artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een taxichauffeur knoopt een relatie aan met een minderjarige verstandelijk gehandicapte die hij voor zijn werk moet vervoeren. Wegens onprofessioneel gedrag mag zijn werkgever hem op staande voet ontslaan.

 

Een 41-jarige taxichauffeur vervoert regelmatig geestelijk gehandicapten. Zijn werkgever ontslaat hem op staande voet omdat hij een relatie heeft met een 16-jarige verstandelijk gehandicapte. Het meisje heeft een nacht bij hem geslapen, waarbij het volgens de chauffeur op seksueel vlak bij wat zoenen is gebleven. De werkgever vindt het gebeurde volstrekt ontoelaatbaar. De opdrachtgever van het taxibedrijf wil dat de chauffeur niet meer wordt ingezet. De ouders van het meisje doen aangifte en de werknemer zit enige tijd in voorlopige hechtenis. De werknemer vecht het ontslag aan. Hij stelt dat hij tijdens het dienstverband steeds naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd. De contacten met het meisje waren prive en hebben zich niet onder werktijd afgespeeld. Het meisje heeft het contact zelf gezocht en gezegd dat zij achttien jaar was. Zij stond op een nacht bij hem op de stoep en wilde blijven slapen. Omdat het al laat was heeft hij haar binnengelaten. Volgens de kantonrechter is de werknemer een intieme relatie aangegaan met een minderjarig meisje dat hij via zijn werk heeft leren kennen. Hij wist dat zij licht verstandelijk gehandicapt is. Zelfs al zou zij achttien jaar en dus meerderjarig zijn geweest, dan nog had hij moeten beseffen dat hij met een afhankelijk persoon te maken had, op wie hij met zijn leeftijd een groot overwicht had. Ook als de toenadering van haar is uitgegaan, had hij zich terughoudend moeten opstellen. Nadat zij hem voor de eerste maal thuis had opgezocht, had hij haar ouders en zijn werkgever moeten inlichten en de toenadering moeten ontmoedigen. Maar hij is intiem contact met het meisje blijven onderhouden. Daarom heeft de chauffeur zich in hoge mate onprofessioneel gedragen, zowel tegenover het meisje als tegenover zijn werkgever. De rechter acht het ontslag op staande voet gerechtvaardigd.

 

(Kantonrechter Deventer, 8 maart 2007, LJN BA1858)

 

Een werknemer verongelukt door een ondeugdelijke ladder. Volgens de rechter legt de Arbeidsinspectie de werkgever daar terecht een boete voor op.

 

Een regiotechnicus bij een gasontvangststation valt van een ongeschikte ladder en loopt een gebroken arm op. Het ongeval wordt dezelfde dag gemeld bij de Arbeidsinspectie. De werkgever krijgt een bestuurlijke boete opgelegd waartegen hij bezwaar maakt. De staatssecretaris vermindert de boete met 25 procent, maar blijft er wel bij dat het ongeval te wijten is aan de werkgever. Deze laatste gaat in beroep bij de rechtbank. Volgens de rechter gaat het hier om het niet-naleven van artikel 7.4, derde lid, Arbobesluit, waarbij het de vraag is of dat de werkgever kan worden verweten. Een regiotechnicus heeft vrijwel alle benodigde arbeidsmiddelen in zijn bus. Slechts in bijzondere gevallen moet hij die uit het magazijn halen. Als ze daar niet zijn, kan via het logboek worden achterhaald waar ze wel zijn en kunnen ze alsnog worden opgehaald. Maar de werknemer kan er ook voor kiezen het werk op een dag te doen als de middelen wel beschikbaar zijn. Zo nodig kan hij dergelijke middelen huren of kopen. De staatssecretaris vindt dat de werkgever de verantwoordelijkheid voor de arbeidsmiddelen volledig aan de werknemers zelf overlaat. Het betreft niet alleen de keuze en het gebruik, maar ook de organisatie rond de beschikbaarheid van die middelen. Dat is in strijd met de zorgplicht die een werkgever op grond van hoofdstuk 7 van het Arbobesluit heeft. De werkgever voert aan dat het ongeval niet was te voorkomen door het treffen van meer veiligheidsmaatregelen of toezicht op de uitgifte van arbeidsmiddelen. Maar dat is volgens de rechtbank niet voldoende om geen verwijtbaarheid aan te nemen. Ook vindt de rechtbank dat het prive-gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen het risico met zich meebrengt dat die middelen niet beschikbaar zijn als ze nodig zijn, terwijl de aangeboden alternatieven onvoldoende dwingend zijn voorgeschreven. Ook de controle op de naleving van het prive-gebruik schiet te kort en geeft onvoldoende waarborg voor het naleven van de gemaakte afspraken. Zeker nu het slachtoffer heeft verklaard dat men in de praktijk een ladder niet bij een collega gaat ophalen, omdat j e dat als collega’s onder elkaar niet doet.

