van Vuuren: ‘Het zijn ‘slechts ’ meningen van managers. Maar zij vinden dat vrouwen zich makkelijker ziek melden vanwege problemen thuis en langer ziek blijven omdat zij volledig hersteld willen zijn. Volgens de managers draagt de vrouwencultuur in de zorg daaraan bij. Vrouwen houden elkaar sneller uit de wind: ‘Toe, ga maar naar huis als je niet helemaal lekker bent. Ziek maar goed uit. ’ Vrouwen geven daarin minder feedback aan elkaar. De welzijnssector erkent dit ook als een onderwerp waarover gesproken moet worden. ’ Volgens Van Vuuren is betrokkenheid ook typerend voor de zorgsector. Het vormt een risico op zich. ‘Werknemers geven zelf aan eigenlijk te lang door te werken. Zij voelen zich vaak verantwoordelijk voor patienten en laten die niet graag in de steek.

 

Medewerkers gaan daardoor over hun grenzen heen. Ze werken te hard waardoor klachten ontstaan. De belastbaarheid wordt steeds minder en het duurt steeds langer om te herstellen ’, aldus Van Vuuren.

 

Vaker ziek en ook langer ziek? Angelique de Rijk, onderzoeker en universitair docent aan de Universiteit van Maastricht, keek hoe lang mannelijke en vrouwelijke werknemers verzuimen in het eerste ziektejaar. Een jaar lang werden 119 mannen en vrouwen gevolgd. De vrouwen in het onderzoek hadden twee keer zoveel kans om na een jaar nog steeds ziek te zijn als mannen: 28 procent tegen 14 procent. Vrouwen doen net zoveel moeite als mannen om weer aan de slag te komen. Maar mannen slagen hierin beter dan vrouwen.

 

Volgens De Rijk heeft dat niets met motivatie te maken. De Rijk: ‘Er bestaat geen verschil tussen de werkmotivatie van mannen en vrouwen. En verrassend genoeg maakt de mate van motivatie niet uit voor de snelheid van reintegratie. Motivatie heeft geen effect op werkhervatting, evenmin als werkkenmerken invloed hebben op de verzuimduur. ’

 

De Rijk constateert in haar onderzoek dat vrouwen langer verzuimen, omdat vrouwen in ‘een ongunstiger situatie ’ verkeren, zowel op de arbeidsmarkt als in de thuissituatie. ‘Er werken relatief veel vrouwen met een tijdelijke aanstelling in de zorg, schoonmaakbranche en via uitzendbureaus. Werknemers met een tijdelijke aanstelling hebben een grotere kans om langer ziek te blijven. Als iemand ziek is en het contract loopt af, duurt het verzuim voort. Niet de werkgever, maar de uitkerende instantie is dan verantwoordelijk voor het verzuim. ’ Ook werken vrouwen volgens De Rijk vaker in bedrijven die weinig investeren in arbo-curatieve zorg. ‘Onvolledig werkgeverschap is een belangrijke factor die bijdraagt aan langer verzuim. Naarmate er vaker standaardoverleg is tussen werkgever en arbodienst, hervatten mannen en vrouwen sneller. Er is dan betere begeleiding mogelijk ’, aldus De Rijk. En signaleert zij: als vrouwen een mannelijke leidinggevende hebben, is de kans op terugkeer beduidend lager. De Rijk: ‘Er zijn gewoon veel mannelijke leidinggevenden met vrouwelijke ondergeschikten. Dus ook daarin hebben vrouwen relatief minder reintegratiekansen. ’

 

Net als Jettinghoff wijst ook De Rijk op de thuissituatie. De Rijk: ‘Een betere taakverdeling tussen partners werkt gunstig op de werkhervattingskansen van vrouwen. Het verzuim duurt dan minder lang. ’ Er spelen daarbij vreemde mechanismen. De Rijk: ‘Vrouwen blijven soms langer ziek als de partner huishoudtaken gaat doen. Want op het moment dat de vrouw weer gaat werken, gaat de man ook weer minder in het huishouden doen. Mogelijk dat daardoor de werkhervatting van vrouwen vaker mislukt. Omdat de man zijn huishoudelijke bijdrage dan terugtrekt. ’

 

De Rijk vindt het interessant dat ‘de dubbele belasting ’ ook in het onderzoek van Jettinghoff weer boven komt drijven. ‘Het is opvallend dat in haar onderzoek de thuissituatie zo doorslaggevend is. Het is eigenlijk nooit heel precies gemeten. Jettinghoff drukt het uit in tijd die aan het huishouden wordt besteed. Dat is preciezer dan wel of geen kinderen hebben. Misschien is er wel goede kinderopvang.

