artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

In augustus 1998 maakt een passagiersvliegtuig een vrij harde landing, hetgeen ook door de captain van het toestel wordt erkend. Een van de stewardessen stelt dat zij als gevolg van de landing een zenuwontsteking en een kneuzing in haar rugwervel en nek heeft opgelopen. Zij was daardoor enige tijd arbeidsongeschikt. In deze procedure stelt zij de werkgever voor de geleden schade aansprakelijk.

 

Die betwist dat er causaal verband bestaat tussen de landing en de klachten en vindt ook dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht op grond van art. 7:658 Burgerlijk Wetboek.

 

De kantonrechter valt hem bij. Volgens hem is het volstrekt niet duidelijk wat de werkgever had moeten of kunnen doen om de beweerde nalatigheid op te heffen. Verder lijkt de landing volgens de voorgeschreven procedures te zijn ingezet en afgerond. Uit niets blijkt dat de piloten geen of onvoldoende ervaring hadden om het toestel te besturen. Ook van roekeloos of onvoorzichtig vlieggedrag is niet gebleken. Bovendien voldeed het vliegtuig aan de eisen die daaraan gesteld worden, evenals het stoeltje waar de stewardess tijdens de landing op zat. De werkneemster zelf was voldoende geinstrueerd over de gang van zaken rond een landing en was ook geen onervaren stewardess. Van een tekortschieten in de zorgplicht door de werkgever is daarom geen sprake geweest. De vordering van de werkneemster wordt afgewezen.

 

Kantonrechter Haarlem, 9 november 2005, JAR 2005, 278

 

Juli 1999. Een soldaat van de Koninklijke Landmacht probeert tijdens de sportles een hindernisbaan te nemen en valt van een zogenaamd wasbord. Daar bij blesseert zij haar rug. Zij wordt uiteindelijk medisch ongeschikt geacht voor het verder vervullen van de militaire dienst.

 

In januari 2002 verzoekt zij het ministerie van Defensie aansprakelijkheid voor dit ongeval te erkennen en vergoeding van haar schade. De staatssecretaris weigert dit. Ook bezwaar en beroep bij de rechtbank in april 2004 halen niets uit. De ex-miltair tekent dan beroep aan bij de Centrale Raad van Beroep.

 

De Raad vindt dat Defensie voldoende heeft aangetoond dat zij niet tekort is geschoten in het nakomen van haar zorgplicht. De sportles vond plaats onder toezicht van een gekwalificeerd sportinstructeur. De militair had uitleg gekregen over de wijze waarop het wasbord moest worden genomen en dat was ook geoefend. Bovendien was de militair medisch gekeurd, zodat ervan uit mocht worden gegaan dat zij fysiek in staat was om de oefening uit te voeren, ook meerdere malen achter elkaar. De Raad vindt het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de militair zodanige tekenen van vermoeidheid vertoonde dat de sportinstructeur haar uit eigen beweging rust moest gunnen. Ten slotte is de militair er niet in geslaagd de Raad te overtuigen van het feit dat een ondergrond van grint niet als een voldoende veiligheidsmaatregel kan worden aangemerkt. Het beroep van de militair wordt ook in hoogste instantie verworpen.

 

Centrale Raad van Beroep, 21 december 2005, LJN AU9230

 

Een werkneemster voelt zich begin februari 2005 seksueel bedreigd door een collega. Zij meldt dit aan haar leidinggevende. Daarop vindt mediation plaats, de collega verklaart zijn gedrag en biedt excuses aan die worden geaccepteerd.

 

In april meldt de werkneemster zich ziek. Ze vertelt de bedrijfsarts dat zij zich bedreigd voelde omdat de collega tijdens een werkvergadering naast haar is gaan zitten. Verschillende oplossingen worden aangedragen en ze hervat begin mei haar werk. Maar als de collega langskomt om gedag te zeggen raakt zij zodanig overstuur dat zij halverwege de dienst naar huis gaat. Zij meldt dit niet en is daarna zowel voor de werkgever als de arbodienst telefonisch onbereikbaar.

 

Na diverse brieven en gesprekken met de bedrijfsarts zegt zij medio mei weer te gaan werken, maar doet dit vervolgens niet. Na drie (!) aangetekende brieven wordt haar een laatste kans gegeven maar uiteindelijk volgt eind juni ontslag op staande voet.

