artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werkgever ontslaat een arbeidsongeschikte chef wegens wangedrag. De rechter stelt hem in het ongelijk.

 

De manager was arbeidsongeschikt geraakt door een ongeval. Toen hij kwam praten over gedeeltelijke reintegratie, maakte hij volgens de werkgever vervelende opmerkingen tegen enkele medewerkers. Daarop weigerde de werkgever de reintegratie voort te zetten en verzocht hij de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

 

Er was ook in het verleden al sprake geweest van intimiderend gedrag naar ondergeschikten en de werknemer zou niet goed functioneren.

 

Volgens de kantonrechter is er hier geen sprake van intimiderend gedrag. Bovendien zou de werkgever onvoldoende hebben onderbouwd dat de werknemer niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn reintegratie.

 

Ook heeft hij het disfunctioneren niet aannemelijk gemaakt. Het rapport waaruit dit zou blijken, is niet aan de werknemer gestuurd. Van het gesprek waarin dit aan de orde zou zijn geweest, ontbreekt een verslag. De kantonrechter vindt dat de partijen eerst maar eens moeten proberen om de afgebroken reintegratie voort te zetten. De rechter wijst het ontbindingsverzoek dus af.

 

(Kantonrechter Utrecht, 31 oktober 2006, JAR 2006, 295)

 

Een loods valt in een trapgat op een schip en vordert schadevergoeding van de reder. De rechter stelt de reder aansprakelijk.

 

De man viel ’s nachts in een trapgat achter de brug van een vrachtschip. Het schip was van een reder uit Monrovia en voer onder Noorse vlag. De brug werd bereikt langs twee trappen aan de achterkant. Beide trapgaten waren open.

 

De loods vordert van de reder schadevergoeding en vergoeding van het verlies in arbeidsvermogen, tezamen bijna 15.000 euro. Volgens hem was het trapgat onvoldoende verlicht en beschermd, waardoor valgevaar bestond. Gezien de uitzonderlijkheid van de situatie had hij er niet op bedacht hoeven zijn. Bij de meeste zeeschepen komt men namelijk via een deur op de brug.

 

De reder voert aan dat de trap voldoende was verlicht. De loods was over die trap op de brug gekomen en het schip voldeed aan alle internationale veiligheidseisen. Het had op de weg van een professionele loods gelegen zich goed te orienteren op zijn werkomgeving.

 

De rechtbank neemt aan dat de verlichting gedimd was om het zicht naar buiten zo min mogelijk te belemmeren. De eigenaar van een schip moet voldoende maatregelen treffen om te voorkomen dat iemand in het betreffende trapgat valt. Van degenen die op de brug werken, mag de nodige oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht. Maar voor de loods was de werkruimte onbekend. Ook zou hij gezien de aard van zijn werk – het binnenbrengen van een groot schip – niet altijd bewust bezig zijn met de veiligheid van zijn directe werkomgeving. Bovendien had de reder het trapgat eenvoudig kunnen beveiligen. Door dat te verzuimen heeft hij een onveilige situatie laten bestaan en daardoor onrechtmatig gehandeld jegens de loods. Daarom is hij aansprakelijk voor de schade.

 

(Rechtbank Middelburg, 27 april 2005, (gepublic. 28 december 2006) LJN AZ5315)

 

Een tegelzetter valt door een kelderluik dat een loodgieter had opengezet. De rechter acht de loodgieter niet aansprakelijk, omdat de tegelzetter kon weten van het open luik.

 

De man werkte samen met een loodgieter aan een badkamer van een huis. De loodgieter zette een kelderluik open om bij de hoofdkraan te kunnen. Even later viel de tegelzetter door de opening, waardoor hij een enkelfractuur en gekneusde ribben opliep. Het luik zat vlak achter de voordeur aan het begin van een gang. Voordat de man viel, was hij uit de badkamer door die gang gelopen.

