artikel

‘Reïntegratie mist invulling’

Geen categorie

Op het gebied van arbeid en gezondheid vindt Van der Klink bij UMCG/ RUG een gespreid bedje, beaamt hij. Dankzij zijn voorganger, professor Groothoff, vindt hij zelf. ‘Groothoff heeft arbeid en gezondheid in het UMCG en het veld stevig gegrondvest. Hij heeft een sterke verbinding gelegd tussen de wetenschap en bedrijfsartsen en verzekeringsartsen in de noordelijke provincies. En hij heeft erg veel promoties begeleid.’

 

Van der Klink is expert op het gebied van psychische aspecten van arbeid en gezondheid. Hij gaat dit onderwerp in Groningen verder uitdiepen. Zijn onderzoeksopdracht gaat in op verschillende aspecten: de mogelijkheid en effectiviteit van interventies bij psychische problematiek, de kwaliteit van arbeid/preventie van arbeidsgeschiktheid, de gevolgen van psychische klachten in het arbeidsproces, en de gevolgen voor de kwaliteit van leven bij blijvende arbeidsongeschiktheid bij chronisch en psychisch zieken. Ook gaat Van der Klink de arbeidsgezondheidszorg verder ontwikkelen en academiseren.

 

Van der Klink: ‘Ik ga mij op al deze gebieden nadrukkelijk bezighouden met het ontwikkelen van modellen en interventies gericht op deelname van mensen. Want we weten nog onvoldoende wat nodig is om mensen met psychische klachten aan het werk te houden of terug te begeleiden naar werk. Of, breder nog, te laten deelnemen aan de samenleving. Want dat is ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de universiteit.’

 

Volgens de hoogleraar zijn er wereldwij d weliswaar tienduizenden studies gedaan naar de effectiviteit van interventies bij bijvoorbeeld depressie, maar slechts een handjevol is geevalueerd op het effect op deelname van mensen, stelt hij. ‘Bijna alles is geevalueerd op klachtniveau: is iemand wat minder depressief geworden? Er is nooit gekeken of die persoon ook weer wat kan of dat hij nog steeds thuis op de bank zit.’ Terwijl aan de deelname van mensen steeds meer belang wordt gehecht, aldus Van der Klink. ‘We bewegen van een compensatiemodel, waarin mensen naar de zijlijn werden gemanoeuvreerd en een uitkering kregen, naar een participatiemodel. De politiek wil niet meer dat mensen aan de kant blijven staan. Op zich een goede ontwikkeling, maar mijn zorg is dat mensen uit de compensatie vallen, omdat allerlei regelingen slechter worden. Er bestaat lang niet altijd een daadwerkelijke kans op deelname. Het is een sociaal-geneeskundige verantwoordelijkheid om modellen en interventies te ontwikkelen waardoor mensen wel kans krijgen op deelname.’

 

Meer dan vroeger hebben mensen psychische klachten. ‘De psychomentale belasting speelt in onze economie een steeds belangrijkere rol. De verhouding van mensen tot werk is veranderd. Mensen vinden werk tegenwoordig leuk en belangrijk om zich te ontwikkelen en betekenis te geven aan het leven.

 

Er zijn haast geen grenzen meer. Een werkdag van 9 tot 5 bestaat niet meer. Medewerkers nemen werk mee naar huis en zitten ’s avonds thuis nog de e-mail af te handelen.’

 

Volgens Van der Klink kan bedrijfsgezondheidszorg mensen en organisaties helpen om een goede balans te vinden. Ook bij preventie moet worden gepoogd om interventies niet alleen te richten op klachten, maar ook op participatie. ‘Zelden wordt onderzocht hoe mensen beter, prettiger en duurzamer kunnen functioneren. Het gaat erom te voorkomen dat mensen uitvallen en anders de mogelijkheid hebben om terug te komen. Want hoe verder j e het laat gaan, des te moeilijker is de weg terug.’

 

Van der Klink ziet voor de bedrijfsarts een tweeledige rol bij terugkeer van mensen met psychische klachten naar werk. Hij moet mensen motiveren om weer aan het werk te gaan. Tegelijk moet hij de terugkeer heel goed begeleiden of laten begeleiden. Daarbij moet de arts oog hebben voor de werknemer die terugkeert, maar zeker ook voor de leidinggevende of werkgever. Van der Klink: ‘De werksituatie moet goed begeleid worden. Ook voor een leidinggevende betekent het nogal wat. Ze krijgen eigenlijk iemand terug op de werkvloer die volgens de normen van gisteren nog ziek en arbeidsongeschikt is. Ik vraag wel eens of een werkgever voorbereid is om met een depressieve werknemer om te gaan. En of zijn arbodienst hem kan ondersteunen. Het antwoord is dan vaak ‘nee’. Er is nog een hele wereld te winnen om leidinggevenden handvatten te geven om met medewerkers om te gaan die nog allerlei symptomen hebben en nog niet optimaal kunnen werken. Momenteel weten we daar eigenlijk nog te weinig over.’

