artikel

Printen zonder adem halen

Geen categorie

Het gaat om ozon, toner en overige chemische stoffen. Het is vooral de ozon die bij gebruikers de directe aanleiding kan zijn tot klachten, omdat dit gas nogal prikkelend werkt.

 

Fotokopieerapparaten als laserprinters werken met hoge elektrische spanningen en daardoor zetten ze zuurstof uit de lucht gedeeltelijk om in ozon. (Dit wordt op dezelfde wijze gevormd tijdens onweer.) Die ozon kan gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Reeds bij lage concentraties (boven 0,1 ppm) werkt de stof bijtend op de ogen en de ademhalingswegen. Bij langdurige blootstelling aan 0,3 tot 0,8 ppm zijn ernstiger klachten mogelijk zoals hoofdpijn, een geirriteerde keel en een bedrukt gevoel op de borst tot aan longoedeem toe.

 

Maar toch lijkt er weinig reden tot paniek. Ozon is namelijk een instabiele zuurstofverbinding die zich, net als zuurstof, niet ophoopt in het menselijk lichaam. Bovendien wordt ozon vrij snel omgezet in gewone zuurstof (O2). De halfwaardetijd van ozon bedraagt ongeveer tien minuten; in deze tijd wordt dus de helft van het aantal ozondeeltjes afgebroken tot zuurstof. Wanneer er gelijkmatig over de hele dag wordt geprint en gekopieerd, ontstaat na enige tijd een evenwichtsconcentratie in de ruimte: er komt ozon vrij en die wordt weer omgezet in zuurstof. Dit gebeurt nog eerder als de ruimte groot genoeg is en voldoende wordt geventileerd. Als het onderhoud aan de apparaten bovendien voldoende is, zijn klachten ten gevolge van de vorming van ozon niet te verwachten. Ook zal de Nederlandse gezondheidskundige grenswaarde voor ozon (de zogenoemde MAC-waarde) van 0,06 ppm (0,12 mg/m3) zelden worden gehaald. Hier komt nog bij dat de reukdrempel voor ozon ligt bij 0,02 ppm. Hoewel deze grens voor individuele personen verschillend is, zal men ozon in het algemeen kunnen ruiken voordat hinder wordt ondervonden.

 

Maar dit wil niet zeggen dat ieder gevaar denkbeeldig is. Als medewerkers in een slecht geventileerde kantoorruimte vlakbij dit apparaat hun werkplek hebben, kan een te hoge ozonconcentratie wel aanleiding geven tot klachten.

 

Bij het printen of kopieren komen gevaarlijke stoffen vrij. De ‘drukinkt’ die bij kopieerapparaten en laserprinters meestal wordt gebruikt, de droge toner, bestaat uit fijne poeders die onder andere zijn samengesteld uit thermoplastische kunststoffen (polymeren) en kleurstoffen. Die kleurstoffen bestaan meestal weer uit ijzeroxide of diverse speciale soorten carbonblack (synthetisch roet). De afmetingen van deze deeltjes kunnen zo gering zijn dat ze gemakkelijk kunnen worden verspreid en ingeademd. Door hun kleine afmetingen dringen ze bovendien tot diep in de longen door en daar worden ze opgenomen in het lichaam.

 

Toch lijken de risico’s voor de gebruiker niet groot. Onder normale omstandigheden vindt geen ontleding plaats en komt het carbonblack niet vrij, want de toner is zeer stabiel en wordt als zodanig tijdens het kopieren op het papier aangebracht. Alleen als de apparaten slecht worden onderhouden en de ventilatie van de ruimte bovendien niet afdoende is, kunnen de deeltjes de gezondheid bedreigen.

 

Bij het reproductieproces ontstaan naast ozon ook diverse verbindingen met zuurstof: koolmonoxide, stikstofmonoxide en stikstofdioxide. Tevens kunnen door slijtage van het fotogeleidende materiaal en door verhitting van het papier diverse chemische stoffen vrijkomen.

 

Omdat het hierbij om zeer lage concentraties gaat, is niet te verwachten dat dit tot gezondheidsproblemen zal leiden. Voorwaarde is wel dat de betreffende ruimte groot genoeg is en normaal wordt geventileerd. Ook moet het apparaat regelmatig volgens leveranciersvoorschriften worden onderhouden.

