artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werkneemster is van mei 1988 tot eind maart 2001 werkzaam als verpleegkundige. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst is zij voor 45-55 procent arbeidsongeschikt. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt vijf uur per dag. In 1996 worden haar werkzaamheden verzwaard, waarvoor zij een extra toeslag krijgt. In oktober 1998 raakt zij volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een knieblessure. Tevergeefs probeert zij haar werk op arbeidstherapeutische basis te hervatten.

 

Na twee jaar ziekte ontslaat haar werkgever haar. De werkneemster stelt dat dit ontslag kennelijk onredelijk is en vordert een schadevergoeding op grond van artikel 658 dan wel artikel 611 zevende boek Burgerlijk Wetboek.

 

Ze geeft als reden dat ze arbeidsongeschikt is geraakt doordat zij onder een te hoge werkdruk heeft moeten werken. De kantonrechter stelt vast dat de vordering voor kennelijk onredelijk ontslag verjaard is, omdat de dagvaarding is uitgebracht na afloop van de termijn waarbinnen de vordering was gestuit. De rechter overweegt dat artikel 7:658 BW niet van toepassing is. Dit artikel heeft namelijk betrekking op de veiligheid van de werkomgeving en niet op de zorgplicht van de werkgever ten aanzien van de werkbelasting van de werknemer.

 

Wel is de werkgever op grond van artikel 7:611 BW gehouden om een werknemer niet gedurende lange tijd onder grote werkdruk te laten werken. In deze zaak heeft de werkgever de werkneemster gevraagd om een hogere arbeidsprestatie te leveren dan van haar mocht worden verwacht op grond van haar arbeidsovereenkomst. Hij wist van haar lichamelijke klachten.

 

Ook wist hij, of had hij moeten weten, dat deze klachten zouden verergeren bij stress, of althans in psychische klachten zouden kunnen worden omgezet. Daarmee had hij rekening moeten houden toen hij de werkneemster extra werk gaf. Daarnaast acht de rechter dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen voor de reintegratie van de werkneemster.

 

Gezien deze omstandigheden en het inkomen dat de werkneemster thans ontvangt, vindt hij een schadevergoeding van € 10.000,– bruto billijk.

 

(Kantonrechter Brielle 30 september 2003, JAR 2003, 267)

 

Een 37-jarige croupier is twaalf jaar in dienst als haar werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ze is dan al drie jaar arbeidsongeschikt. Haar salaris bedraagt ruim € 2300,– per maand exclusief vakantietoeslag.

 

Er is geen passend werk voorhanden en de werkneemster richt zich zelf ook niet op herplaatsing bij de werkgever, want zij volgt met subsidie op grond van de wet REA een opleiding voor ander werk. Het CWI wijst de ontslagaanvraag af omdat de werkgever zich onvoldoende zou hebben ingespannen voor de reintegratie. De werkneemster erkent dat zij blijvend arbeidsongeschikt is voor haar functie.

 

Zij stelt dat ze ernstige RSI heeft als gevolg van haar werk. Ingeval de kantonrechter tot ontbinding overgaat, verzoekt zij haar vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 658 zevende boek Burgerlijk Wetboek buiten beschouwing te laten. Zij wil haar werkgever namelijk in een aparte procedure aanspreken en schadevergoeding eisen voor de gevolgen van RSI. De kantonrechter stelt vast dat de werkneemster inmiddels ruim drie jaar niet meer voor de werkgever werkt en dat zij haar werkzaamheden als croupier niet langer kan verrichten. Niet is gebleken dat er de afgelopen drie jaar ander passend werk voor de werkneemster beschikbaar is geweest.

 

Het ontbindingsverzoek is daarom toewijsbaar. Bij het verzoek om een vergoeding houdt de rechter de letselschade als verzocht geheel buiten beschouwing. Hij meent dat er wel aspecten zijn die voor een vergoeding nu al relevant zijn.

 

Het dienstverband van de werkneemster komt immers op onbevredigende wijze ten einde.

 

Maar gelet op het feit dat de werkgever de werkneemster gedurende drie jaar heeft doorbetaald tijdens haar ziekte, is een ontbindingsvergoeding van bijna € 7.500,– op haar plaats.

 

(Kantonrechter Amsterdam 9 oktober 2003, JAR 2003, 282)

 

Een werknemer werkt sinds 1962 in verschillende functies waarbij hij met name in de periode 1965 tot begin jaren tachtig naar zijn zeggen langdurig en intensief is blootgesteld aan asbest. In augustus 1992 – hij was toen 46 jaar – is bij hem longkanker vastgesteld.