 

(Rechtbank Groningen, 14 maart 2007, LJN BA1907)

 

Een werkgever mag een werknemer ontslaan wegens intimiderend gedrag, ook als het bewijs daarvoor via niet-aangekondigde opnames is verkregen.

 

Een kwaliteitscontroleur krijgt na een half j aar dienst telkens commentaar op zijn werkhouding en functioneren. Na een officiele waarschuwing deelt zijn werkgever hem schriftelijk mee dat hij de arbeidsovereenkomst voortijdig beeindigt. Wanneer de werknemer een advocaat inschakelt, biedt het bedrijf hem aangepast werk aan, namelijk opruimwerkzaamheden. De werknemer meldt zich vervolgens ziek. Enkele dagen later neemt hij telefonisch contact op met een van de medewerkers, die het gesprek als zeer bedreigend ervaart. Voor de werkgever is de maat vol. Hij verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer vindt dat er van bedreiging geen sprake was.

 

Tijdens de rechtszitting zegt hij dat ook hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wil, maar wel tegen een vergoeding. Hij maakt bezwaar tegen het laten horen van het telefoongesprek op de zitting. Hij vindt dat het hier gaat om onrechtmatig verkregen bewijs, omdat hij niet wist dat het gesprek werd opgenomen. Maar de kantonrechter vindt dat er geen sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op artikel 8 van het EVRM* dat recht geeft op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het gesprek is immers gevoerd in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het had daarom een zakelijk karakter, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet in het geding was. Daarom weegt het belang van de waarheidsvinding door openbaarmaking van de opname zwaarder. Bij het terugluisteren blijkt inderdaad dat de werknemer bedreigingen heeft geuit. De rechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.

 

(Kantonrechter Breda 15 februari 2007, JAR 2007, 78, LJN AZ8381)

 

EVRM: Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 4 november 1950

 

Een voormalig schilder moet aantonen dat hij zijn OPS-achtige klachten aan een hoge blootstelling aan oplosmiddelen te danken heeft en niet aan de privefactoren die zijn voormalige werkgever aanvoert.

 

Een thans 62-jarige man werkt sinds 1987 als onderhoudsschilder bij een schildersbedrijf. Wegens overspannenheid in verband met prive-omstandigheden en vanwege een vervuilde lever valt hij in september 2000 uit. In april 2001 start de arbodienst een re-integratietraject. Zes weken later meldt de schilder zich weer ziek. Sindsdien is hij volledig arbeidsongeschikt en ontvangt hij een WAO-uitkering van tachtig tot honderd procent. Uit medische rapportages blijkt dat hij veertig jaar als onderhoudsschilder heeft gewerkt en sinds een jaar allerlei klachten vertoont: moeheid met toegenomen slaapbehoefte, verspreide spierpijn, verminderd geheugen, hoofdpijn, prikkelbaarheid, karakterverandering, verminderde concentratie en belastbaarheid.

 

Hij drinkt geen alcohol meer en de vastgestelde afwijkingen kunnen passen bij een chronische toxische encefalopathie (oude naam: Organisch Psycho Syndroom, OPS).

 

De werknemer vordert schadevergoeding van zijn laatste werkgever, omdat hij door blootstelling aan gevaarlijke stoffen OPS heeft opgelopen. In een poging tot minnelijke schikking biedt de werkgever hem een bedrag van 25.000 euro. De werknemer gaat daar niet op in. De werkgever meent dat niet overtuigend is aangetoond dat de werknemer door blootstelling aan gevaarlijke stoffen OPS heeft opgelopen. De klachten kunnen ook een andere oorzaak hebben, zoals overspannenheid en leverstoornissen. Ook vindt de werkgever dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter acht de door de werknemer aangevoerde gegevens op zichzelf onvoldoende. Om de diagnose OPS te kunnen stellen, moet worden aangetoond dat de werknemer minstens vijf jaar substantieel is blootgesteld aan concentraties toxische oplosmiddelen die de MAC-waarde overschrijden. De artsen zijn er – uitsluitend op basis van de verklaringen van de werknemer – zonder meer vanuit gegaan dat de concentraties dusdanig hoog waren dat ze tot OPS konden leiden. Daarom oordeelt de kantonrechter dat op grond van de uitspraak van de Hoge Raad (23 juni 2006, LJNAW6166) de bewijslast op de werknemer rust. Deze moet aantonen dat hij is blootgesteld aan organische oplosmiddelen in een dusdanige concentratie dat het tot OPS kon leiden.

 

(Kantonrechter Emmen, 7 maart 2007, LJN BA4080)

 

Reageer op dit artikel