artikel

RSI: ook louter door werkdruk

Geen categorie

Maar hoe kan het dat je van pakweg te weinig steun van je collega’s pijn in de nek krijgt? Van den Heuvel: ‘Ik ben geen specialist, maar begrijp van mensen die het behoren te weten dat stress op verschillende manieren op het lichaam inwerkt. Zo ontwikkelt de een hartproblemen of een burn-out en krijgt de ander last van armen en spieren. Dat komt omdat stress van alles met je lichaam doet. Zo maakt een mens stresshormonen aan en beinvloedt stress de bloedsomloop en de spieractiviteit.

 

De heilzame werking van de veelgeroemde pauzesoftware wist Van den Heuvel en haar medeonderzoekers niet aan te tonen. Bij die bevinding zet ze echter graag een kanttekening. ‘Ik ben zelf groot voorstander van pauzesoftware in mijn eigen werk en ook de gebruikers in het onderzoek waren er zeer over te spreken. Maar we konden geen direct verband aantonen tussen de software en het verminderen van klachten. De fabrikanten wijten dat aan de niet al te strenge afstelling van de software. Daarvoor hadden we gekozen om te voorkomen dat deelnemers aan het onderzoek het programma uit ergernis niet zouden gebruiken. Ergenis kan trouwens ook weer stress en dus RSI opleveren – een andere reden om de pauzesoftware niet al te streng af te stellen. Een andere mogelijke verklaring voor het niet kunnen vinden van een effect is dat veel klachten vanzelf weer overgaan. Dat gebeurt zowel in de groep die met software werkt, als in de controlegroep. Daardoor is het statistisch gezien heel moeilijk om een effect van de software aan te tonen.’

 

Voordat de Nederlandse Vereniging voor Ergonomie gaat steigeren en boos wijst op de slechte boodschap die de promovenda uitdraagt, toch even een nuance. Van den Heuvel ziet wel degelijk de voordelen van goede werkplekken. In haar onderzoek trof ze een – beperkt – verband aan tussen werkgerelateerde fysieke belasting bij kantoorpersoneel. Met behulp van de generalized estimating equation (GEE)methode concludeert ze dat een beperkt aantal werkgerelateerde fysieke factoren verband houdt met RSI-klachten bij kantoorpersoneel. Werken met een gedraaide nek vergroot de kans op nek- en schouderklachten, terwijl werken met een achterovergebogen nek en lange werkdagen mogelijk leiden tot nek- en schouderklachten. Geen van de onderzochte fysieke factoren heeft echter een negatief effect op pols/hand- en elleboogklachten. Van den Heuvel: ‘Nu moeten mensen niet gaan denken dat een goede werkplekopstelling geen nut heeft. Wel wil ik de logica ter discussie stellen dat een goede werkplek automatisch minder klachten oplevert. Naast het feit dat werknemers vaak hun stoel niet goed afstellen, kan de oorzaak van de klachten dus dieper liggen.’

 

Opvallend genoeg vond Van den Heuvel dat verschillende ‘werkfrustraties’ ook verschillende klachten opleverden. Zo vormen hoge taakeisen een risicofactor voor zowel klachten aan nek en schouder als aan elleboog, pols en hand. Weinig sociale steun van collega’s levert echter vooral elleboog-, pols- en handklachten op, maar geen nek- en schouderklachten. De vraag is simpel en voor de hand liggend. Hoe komt dat? Het antwoord is even simpel, maar helaas weinig bevredigend. Van den Heuvel: ‘Ik begrijp het ook niet. Het kan toeval zijn, door de samenstelling van de onderzoeksgroep, maar het kan ook een oorzaak hebben.’ Naast hoge taakeisen en lage sociale steun vond de promovenda nog een oorzaak voor RSI. Ze gebruikte het Effort-Reward Imbalance Model (ERI) van Siegrist, dat er vanuit gaat dat een combinatie van een hoge inspanning op het werk en een lage immateriele beloning mogelijk tot ongunstige gezondheidseffecten leidt. Overmatige betrokkenheid kan daarbij als katalysator werken, maar ook een opzichzelfstaand effect hebben. Van den Heuvels onderzoek toont aan dat overmatig betrokken personen en personen met een lage materiele of immateriele beloning en een hoge inspanning, meer RSI-klachten rapporteren. Of het reclamespotje van Tempo Team, waarin een man met beide benen in het gips ‘gewoon’ komt werken, dan ook zo’n goede reclame is? ‘Werkgevers moeten proberen meer op gedragsaspecten en werkstijl te letten. Dat is verschrikkelijk moeilijk, want iedereen wil wel werknemers die altijd beschikbaar zijn en nooit pauzeren. Maar het zou zowel werkgevers als werknemers op kunnen breken. Ik wil er ook voor waken dat de werknemer de schuld krijgt van zijn RSI. Het is bovendien moeilijk om te meten of een werknemer te veel hooi op zijn vork neemt.’