 

De werkneemster protesteert tegen dit ontslag, maar de kantonrechter vindt dat het de toets der kritiek kan doorstaan. Het oordeel van de bedrijfsarts is in een second opinion onderschreven. Dan kan in beginsel van een werkneemster worden verlangd dat zij uit eigen beweging haar werk weer hervat. Dit staat ook in de gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid, die de werkgever heeft overlegd.

 

Voldoende aannemelijk is dat de werkgever steeds adequaat heeft gereageerd. Zo is direct na de eerste klacht een bedrijfsmaatschappelijk werker ingeschakeld en heeft mediation plaatsgevonden. Het is onbegrijpelijk dat de werkneemster niet op de diverse oproepen en waarschuwingen heeft gereageerd. Daarom mocht de werkgever dit terecht opvatten als een dringende reden voor ontslag, zeker omdat de werkneemster enige tijd onbereikbaar was voor de bedrijfsarts.

 

Kantonrechter Zwolle, 3 november 2005, LJN AU5729

 

Een werknemer is bezig met de reparatie van een slang van een vrachtwagen en geeft opdracht aan de vrachtwagenchauffeur om druk op het systeem te zetten. Helaas blijkt dat de lekkage precies op de plek zit waar hij de slang in zijn hand heeft. De olie spuit onder hoge druk uit de lekkage met als gevolg ernstig letsel.

 

De werknemer blijkt te hebben gehandeld in strijd met de gegeven instructies. De Arbeidsinspectie heeft de werkgever een boete opgelegd van 2.025 euro omdat hij onvoldoende op de naleving zou hebben toegezien. Artikel 7.5, tweede lid van het Arbobesluit verplicht werkgevers bovendien om reparaties aan arbeidsmiddelen slechts dan te laten uitvoeren als het middel is uitgeschakeld of drukloos of spanningsloos is gemaakt. Als dit niet kan, moeten andere maatregelen worden genomen om reparaties veilig te kunnen uitvoeren.

 

De werkgever maakt bezwaar tegen de boete en komt bij de rechtbank terecht. De rechter vindt, anders dan de Arbeidsinspectie, dat de werkgever wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Die heeft iedere werknemer eens per maand vergezeld tijdens het uitvoeren van een klus op locatie. Naast deze reguliere, geplande controles worden gemiddeld eens per maand steekproefsgewijze controles uitgevoerd. Daarvan worden de werknemers vooraf niet op de hoogte gesteld. Bovendien worden de werknemers bij de aanvang van het dienstverband uitvoerig geinstrueerd over de veiligheidsvoorschriften en gedurende het dienstverband wordt daaraan ook regelmatig aandacht besteed.

 

De Arbeidsinspectie heeft erop gewezen dat het wenselijk zou zijn als de werkgever een persoon zou aanstellen die (nog) vaker controles uitvoert, maar de werkgever heeft daartegen ingebracht dat dit financieel gezien voor hem geen reele optie is. Het bedrijf is namelijk relatief gering van omvang (vier medewerkers die opdrachten op locatie uitvoeren). De rechtbank heeft begrip voor dit standpunt.

 

Dit alles leidt tot het oordeel dat er geen grond was voor het opleggen van een boete. Het boetebesluit wordt vernietigd.

 

Rechtbank Roermond, 8 november 2005, JAR 2005, 282

 

In april 1998 wordt een uitzendkracht ingeleend voor cateringwerk bij een receptie van een grote boekhandel. Hij doet dit werk onder leiding van de partymanager van het inlenend bedrijf.

 

Als hij een doos met flessen van de achterzijde van de boekhandel naar de winkelruimte brengt, valt hij van een keldertrap. Die route was al eerder afgelegd voordat het ongeval gebeurde. De man stelt de boekhandel aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval omdat die zijn verplichtingen volgens artikel 7:658 BW niet is nagekomen.

 

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat weliswaar niet vaststaat dat er een rondleiding is geweest, maar wel dat de route normaal verlicht was en dat er geen obstakels waren. Daarom was er geen sprake van een zodanige gevaarlijke situatie dat de boekhandel extra maatregelen had moeten nemen.

 

De uitzendkracht gaat in beroep. Hij voert aan dat de doorgang slechts indirect verlicht was via twee aangrenzende kamers en ook vol stond met obstakels. De inlener (de boekhandel) had hem moeten wijzen op de gevaren van de route.