 

Daarnaast kunnen nog tal van andere stoffen vrijkomen die gezondheidsrisico’s opleveren. Over het algemeen zullen de gezondheidskundige grenswaarden van de vrijkomende stoffen niet worden overschreden. Anders wordt het wanneer een combinatie optreedt van ongunstige omstandigheden: ongunstige ruimte, slechte ventilatie, intensief kopieren of printen. Dan kunnen klachten ontstaan met directe effecten die varieren van hoofdpijn en duizeligheid, een droge keel en irritatie van ogen en neus, tot meer uitgestelde effecten als allergische huidreacties en longaandoeningen.

 

TIEN TIPS BIJ HET GEBRUIK VAN FOTOKOPIEERAPPARATEN EN LASERPRINTERS

 

1. Verzamel informatie voordat u de apparatuur koopt Let bij de aanschaf van de apparatuur al op de arbo- en milieueffecten. Van belang zijn zaken als:

 

» de grootte van het opgenomen vermogen van het apparaat;

 

» de opwarmtijd of een automatische uitschakelstand (in verband met de warmteafgifte);

 

» de uitstoot van papierstof, tonerstof en ozon;

 

» de aanwezigheid van stof- en ozonfilters;

 

» de frequentie waarmee deze filters vervangen moeten worden;

 

» de wijze waarop toner in het apparaat moet worden gebracht;

 

» de wijze van schoonmaken;

 

» de afscherming van de lichtbron;

 

» het geluidsniveau van het apparaat tijdens het afdrukken maar ook in de ‘standby’-positie;

 

» de door de leverancier geadviseerde grootte van de ruimten en benodigde ventilatie.

 

Een punt van aandacht is de capaciteit: het aantal kopieen of afdrukken per dag. Gaat dat ver uit boven het feitelijke gebruik, dan brengt dat onnodige kosten met zich mee. Is de capaciteit echter te klein, dan kan de apparatuur overbelast raken en lopen werknemers meer kans op klachten door extra warmteafgifte en uitstoot van chemische stoffen. Daarom is het raadzaam om vooraf een schatting te maken van het gebruik en het daarbij behorende apparaat te kiezen.

 

2. Gebruik bij zeer lage aantallen afdrukken (minder dan 25 pagina’s per dag) een inkjetprinter

 

Dit is een goed alternatief uit het oogpunt van energieverbruik en warmteafgifte. In een aantal situaties kan er ook voor worden gekozen een inkjetprinter te gebruiken omdat deze stiller is (geen warmteproductie en bijgevolg geen ventilator).

 

3. Plaats een apparaat alleen onder strikte voorwaarden in een werkkamer

 

Dit is alleen verantwoord als het apparaat minder dan 5000 afdrukken per maand maakt (ongeveer 250 per dag). Verder moet er een ventilatievoud van twee tot drie keer per uur zijn (wat betekent dat de lucht iedere twee tot drie uur wordt ververst). Voor de afvoer van warmte kan op zomerse dagen echter extra ventilatie nodig zijn. Het vertrek moet bij voorkeur minstens 20 m3 tellen. Een laserprinter die op meerdere personal computers is aangesloten, wordt gelijkgesteld met een middenvolume fotokopieerapparatuu r. Dan staat hij bij voorkeur niet in een werkruimte.

 

4. Zet middenvolumeapparatuur bij voorkeur in een ruimte van minstens 25 m2

 

Het gaat hier om apparaten met een volume van 5000 – 50.000 afdrukken per maand; dit zijn 250 – 2500 afdrukken per dag. Het veiligst is om die in een lege werkruimte te plaatsen, of in een brede gang, een nis of een hal. Ook deze ruimten hebben een ventilatievoud nodig van twee tot drie keer per uur. Let op dat er geen vluchtwegen worden geblokkeerd.

 

5. Zet hoogvolumeapparatuur in een aparte reproruimte Hoogvolumeapparatuur produceert veel warmte en ongewenste gassen en dampen. Daarom moet ze in een aparte goed geventileerde (reproductie)ruimte volgens leveranciersvoorschriften worden opgesteld. In sommige gevallen kan plaatselijke afzuiging bij het apparaat zelf nodig zijn.

