artikel

Veel keurmerken weinig reïntegratie

Geen categorie

‘Daar word je niet vrolijk van’, reageert Ella Vogelaar, voorzitter van de brancheorganisatie reintegratiebedrijven (Borea), op de vraag hoe de televisie-uitzending bij de sector overkwam. Vogelaar: ‘Maar in zo’n uitzending komen alleen negatieve ervaringen van mensen aan bod. Binnen grote aantallen clienten zijn er altijd mensen ontevreden. Uit tevredenheidsonderzoek en de verplichte klachtenregistraties bij onze leden, kan ik geen excessief aantal klachten afleiden.’

 

Ook voorzitter Jan van Zijl van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) zag de Radar-uitzending. Van Zijl: ‘Er is grond om kritisch te kijken naar de reintegratiemarkt. Maar ik had ook graag de andere kant gehoord. Er is wel meer te zeggen dan dat het allemaal niks is. Dat vond ik vervelend.’

 

Zelfs directeur Karel Boomsma van de Stichting Clienten Kwaliteitskeurmerk Reintegratie (CKR) plaatst kanttekeningen bij de veronderstelde puinhoop in de commerciele reintegratiemarkt. Boomsma: ‘De problemen werden in de uitzending een beetje op een hoop gegooid. Het was een mengeling van allerlei dingen die niet goed waren. Dat vond ik jammer. Maar de branche kent zeker de nodige problemen.’

 

Het grootste probleem, afgezien van fraude, is volgens Boomsma dat veel reintegratietrajecten niet op maat zijn voor clienten. Aangeboden trajecten hebben vaak te weinig kwaliteit en veel mensen krijgen binnen de reintegratie te weinig steun om weer aan het werk te komen. Hij beschouwt de gehanteerde ‘no cure, less pay’-financiering als de grote systeemfout. In dit systeem krijgen de reintegratiebedrijven pas een traject volledig vergoed van de opdrachtgever als een client succesvol begeleid is. Boomsma: ‘Door ‘no cure, less pay’ investeren reintegratiebedrijven vooral in kansrijke clienten. Moeilijker bemiddelbaren krijgen misschien net een sollicitatietraining en dan houdt het voor hen op. Die groep wordt boos over de begeleiding. Maar als je op deze manier veertig van de honderd mensen succesvol plaatst, vang je voor hen het volledige bedrag en voor de andere zestig toch nog gewoon de helft.’

 

Ook RWI-voorzitter Jan van Zijl is kritisch. Maar in onafhankelijk RWI-onderzoek naar clienttevredenheid scoren de reintegratiebedrijven een krappe voldoende, stelt hij. ‘De ontevredenheid is volgens mij niet zo groot als gesuggereerd wordt.’

 

Maar toch: maatwerk en kwaliteit kunnen beter, meent ook Van Zijl. Hij verklaart problemen vanuit andere oorzaken. ‘De nieuwe markt moest zich ontwikkelen in een buitengewoon slechte economische context met oplopende werkloosheid. Clienten definieren kwaliteit dikwijls in het vinden van werk. Ik zie niet hoe je mensen in deze tijd een baangarantie kunt geven.’ Volgens Van Zijl kan ook de professionaliteit van de inkoop nog verbeteren. ‘Opdrachtgevers hebben in het begin met grote uniforme kavels erg op prijs geconcurreerd; de goedkoopste kreeg de opdracht. Dat maakte het lastig om maatwerk te bieden. Gemeenten hebben ook nog maar twee jaar ervaring met de aanbesteding van trajecten. Zij moeten meer ervaring opdoen.’

 

Volgens Vogelaar moeten clienten zich realiseren dat een traject niet automatisch tot werk leidt. ‘In een ruime arbeidsmarkt is het moeilijker om mensen een nieuwe kans te geven. Dat moet misschien duidelijker verteld worden tegen clienten.’ Zij vindt bovendien dat door de gigantische prijsconcurrentie de prijs van trajecten de afgelopen jaren onverantwoord gedaald is. ‘Kwaliteit is gekoppeld aan de mate waarin mensen persoonlijke begeleiding en coaching krijgen. Een intensieve begeleiding is duur. Voor een gemiddelde trajectprijs van 2000 tot 3000 euro kun je geen maatwerk door individuele begeleiding bieden. Scholing is daarbinnen voor bedrijven helemaal niet te betalen. Dat rekensommetje kan iedereen maken’, aldus de Borea-voorzitter.

 

Om een goede keuze te maken uit de bijna 800 reintegratiebedrijven die inmiddels op de markt actief zijn, lijkt een keurmerk zo ongeveer het enige houvast. Inmiddels dragen negentig bedrijven het Borea-keurmerk van de brancheorganisatie. Sinds december vorig jaar begeeft ook de Stichting Clienten Kwaliteitskeurmerk Reintegratie (CKR) van directeur Karel Boomsma zich met een eigen keurmerk op de markt. De CKR komt voort uit onderzoeksbureau Arcon dat al langer meer regionaal actief was. De nieuwe landelijke stichting heeft op dit moment tien reintegratiebedrijven onderscheiden met haar keurmerk.