 

En al die richtlijnen en protocollen over de reintegratie van werknemers met psychische klachten dan, die toch vooral een snelle terugkeer naar de werkplek bepleiten? Kloppen die dan niet? Van der Klink: ‘Vroeger moesten mensen eerst beter zijn, voordat ze weer aan het werk gingen. Daar zijn we terecht van teruggekomen. We weten dat mensen beter af zijn als ze sneller aan de slag gaan. Er is echter nog meer nodig, maar wat precies weten we eigenlijk niet. De reintegratie heeft geen invulling op de werkplek, waardoor niet iedereen optimale kansen heeft. Werknemer en werkgever worden niet voldoende ondersteund om de terugkeer vorm te geven. Op dat gebied kan er nog heel veel verbeterd worden. En er kunnen nog allerlei nieuwe dingen ontwikkeld worden.’

 

‘Neem een depressieve werknemer. Die is weliswaar gebaat bij een snelle terugkeer, maar hij moet wel structuur aangeboden krijgen en met andere mensen kunnen werken. Inspanningen moeten daadwerkelijk bijdragen aan iemands herstel. Dat bereik je niet altijd door iemand ergens in de organisatie te plaatsen op een plek die voor de organisatie misschien goed uitkomt, maar die geen herstelmogelijkheden biedt. Je moet een depressieve werknemer niet de hele dag alleen laten werken. Als een bedrijfsarts alleen aangeeft dat iemand snel weer aan het werk moet en er vervolgens geen begeleiding volgt, dan leidt die interventie niet tot succes. Je moet zaken afstemmen.’

 

In hoeverre beschikt de bedrijfsarts eigenlijk over voldoende kennis om mensen met psychische klachten goed te begeleiden? Is dat niet meer een taak voor specialismen als psycholoog en psychiater? Van der Klink: ‘Over het algemeen zijn interventies die dichter bij de werkvloer staan, effectiever. Die hebben beter zicht in welke situatie iemand terug moet keren. De inzet van hogere deskundigheid in de vorm van psychologen geeft niet altijd sneller effect.’

 

Toch moet de bedrijfsarts volgens de hoogleraar ook heel goed zijn grenzen kennen. ‘Je moet niet alles over de schutting gooien, maar ook niet alles proberen alleen op te lossen. Het gaat erom op het juiste moment specifieke deskundigheid in te schakelen. Ik geloof vooral in het consultatiemodel: de bedrijfsarts kan de psycholoog raadplegen, maar hij moet wel zelf de vinger aan de pols blijven houden.’

 

Eenderde van de mensen in de vroegere WAO had psychische klachten. Hoewel het aantal arbeidsongeschikten daalt, blijft dat percentage ongeveer gelijk, aldus Van der Klink. Van der Klink wil voor de psychisch arbeidsongeschikten vooral kennis delen door samen te werken met andere kennisinstituten, onder andere de universiteit van Amsterdam en het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Op die manier hoopt hij hun mogelijkheden voor deelname te vergroten. Over zijn eigen rol zegt hij: ‘Ik hoop een steentje bij te dragen om het vak nog beter onderbouwd en nog aantrekkelijker voor professionals en het veld te maken. Zodat de toegevoegde waarde van de bedrijfsarts groter en zichtbaarder wordt en het een leuk en interessant vak blijft om uit te oefenen. Het is mijn overtuiging dat door een betere wetenschappelijke onderbouwing je positie ook beter is.’

 

Van der Klink (1953) studeerde geneeskunde en psychologie aan de Universiteit van Utrecht. In 1984 werd hij bedrijfsarts bij KPN Arbo. In 1988 studeerde hij af in de sociale en organisatiepsychologie en in de klinische psychologie. Vanaf 1994 was hij onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden, het Coronel Instituut van het Academisch Medisch Centrum en de Stichting Kwaliteitsbevordering Bedrijfsgezondheidszorg. In 2001 werd hij programmamanager (vanaf 2005 programmadirecteur) van de NSPOH. Hij promoveerde in 2002 aan de Universiteit van Amsterdam. Van der Klink was lid van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid (Donner I). Hij is tevens lid van het College Sociale Geneeskunde en van de Commissie WIA van de Gezondheidsraad.

 

 

Reageer op dit artikel