 

6. Die ruimte heeft bij voorkeur een harde vloerbedekking Een zachte vloerbedekking neemt toner- en papierstof op. Later kunnen die stoffen weer in de lucht terechtkomen. Bij een harde vloerbedekking is dit niet mogelijk.

 

7. Zorg voor onderhoud en tijdige vervanging van interne filters Actieve koolfilters zullen de verschillende vrijkomende gassen en dampen voor een deel adsorberen of neutraliseren. In moderne printers en kopieerapparaten zijn hiervoor al in de fabriek voorzieningen aangebracht. Additionele stof- en ozonfilters zijn daarvoor niet nodig, mits de apparatuur volgens leveranciersvoorschrift wordt opgesteld en onderhouden.

 

Bij oudere apparaten komt ozon vrij, wat onder meer hoofdpijn en irritatie van ogen en luchtwegen kan veroorzaken. Dit zal vooral voorkomen bij slecht onderhouden apparaten, bij te laat vervangen van de (ozon)filters of bij gebruik van apparatuur in een te kleine, slecht geventileerde ruimte.

 

8. Controleer regelmatig de plaatselijke ventilatie en de ruimteventilatie

 

Ventilatie is de beste garantie dat niet alleen warmte maar ook ozon en andere vrijkomende gassen, dampen en stoffen afdoende worden afgevoerd.

 

Kies niet voor natuurlijke ventilatie, want die is veelal onbeheersbaar en weinig effectief voor dit doel. Ook de zogenoemde ruimteventilatie is niet doelmatig. De stoffen en de warmte komen namelijk eerst in de ruimte en vormen dus een belasting voor de medewerkers. Pas daarna worden ze via het ruimteventilatiesysteem enigszins verdund en afgevoerd.

 

Veel effectiever (en energetisch goedkoper) is plaatselijke ventilatie: directe afzuiging aan de bron, zeker wanneer de fabrikant in het apparaat zelf geen voorzieningen heeft aangebracht. Dicht bij de uitstootopening worden de daar vrijkomende stoffen, dampen en gassen en de warmte direct afgevangen zonder eerst de medewerkers te belasten. Elders in de ruimte wordt weer verse lucht toegevoerd.

 

De noodzaak en de mate van afzuiging en (extra) ventilatie zijn afhankelijk van het type apparaat, het kopieer- of printvolume, de aanwezige ventilatie en de ruimte waarin de apparatuur is geplaatst.

 

9. Zorg voor zo min mogelijk geluidsoverlast

 

Omdat apparaten vaak in kantoorruimten staan, kunnen zij geluidshinder opleveren, vooral als ze oud zijn. Door de apparatuur wat verder weg te zetten (in dezelfde ruimte) of achter een kast, kan de geluidsbelasting al worden verminderd.

 

Meestal gaat het om geluidshinder, niet om gehoorschade. Maar door een combinatie van diverse hoogvolumekopieerapparaten (en door gelijktijdig gebruik van randapparatuur als nieters en vouwmachines) kan de norm voor gehoorbeschadiging worden overschreden. Dit speelt vooral in centrale kopieerruimtes en huisdrukkerijen waar de hele dag door dezelfde medewerkers werkzaam zijn, die dan een hoge blootstelling aan geluid hebben.

 

10. Zet het fotokopieerapparaat in een goed verlichte omgeving Grote contrasten bemoeilijken de bediening en kunnen zelfs netvliesbeschadiging veroorzaken. Aanbevolen wordt om het fotokopieerapparaat in een goed verlichte omgeving te plaatsen. Dan is de pupildiameter namelijk gemiddeld twee keer kleiner, en loopt de werknemer aanzienlijk minder kans op netvliesbeschadiging.

 

 

Vrijwel alle door de apparatuur opgenomen elektrische energie wordt op den duur in warmte omgezet. Door de aanwezige apparatuur, waaronder laserprinters en fotokopieermachines (en niet te vergeten de pc’s en beeldschermen die vaak continu blijven aanstaan), kan een flinke extra warmtebelasting van de ruimte optreden. Vaak is de aanwezige ventilatie (waaronder de koeling) hier niet op berekend.