 

Er wordt vaak gezegd: dubbele belasting doet niets. Maar zowel uit mijn onderzoek als dat van Jettinghoff blijkt dat een meer gelijke verdeling van zorgtaken thuis verzuim kan voorkomen en verzuim minder lang laat duren. ’ Volgens Van Vuuren golft de discussie over de invloed van dubbele belasting op en neer. ‘Eerst kwam het hogere verzuim door de belasting thuis, toen was het absoluut niet de belasting thuis, en nu komt er langzamerhand weer oog voor dat het toch met dubbele belasting te maken heeft. Ik denk dat de thuissituatie wel meespeelt. ’

 

De ‘verwarring ’ lijkt terug te voeren op het onderzoek naar WAO-instroom onder vrouwen van Anneke van der Giezen. Want daarin werden geen aanwijzingen gevonden dat de dubbele belasting een rol speelde. ‘Maar ons onderzoek richtte zich dan ook op de WAO-instroom van vrouwen ’, benadrukt Van der Giezen. ‘Dat is iets heel anders dan ziekteverzuim. Drie dagen ziekte zegt niets over WAO-instroom. Ons onderzoek identificeert werkomstandigheden die een belangrijke bijdrage leveren aan de kans op arbeidsongeschiktheid. Samen verklaren die factoren vijftig procent van het verschil in instroom. De verklaring voor de andere vijftig procent kennen we niet. Dubbele belasting als oorzaak voor WAO-instroom is een hardnekkige mythe, die je moeilijk de wereld uit krijgt. Het is nooit gestaafd door onderzoek, maar wordt steeds weer aangehaald. ’

 

In 2000 liep een man 1, 2 procent en een vrouw 2, 0 procent kans om in de WAO te belanden. Van der Giezen, tegenwoordig werkzaam bij de Algemene Rekenkamer, wijst op twee mechanismen die zorgen voor een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico. ‘Vrouwen hebben vaker werkomstandigheden met hoger risico. Zo werken ze vaker in de zorgsector, in beroepen met weinig carrieremogelijkheden, in beroepen met weinig autonomie en vaker in beroepen met ongezonde werkdruk. Daarnaast hebben vrouwen bij bepaalde werkomstandigheden een iets grotere kans arbeidsongeschikt te raken; dit geldt bij een slechte werksfeer, weinig plezier in het werk en bij zwaar fysiek werk. Gekoppeld aan andere klachten, bijvoorbeeld rugklachten, zorgen deze factoren er ook voor dat arbeidsongeschiktheid bij vrouwen langer voortduurt. ’

 

Ook onderzoekers Lennart Janssens en Lucy Kok van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam onderzochten recent de man/vrouwverschillen in arbeidsongeschiktheidsrisico. Zij toetsten de ‘dubbele belasting ’ en zogeheten ‘hypotheekziekte ’ (vrouwen stromen vaker in de WAO dan mannen, omdat zij en hun gezin daarbij financieel minder te verliezen hebben). Janssens en Kok zien in dubbele belasting slechts een zeer geringe oorzaak van hogere WAO-instroom door vrouwen. Zij constateren ‘dat het hebben van kinderen zowel voor mannen als vrouwen in het algemeen leidt tot een lagere instroomkans in de WAO. De dubbele belasting geldt alleen voor vrouwen met kinderen onder de vier jaar. Na die leeftijd is er geen effect meer ’, aldus de onderzoekers. Van een hypotheekziekte is evenmin sprake, stellen zij.