 

De tegelzetter vordert schadevergoeding van de loodgieter voor de geleden en nog te lijden schade. Hij vindt dat de loodgieter heeft verzuimd om na zijn bezigheden het kelderluik te sluiten dan wel heeft nagelaten om hem te waarschuwen dat het luik openstond.

 

De rechter stelt voorop dat de loodgieter door het openlaten van het kelderluik een risico heeft genomen. Maar hij acht hem niet aansprakelijk voor de schade. De loodgieter had de tegelzetter gezegd dat hij de hoofdkraan een uurtje zou afsluiten en dat het luik aan het eind van de gang open zou staan. De tegelzetter wist dus dat er valgevaar bestond in de gang. De rechter wijst de vordering af.

 

(Rechtbank Amsterdam, 27 december 2006, LJN AZ6722)

 

Een militair randt een collega fysiek aan. De rechtbank legt hem een geheel voorwaardelijke werkstraf op.

 

Samen met enkele anderen had de militair diverse malen een collega met geweld opgesloten in een toilet. Het slachtoffer werd daarbij gestompt en geslagen met een stok en een riem. Het Openbaar Ministerie vervolgt wegens overtreding van artikel 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en artikel 140 Wetboek van Militair Strafrecht (mishandeling). De officier van justitie eist een werkstraf van 120 uren of 60 dagen hechtenis, waarvan een deel voorwaardelijk. De Militaire Kamer neemt in aanmerking dat de militair in december 2004 is verhoord, het dossier in april 2005 is gesloten en hij pas in mei 2006 is gedagvaard. De rechtbank acht deze periode op zich een redelijke termijn, zodat artikel 6 van het EVRM niet is geschonden, maar wel erg lang.

 

Volgens de militair ging het om een geintje. De rechtbank vindt dat het gedrag de grens van een geintje ver overschrijdt. Er was sprake van feitelijke, fysieke aanranding, zoals bedoeld in het Wetboek van Militair Strafrecht. Omdat de militair niet eerder met justitie in aanraking was geweest, legt de rechtbank hem een geheel voorwaardelijke werkstraf op met een proeftijd van twee jaar.

 

(Rechtbank Arnhem, 29 januari 2007, LJN AZ7177)

 

Een ziekenhuis moet de helft van de schade dragen van een medisch secretaresse, nu de kans groot is dat zij arbeidsongeschikt is geraakt door het inademen van sigarettenrook op de werkplek.

 

De vrouw werkte in een ziekenhuis, waar zij werd blootgesteld aan de sigarettenrook van twee artsen. Begin juli 2000 valt de secretaresse uit met hardnekkige benauwdheidsklachten. Later raakt zij volledig arbeidsongeschikt en de arbeidsovereenkomst wordt met toestemming van het CWI in april 2003 opgezegd. Er is sprake van een medische voorgeschiedenis: de secretaresse is sinds 1984 onder behandeling van een longarts vanwege luchtwegproblemen (astma en chronische bronchitis) en kampt daarnaast met allergieen. De vrouw stelt haar werkgever voor haar gezondheidsklachten aansprakelijk.

 

De kantonrechter wijst de vordering toe en het ziekenhuis gaat in beroep.

 

Het gerechtshof benoemt een longarts om het causaal verband tussen de klachten van de secretaresse en haar werkzaamheden te onderzoeken. Deze arts concludeert onder meer dat de kans dat de vrouw extra gezondheidsklachten heeft gekregen door de blootstelling aan sigarettenrook op het werk hoog is en kan worden geschat op tachtig tot honderd procent. Maar de kans dat haar gezondheidsklachten in dezelfde periode zouden zijn verergerd zonder blootstelling aan rook op de werkplek, acht de deskundige net zo groot. Daarom oordeelt het hof dat de werkgever voor vijftig procent aansprakelijk is voor de door de vrouw geleden schade, tenzij hij alsnog aantoont dat hij zijn zorgplicht is nagekomen.

 

(Gerechtshof Arnhem 26 september 2006, JAR 2007, 30)

 

Reageer op dit artikel