 

Fotokopieerapparaten en laserprinters produceren in het algemeen geen geluid dat het gehoor kan beschadigen. De geluidsniveaus kunnen echter wel hinderlijk zijn, omdat zij bijvoorbeeld kunnen leiden tot verminderde concentratie bij het werk en tot extra vermoeidheid. Het geluidsniveau wordt niet alleen bepaald door het apparaat zelf, maar ook door de afmetingen en de inrichting van het vertrek waarin het apparaat staat opgesteld. Als enkele printers en kopieerapparaten bij elkaar zijn geplaatst in een relatief kleine ruimte, kan de geluidsproductie aanzienlijk zijn, zeker als er veel wordt geprint en gekopieerd.

 

Let ook op randapparatuur zoals vergaar- en nietmachines en de plaatselijke afzuiging. Die oefenen eveneens invloed uit op het uiteindelijke geluidsniveau.

 

Het is belangrijk dat iemand die achter een kopieerapparaat staat, niet in de lamp kan kijken. Daarom zijn de apparaten uitgerust met een afdekklep of een voorziening voor de invoer van originelen. Vaak is kopieren met geopende klep zelfs niet mogelijk.

 

Het komt echter voor dat iemand de afdekklep niet gebruikt, bijvoorbeeld omdat hij nonchalant is of een boek kopieert. De blootstelling aan licht kan dan groot zijn.

 

In fotokopieerapparatuur worden voor de belichting van het origineel zowel fluorescentiebuizen als halogeenlampen en xenonflitsbuizen gebruikt. Die produceren ultraviolet licht, dat in lage doses al oogbeschadiging kan veroorzaken. Normaal wordt dat voldoende tegengehouden door de glasplaat van het kopieerapparaat. Als echter in een donkere omgeving wordt gekopieerd met felle lamp en een geopende klep, dan kan licht uit het zichtbare gebied ten gevolge van de grote pupildiameter van de gebruiker een lichte beschadiging van het netvlies veroorzaken en bijgevolg oogklachten geven.

 

Bij laserprinters wordt uiteraard laserlicht gebruikt, maar dat is zodanig in het apparaat ingebouwd dat uittreden van de laserbundel niet mogelijk is en daardoor geen risico voor de gebruiker vormt.

 

WERKING

 

Hoewel de werking van fotokopieerapparaten nogal verschilt van die van laserprinters, bestaat er een grote overeenkomst in werkingsmechanismen. In beide situaties wordt een tijdelijk beeld gemaakt op een fotogeleidende laag. Dit beeld wordt vervolgens ontwikkeld door elektrostatische aantrekking van tegengesteld geladen deeltjes (toner), die op papier worden overgebracht en daaraan hechten door hitte en/of druk. In sommige systemen worden hoge elektrische spanningen gebruikt waarbij zuurstof uit de lucht wordt omgezet in ozon.

 

 

Bij het gebruik van fotokopieerapparaten en laserprinters kunnen schadelijke stoffen vrijkomen. In sommige apparaten kan ozongas worden gevormd. Daarnaast kunnen ook andere stoffen vrijkomen als tonerdeeltjes, papiervezeltjes in de vorm van fijn stof en diverse reactieproducten. Ook het geproduceerde geluid, de afgegeven warmte en het licht van kopieermachines kunnen een belasting vormen voor de werknemers.

 

Of kopieerapparaten en printers daadwerkelijk gezondheidsrisico’s opleveren, wordt in belangrijke mate bepaald door:

 

• maatregelen die de fabrikant getroffen heeft in het ontwerp van de apparatuur;

 

• eventueel aangebrachte voorzieningen om de uitstoot van gevaarlijke stoffen tegen te gaan;

 

• de mate van onderhoud van de apparatuur;

 

• de ruimte waarin de apparatuur staat opgesteld;

 

• de ventilatie van deze ruimte.

 

Met andere woorden: door een juiste keuze bij de aanschaf, een volgens leveranciersvoorschrift goede plaatsing van de apparatuur in de werkruimte, goede ventilatie en voldoende onderhoud, kunnen de risico’s zeer gering worden gehouden.

 

Reageer op dit artikel