 

Het hof oordeelt dat de keldertrap een potentieel gevaar is, waarvoor de inlener de uitzendkracht vooraf had moeten waarschuwen. De keldertrap was niet afgeschermd en bevond zich vlak naast een smalle doorgang. Boven de trap was geen platform en de trap was vanuit een bepaalde hoek geheel aan het zicht onttrokken door een scheidingsmuur. Daarom gaat het hof voorbij aan de verklaring van de boekhandel, dat de keldertrap nooit was beschouwd als een gevaarlijke situatie. De uitzendkracht deed zijn werk in een voor hem onbekende werkomgeving.

 

Volgens het hof is onvoldoende aangetoond dat er vooraf een rondleiding is geweest of dat voor de keldertrap is gewaarschuwd. Het hof verwerpt het verweer van de inlener, dat waarschuwen voor de keldertrap het ongeval niet had kunnen voorkomen wegens onoplettendheid van de uitzendkracht. Van een inlener mag worden verlangd dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat werknemers niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen. Volgens het hof zou een waarschuwing voor de keldertrap de kans op de val aanzienlijk hebben verkleind. Daarom is de inlener aansprakelijk voor de schade die de uitzendkracht als gevolg van het ongeval lijdt.

 

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 november 2005, LJN AU8542

 

Een aannemer schakelt twee loodgieters in om werkzaamheden te verrichten aan het dak en de dakgoot van een particuliere woning. Er is tussen de partijen geen arbeidsovereenkomst gesloten en de loodgieter en zijn collega verrichten het werk ook niet vanuit een dienstbetrekking. Kort voor de aanvang van het werk spreekt de aannemer met de loodgieters af dat zij ook het timmerwerk doen, omdat de aannemer daar zelf te weinig tijd voor heeft. Zijn collega’s maken gebruik van een door de aannemer gehuurde steiger. Tijdens de uitvoering van het werk in maart 2001 valt deze steiger om waardoor de loodgieter ten val komt en ernstig hersenletsel oploopt.

 

Het slachtoffer stelt de aannemer hiervoor aansprakelijk. De aannemer wijst de vordering echter van de hand, met name op grond van het feit dat er geen sprake is van een arbeidsrelatie. De kantonrechter stelt vast dat de aannemer de loodgieter en zijn collega heeft ingeschakeld en dat hij hen zou betalen. Feitelijk zou al het werk door hen beiden worden gedaan. Er is geen wezenlijk contact geweest tussen de opdrachtgever van de werkzaamheden en de loodgieter en zijn collega. Afgesproken is namelijk dat de aannemer de centrale persoon zou zijn en dat hij met de andere ingeschakelde personen afspraken zou maken over betaling.

 

Hiermee staat vast dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 658 lid 4 zevende boek Burgerlijk Wetboek. Dit artikel gaat kort gezegd onder meer over de aansprakelijkheid voor schade bij het inlenen van arbeidskrachten.

 

De aannemer heeft nog aangevoerd dat hij zelf geen loodgieterwerkzaamheden kan verrichten en dat artikel 7:658 lid 4 BW alleen bedoeld is voor situaties waarin werkzaamheden worden uitgevoerd die niet ook door eigen personeel verricht kunnen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt dit echter alleen waar het gaat om branchevreemde werkzaamheden en niet voor een situatie als de onderhavige waarin de aannemer twee natuurlijke personen heeft ingeschakeld om een deel, en feitelijk zelfs het geheel, van het door hem aangenomen werk uit te voeren.

 

De kantonrechter oordeelt dat de loodgieter niet bewust roekeloos heeft gehandeld. De aannemer is tekortgeschoten in zijn zorgplicht en daarom aansprakelijk. De aannemer gaat in beroep. Het hof oordeelt dat er sprake was van een gezagsverhouding, gezien de betrokkenheid van de aannemer bij de uitvoering van de werkzaamheden door de onderaannemers. Daarom is het hof van oordeel dat de aannemer in de uitoefening van zijn bedrijf werkzaamheden liet verrichten door de onderaannemer. Een en ander zoals vereist is op grond van artikel 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek.

 

Ook cassatieberoep van de aannemer bij de Hoge Raad haalt niets uit.

 

HR 18 november 2005, JAR 2005, 288

 

Reageer op dit artikel