 

Lya Scholten is organisatieadviseur bij Achmea Arbo en voorzitter van de kenniskring ‘Vrouwen niet in de WAO ’ van Stichting Expertisecentrum Reintegratie (STECR). Om te voorkomen dat vrouwen arbeidsongeschikt worden, moeten ze meer worden aangespoord om het werk te hervatten, stelt zij. Daarbij moet de verzuimbegeleiding, de periode voordat zij in de WAO terechtkomen, bij vrouwen zich meer richten op werkaspecten en bij mannen juist meer op de thuissituatie. Scholten: ‘Als vrouwen parttime werken, krijgt het werk al snel minder prioriteit dan bij mannen. Het lijkt wel of daar minder eisen aan gesteld worden. Daar is niet een schuldige voor aan te wijzen, maar iedereen versterkt elkaar daarin. Arbo-professionals moeten als adviseur van de werkgever vooral als doel hebben de vrouw zo snel mogelijk te reintegreren. Dat moet gebeuren in een effectief samenspel met de huisarts en werkneemster en andere betrokkenen, waarbij vooral gekeken moet worden wat mensen nog wel kunnen. ’ Om te voorkomen dat vrouwen in de WAO belanden bepleit STECR ‘bemoeizorg ’. Scholten: ‘Arbo-professionals moeten extra alert zijn in verzuimbegeleiding van vrouwen. Als werkaspecten onvoldoende aandacht krijgen, moeten zij daarop wijzen en actie ondernemen. Anders verandert er niets en blijft de kans bestaan op langdurig verzuim en mogelijk WAO. Arboprofessionals moeten daarom aan de bel trekken. ’

 

Volgens AS tri -directeur Boukje Cuelenaere, die eerder samen met Van der Giezen onderzoek deed naar het onderwerp, is er sinds twee jaar meer aandacht voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Cuelenaere: ‘Voorheen was het verhaal van de vrouw leidend voor hoe de omgeving, werkgever en begeleiding reageerden. Dat heeft ook te maken met de manier waarop iemand zich presenteert. Mannen zeggen sneller dan het wel weer gaat. Vrouwen aarzelen over hun mogelijkheden. En het is een heel gevoelig onderwerp. Veel mensen vinden het moeilijk te geloven dat de dubbele belasting voor vrouwen geen rol zou spelen bij arbeidsongeschiktheid. Dus werd al snel gezegd: ‘Het is ook zwaar voor je, doe maar voorzichtig. ’ De begeleiding verliep slomer dan bij mannen. ’ De directeur van AS tri ziet in de bemoeizorg als gevolg van de Wet Verbetering Poortwachter positieve effecten voor vrouwen. Cuelenaere: ‘Met Poortwachter zijn er duidelijke afspraken gekomen over verantwoordelijkheden en tijdige interventies. Bij vrouwen werpt die activerende en stimulerende houding meer vruchten af dan bij mannen, omdat deze houding bij mannen al gewoner was. Onder druk van de wetgeving worden creatieve oplossingen gezocht. Je ziet niet alleen de totale instroom afnemen, maar ook het verschil tussen mannen en vrouwen in de WAO-instroom. Poortwachter is voor vrouwen leuk aan het uitpakken. ’

 

Is de dubbele belasting dan helemaal geen issue bij de WAO-instroom? Volgens Econoom Philip de Jong, van onderzoeksbureau Ape in Den Haag, wel degelijk. Hij wijst op het zogeheten ‘healthy worker effect ’. De Jong: ‘Je kunt het ziekteverzuim en WAO-risico alleen waarnemen bij vrouwen die zijn blijven werken. Dat is een hele selecte groep. Misschien zijn dat de gezondere, sterk gemotiveerde vrouwen met veel capaciteiten om werk en zorg te combineren. Veel moeders kiezen er nog steeds voor om te stoppen met werken. Die groep mis je. Dat is wel een belangrijke groep als het gaat om de relatie tussen ‘kinderen hebben ’ en ‘arbeidsongeschiktheid in het algemeen ’. Het is bovendien een belangrijke groep om de arbeidsparticipatie te vergroten met het oog op de vergrijzing. Vrouwen vormen de belangrijkste reservepool. ’

 

Boukje Cuelenaere: ‘De werkelijkheid is complex te onderzoeken. Dat komt omdat de verschillen tussen mannen en vrouwen in arbeidsongeschiktheid rechtstreeks te maken hebben met de positie van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en in het huishouden. En iedereen denkt de oorzaak bij voorbaat al te kennen. ’

 

Anneke van der Giezen: ‘Al het onderzoek en alle discussies zijn net een puzzel met nog ontbrekende stukjes. Maar van een afstandje zie je al wel wat de afbeelding wordt. ’

 

Reageer op dit artikel