 

RSI is in dit onderzoek niet objectief vast te stellen. Het gaat om klachten die mensen zelf via een vragenlijst aangeven. Het zou dus kunnen zijn dat mensen die sneller klagen over waardering en beloning, ook eerder klagen over RSI-klachten. Is er dan nog wel sprake van een objectieve meting? Van den Heuvel: ‘Dat is inderdaad een punt van kritiek, ook vanuit wetenschappelijke hoek. Toch kun je dat gedeeltelijk ondervangen. Je kunt namelijk de mensen die sowieso veel klagen uit het onderzoek halen of dat gegeven statistisch corrigeren. Dat heb ik gedaan en dan blijkt dat er nauwelijks een effect op de resultaten uit het onderzoek te zien valt.’

 

Volgens de promovenda gelden de onderzoeksresultaten niet voor iedereen met stress. Zo zal de gepensioneerde aan de Costa del Sol die zijn partner verliest, geen stresshormoon ontwikkelen. ‘Hij of zij komt in een rouwfase terecht. Dat is een ander soort spanning. Voor huisvrouwen is dat wellicht wat anders. Dat is ook werk. Daar zou je in theorie dezelfde klachten kunnen aantreffen. Maar dat heb ik niet onderzocht.’

 

In de strijd tegen klachten aan nek, schouders, pols en elleboog, is bewegen een goede bondgenoot, zo analyseerde Van den Heuvel. Sportbeoefening van ten minste tien maanden per jaar vermindert de kans op nek- en schouderklachten en ziekteverzuim door RSI. Een hoge intensiteit van sportbeoefening – meer dan drie uur per week – heeft minder effect dan minimaal tien maanden per jaar doorgaan met sporten. Voor actief woon-werkverkeer vond ze geen positief effect. De heilzame werking van beweging geldt vooral voor mensen met zittend werk. Van den Heuvel: ‘Voor mensen die in de zomermaanden flink aan het tennissen gaan en het daarna af laten weten, heeft bewegen geen effect op de kans op RSI. Voor mensen die het hele jaar door sporten wel.’

 

Van den Heuvel hoopt dat er in vervolgonderzoek meer aandacht komt voor longitudinale studies naar het werkstijlconcept. ‘Dat staat nog in de kinderschoenen en biedt wellicht goede aanknopingspunten voor de aanpak van werkdruk en RSI. Ook zijn studies nodig om maatregelen te evalueren die de psychosociale werkomgeving en werkstijl binnen een organisatie aanpakken. Daarnaast is het ook nuttig om te kijken naar de langetermijneffecten van pauzesoftware.’

 

RSI OF CANS?

 

Strikt genomen gebruikt Van den Heuvel de term RSI niet, maar in de samenvatting van haar promotieonderzoek toch weer wel. Om een Babylonische spraakverwarring te vermijden, willen we toch even weten wat ze nu precies onder RSI verstaat. En is RSI toch meer een modeterm gebleken dan een echte beroepsziekte? Van den Heuvel: ‘Repetitive Strain Injuries, waar RSI een afkorting van is, is eigenlijk een vlag die de lading al lang niet meer dekt. De Amerikanen, Scandinaviers en Engelsen gebruikten de term sowieso al bijna niet. Het is meer een term die geintroduceerd is door de Australiers en Nieuw-Zeelanders. Ik heb het zelf dan ook liever over nek-, schouder-, arm-, pols- en elleboogklachten, die niet noodzakelijkerwijs door repeterende bewegingen ontstaan. Maar goed, de bekende naam is RSI, dus daarom hanteer ik hem ook nog. Overigens gaan er nu stemmen op om het voortaan maar over Complaints Arms Neck and Schoulder (CANS) te hebben. Hoe dan ook, CANS of RSI, of het nu wel of niet door repeterende bewegingen ontstaat, is niet op zijn retour. Bij TNO monitoren we het voorkomen van de aandoening en dat neemt absoluut niet af.’

 

Een kwart van de werkende Europeanen kampt ondertussen met werkgerelateerde nek- en/of schouderpijn en vijftien procent heeft last van werkgerelateerde armpijn. Dat blijkt uit gegevens van de European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions gebaseerd op onderzoek in vijftien Europese landen.

 

 

Reageer op dit artikel