artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Overvallers dringen een speelhal binnen, bedreigen een teamleider met een pistool, en dwingen haar de inhoud van de kluis te overhandigen. Zij is daarna niet meer in staat haar werkzaamheden uit te oefenen, en stelt haar werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van haar arbeidsongeschiktheid. Zij stelt dat zij arbeidsongeschikt is geworden door de overval en dat de werkgever te weinig gedaan heeft die te voorkomen. Verder zou haar te weinig nazorg zijn geboden. De werkgever betwist dit. Hij stelt dat art. 7:658 Burgerlijk Wetboek (de zorgverplichting van de werkgever)niet van toepassing zou zijn in deze zaak. De kantonrechter verwerpt dat verweer, maar vindt toch dat de werkgever niet is tekortgeschoten in zijn zorgverplichting. Er waren immers een aantal bewakingscamera ’s binnen en de overval is geregistreerd. De alarmknop functioneerde en er was kort voor de overval een risico-inventarisatie en -evaluatie gemaakt door een veiligheidskundige van het GAK. Die RI&E was op 24 januari 2002 goedgekeurd. Ook was er een KEMA-certificaat dat was gebaseerd op de NEN-ISO 9000 serie. De werkneemster volgde ten tijde van de overval een speciale opleiding voor personeel van amusementscentra, met daarbij specifieke instructies over het omgaan met geweld en overvallen. Deze instructies stonden ook in het aan het personeel ter beschikking gestelde handboek. De werkgever betwist dat van buitenaf te zien was dat er binnen geen bewaking was, zoals de werkneemster heeft gesteld. Later zijn er ook buiten camera aangebracht, maar dat betekent niet dat de werkgever ten tijde van het ongeval onvoldoende maatregelen heeft getroffen. De werkgever heeft verder voldoende nazorg geboden. Er is voldoende gebleken dat de P&O-medewerkster van de maatregelen van de werkgever regelmatig telefonisch contact heeft gezocht met de werkneemster. Haar leidinggevende heeft haar viermaal gebeld en haar tweemaal thuis bezocht. Ook heeft de werkneemster regelmatig contact gehad met de arbodienst, is op kosten van de werkgever het bedrijfsmaatschappelijk werk ingeschakeld en zijn traumabegeleiding en een psycholoog ingeschakeld. De werkgever is daarom niet aansprakelijk voor de schade van de werkneemster.

 

(Kantonrechter Boxmeer 2 augustus 2005, JAR 2005, 194)

 

Tijdens een personeelsfeest gooien vier medewerkers de lampolie uit een paar olielampjes op een barbecuerooster. Hierdoor ontstaat er brand en het partycentrum waar de maaltijd plaatsvond, wordt voor een groot deel in de as gelegd. In geding is of de werkgever voor de schade aansprakelijk is op grond van art. 6:170 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel geeft kort gezegd aan dat een werkgever aansprakelijk is voor de daden van zijn ondergeschikten in de uitoefening van de opgedragen taken. Maar volgens de werkgever is er geen functioneel verband tussen het gooien van de lampolie en de aan de betrokken werknemers opgedragen werkzaamheden. De rechtbank is het daarmee eens en ziet geen functioneel verband. Het hof komt in hoger beroep tot een ander oordeel. Het geeft toe dat de vier werknemers zeker niet verplicht waren om op het feest te verschijnen. Ook behoorde hun aanwezigheid niet tot de taak waarvoor zij waren aangenomen. Dat neemt niet weg dat het feest door hun werkgever was georganiseerd en gefaciliteerd. De werknemers waren op het personeelsfeest louter aanwezig omdat zij als werknemers bij de werkgever in dienst waren. Daarnaast is een dergelijk feest doorgaans ook in het belang van de saamhorigheid in het bedrijf en de motivatie van de werknemers. Daardoor staat een voldoende nauwe band met de taak van de betrokken werknemers als bedoeld in art. 6:170 BW vast. Bovendien hebben drie van de vier werknemers in hun verklaringen tegenover de politie aan hun directeur gerefereerd als ‘mijn baas ’. De directeur had in hun beleving dus ook die avond een zekere zeggenschap over hen. Ook acht het hof relevant dat zij als een zekere eenheid naar buiten traden, namelijk als behorend bij een bedrijf. Dit bleek uit de aard van het feest en de uitvoering daarvan:op naam en voor rekening van de werkgever, in aanwezigheid van ‘de baas ’. Ook werd het duidelijk uit het gezamenlijk optrekken van de feestgangers en hun werkgever. Het partycentrum mocht hen dan ook als zodanig beschouwen. Verder is niet gebleken dat de directeur heeft geprobeerd te voorkomen dat zijn medewerkers olie op de barbecue gooiden – integendeel, hij lijkt hen juist daartoe te hebben aangezet en daarmee de kans op schade te hebben vergroot.