 

Hij is met radiotherapie behandeld.

 

In 2000 waren er geen tekenen van hernieuwde opleving van de tumor. De werknemer heeft twintig jaar gerookt. Hij vordert vergoeding van de materiele en immateriele schade als gevolg van longkanker. Volgens hem kan de longtumor het gevolg zijn van zowel het roken als de blootstelling aan asbest of van een combinatie van beide.

 

Hij stelt voor dat een deskundige bepaalt in hoeverre de tumor moet worden toegerekend aan het roken en in hoeverre aan de blootstelling aan asbeststof. De kantonrechter benoemt een deskundige.

 

Deze rapporteert, aan de hand van het rekenmodel dat eerder is gebruikt in de zaak Schaier/De Schelde (Kantonrechter Middelburg, 1 februari 1999, Njkort 1999, 35), dat de kans dat de longkanker door asbest is veroorzaakt 35 procent bedraagt.

 

De deskundige stelt vast dat de werkgever pas aan het eind van de jaren zeventig maatregelen heeft getroffen, terwijl de risico’s van asbest al bekend waren aan het begin van dat decennium.

 

De kantonrechter neemt zijn conclusies over. Nu de werkgever is tekortgeschoten in zijn zorgplicht waardoor de kans dat de werknemer longkanker zou krijgen met 35 procent is verhoogd, is de werkgever aansprakelijk.

 

Aan de werknemer moet echter worden toegerekend dat hij door gedurende lange tijd te roken ook zelf die kans aanmerkelijk heeft vergroot. Op de voet van artikel 101 zesde boek Burgerlijk Wetboek wordt de vergoedingsplicht van de werkgever daarom verminderd tot 35 procent van de schade, zijnde de mate waarin aan hem toe te rekenen omstandigheden aan de (kans op) schade hebben bijgedragen. De gevorderde immateriele schadevergoeding van € 75.000,– wordt daarom voor 35 procent toegewezen, terwijl de materiele schade nader bij staat moet worden opgemaakt.

 

(Kantonrechter Eindhoven, 13 april 2000, 20 juli 2000 en 23 augustus 2001, JAR 2003, 286)

 

Een cellist van het Gelders Orkest stelt zijn werkgever aansprakelijk voor de materiele en immateriele schade die volgens hem het gevolg is van de geluidsoverlast tijdens repetities en concerten van het orkest. De kantonrechter verzoekt rofessor Graamans en de heer De Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, om een deskundigenbericht.

 

Graamans stelt vast dat de werknemer aan een gehoorbeschadiging lijdt die het gevolg is van het spelen in een symfonieorkest.

 

De Ruiter verklaart dat het mogelijk is dat een orkest de werkplek van orkestleden zodanig organiseert dat het risico van geluidsoverlast, veroorzaakt door de blazers, vermindert. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat de gehoorbeschadiging inderdaad is veroorzaakt door het spelen in het symfonieorkest. Verder is komen vast te staan dat de werkgever niet naar behoren heeft voldaan aan zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 658 lid 1 zevende boek van het Burgerlijk Wetboek. Hij had moeten zorgen voor meer ruimte tussen koper, slagwerk en houtblazers enerzijds en de strijkersgroepen anderzijds en hij had otoplastieken kunnen verstrekken.

 

Deze oordoppen hebben weliswaar praktische bezwaren, maar hadden bij selectief gebruik de geluidsoverlast aanzienlijk kunnen reduceren. Overigens erkent de rechter dat het risico van gehoorschade voor orkestmusici nog niet zo lang in de belangstelling staat. Toch had de werkgever van de problematiek op de hoogte kunnen zijn, omdat het probleem in het buitenland, met name in de Verenigde Staten, al jaren bekend is. Overigens wist de werkgever ook van de problematiek, althans dat blijkt uit een verslag van een gesprek dat de Ondernemingsraad hierover met de directie heeft gevoerd in juni 1995 en een brief van april 1990 aan de ‘commissie schadelijk geluid’.

 

In die brief staat dat ‘bij de orkestuitvoering geluidsniveaus worden gemeten die bij musici tot gehoorbeschadiging kunnen leiden’. De rechter kent de cellist een vergoeding voor de immateriele schade toe van € 3.000,–.

 

Daarbij is van belang dat de werknemer door zijn beroepsziekte niet arbeidsongeschikt is geworden. De materiele schade moet nader worden opgemaakt.

 

(Kantonrechter Arnhem 27 oktober 2003, JAR 2003, 283)

 

Reageer op dit artikel