 

Daarom concludeert het hof dat de werkgever uit hoofde van art. 6:170 BW voor de schade aansprakelijk is als komt vast te staan dat die schade het gevolg is van een onrechtmatige daad van de vier werknemers. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

 

(Gerechtshof Amsterdam 21 juli 2005, JAR 2005, 187)

 

Een assistent-accountant werkt sinds 1986 bij een accountantskantoor, en valt in 1999 uit. Hij stelt dat hij lijdt aan de beroepsziekte RSI en dat de klachten zijn veroorzaakt door zijn werk voor het accountantskantoor. Hij deed daar veel beeldschermwerk onder slechte ergonomische omstandigheden. De (voormalige) werkgever heeft niet voldaan aan zijn zorgplicht en is daarom aansprakelijk voor de geleden schade.

 

De rechtbank wijst de vordering op 19 december 2003 toe, maar de werkgever gaat in beroep. Het hof stelt vast dat er nog geen eenstemmigheid bestaat over de oorzaak van RSI en de risicoverhogende factoren. Maar wel kan onder meer veelvuldig beeldschermwerk RSI-klachten veroorzaken. Ook slechte ergonomische omstandigheden en grote werkdruk zijn risicoverhogende factoren. De werknemer werkte gemiddeld zo’n 50 a 60 uur per week en bracht bijna de helft van die tijd door achter het beeldscherm. Bovendien zat hij veel bij klanten en daar was sprake van wisselende en vaak ergonomisch slechte werkplekken. Ook gebruikte hij vaak een laptop. Volgens het hof zijn dit factoren die het risico op RSI verhogen. Ten slotte bleek uit een onderzoek van de arbodienst in 1998 dat de stoel van de werknemer niet voldeed aan NEN 1812. Ook werken met een laptop was niet in overeenstemming met het Besluit beeldschermwerk. Diverse revalidatieartsen spreken in hun rapporten over RSI of RSI-achtige beelden en in 2001 trekt een door beide partijen ingeschakelde arts de conclusie dat er sprake is van arbeidsgebonden RSI. Andere oorzaken voor de klachten van de werknemer dan zijn werk acht het hof niet aannemelijk geworden.

 

Het hof erkent dat er in 1986 nog niet veel aandacht was voor het probleem RSI. Maar die aandacht is daarna wel toegenomen en van een werkgever mag worden verwacht dat zijn zorg voor het voorkomen van klachten daarmee in de pas loopt.

 

Het Besluit beeldschermwerk dateert van december 1992. Daarom had de werkgever in elk geval vanaf die datum een zorgplicht ten aanzien van de inrichting van beeldschermwerkplekken. Die zorgplicht strekt zich ook uit tot de werkplekken bij de klanten, zeker nu die vaak slechter waren dan van het eigen personeel.

 

Conclusie is dat de werkgever, met name in de jaren 1992 tot 1996, niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Ook is niet aannemelijk geworden dat de werknemer zonder zijn werk dezelfde klachten zou hebben gekregen. Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen.

 

Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 1juli 2005, LJN: AU1864

 

Een medewerker steriele medische hulpmiddelen werkt al ruim zeventien jaar bij een ziekenhuis als hij eind januari 2005 in voorlopige hechtenis wordt genomen op verdenking van een zedendelict. Op 17 mei 2005 volgt veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens het vervaardigen van kinderporno en vanwege kindermisbruik. Het ziekenhuis verzoekt als werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De werkgever stelt dat hij geen enkel vertrouwen meer heeft in de werknemer. De werknemer brengt daartegen in dat hij zich op het werk nooit met ontuchtige handelingen heeft beziggehouden en dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd. Het behouden van werk is voor hem van groot belang.

 

Volgens de kantonrechter moet de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden ontbonden worden. Vast staat dat de werknemer zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan (zeden)-misdrijven, daarvoor is veroordeeld en zich daarmee buiten staat heeft gesteld om de bedongen arbeid te verrichten. Hierdoor is hij het vertrouwen van zijn werkgever onwaardig geworden. Van de werkgever kan niet worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst onder deze omstandigheden in stand houdt. Daarbij spelen de aard van de misdrijven en het beroep van de werknemer ook een rol. Die zijn naar het oordeel van de rechter, onverenigbaar met elkaar.

 

Kantonrechter Almelo 15 juli 2005, JAR 2005, 207

 

Reageer op dit artikel