 

Directeur Boomsma legt uit waarom het CKR-keurmerk is opgericht. ‘Het is voor een client heel moeilijk een keuze te maken voor een goed bedrijf. Er is weinig transparantie in de sector. Soms maken bedrijven hun mooie beloften gewoon niet waar. Daarom hebben wij ons keurmerk in de markt gezet. Wat kan een client verwachten en maakt het bedrijf waar wat het belooft? Dat bekijken we niet landelijk of steekproefsgewijs, maar per vestiging op basis van ervaringen van clienten.’

 

Boomsma erkent dat twee keurmerken misschien verwarrend kunnen werken. Maar hij vindt het Borea-keurmerk nog ‘onvoldoende onderscheidend’. ‘Het Borea-keurmerk is ontstaan vanuit de brancheorganisatie en komt op voor de belangen van de branche. Dat is prima, maar wij hebben een apart keurmerk dat ernaast kan functioneren en veel meer vanuit een clientperspectief beoordeelt. Het Boreakeurmerk vereist weliswaar dat een bedrijf een privacyprotocol en klachtenregeling moet hebben, maar vanuit ons perspectief gaat het erom of die zaken ook worden toegepast. Hoe gaan bedrijven in de praktijk met de client om? Ik vind dat het Boreakeurmerk dat nog onvoldoende onderscheidt. Ons keurmerk is daarin verder en beter. Dat is het grote verschil.’

 

Borea-voorzitter Ella Vogelaar ziet in de oprichting van het CKR-keurmerk geen tekortschieten van het eigen Borea-keurmerk. Het keurmerk van de brancheorganisatie biedt volgens haar wel degelijk kwaliteitsgaranties. Vogelaar: ‘Voor het keurmerk toetst een certificerings– instelling de kwaliteit van bedrijven op vijftien indicatoren. Daarbij wordt ook gelet op hoe bedrijven met een klachtenregeling omgaan. Maar bij de beoordeling hanteren wij een andere aanpak. Ons keurmerk kijkt niet alleen naar processen, maar ook naar feitelijke prestaties van bedrijven. Realiseert een bedrijf de resultaten die vooraf met opdrachtgevers zijn afgesproken? We doen daarnaast tevredenheidsonderzoeken bij clienten en opdrachtgevers. Dat levert allemaal informatie op waarin je probeert na te gaan of een bedrijf aan een bepaalde kwaliteitsstandaard voldoet. Natuurlijk kunnen er altijd klachten zijn. Je moet niet de illusie hebben dat een keurmerk ertoe leidt dat iedereen altijd tevreden is.’ Vogelaar sprak in het verleden al eens met de initiatiefnemers van het nieuwe keurmerk over samenwerking. ‘Dat zat er tot nog toe niet in, omdat de aanpak te verschillend was’, zegt zij. ‘Maar ik vind het voor de helderheid naar opdrachtgevers en clienten niet verstandig om verschillende keurmerken te hanteren. Ik ben voorstander van een keurmerk.’

 

Een belangrijke stap in die richting is onlangs gezet met het initiatief voor een Stichting Transparantie. In deze stichting in oprichting gaan opdrachtgevers, werkgevers, werknemers, clienten, arbodiensten en reintegratiebedrijven per 1 januari 2006 samenwerken om de markt transparanter te maken. Stichting Transparant (de naam staat nog niet definitief vast) gaat een nieuw en gezamenlijk keurmerk voeren. Daarmee verdwijnt het Borea-keurmerk evenals het zojuist gelanceerde BOA-keurmerk van de arbodiensten. RWI-voorzitter Jan van Zijl wordt onafhankelijk voorzitter van de stichting. Van Zijl: ‘De Boreakeurmerken zijn dit jaar voor het laatst uitgereikt. Datzelfde geldt voor de BOA-keurmerken. De arbodiensten maken op de radio nog wel reclame voor het BOA-keurmerk, maar de verleende keurmerken die onlangs op de Performa-beurs zijn uitgereikt, heb ik al ondertekend als voorzitter van de nieuwe stichting. Het nieuwe keurmerk wordt door iedereen erkend en ervaren als onafhankelijk. Het zegt straks heel veel over de kwaliteit van bedrijven.’ Ook Karel Boomsma is positief over de nieuwe stichting. ‘Ik ben heel blij met Transparant’, zegt hij. ‘Het is een initiatief van partijen die vroeger langs elkaar heen werkten en nu om tafel gaan. Dat vind ik heel positief.’ Op dit moment zit de Landelijke Clienten Raad in Stichting Transparant. Niet de CKR. Maar directeur Boomsma ziet mogelijkheden tot samenwerking in de stichting. ‘Er zijn over en weer contacten, maar we moeten nog concreet kennismaken. Het gaat niet om ons institutioneel belang, maar om de beweging. Wij zijn er niet op uit een zo groot mogelijk keurmerk te verkrijgen. Het gaat erom dat er een beweging op gang komt, waardoor de kwaliteit van de dienstverlening wordt verbeterd. Ons keurmerk kan daarin voorlopig een belangrijke rol spelen en naar de toekomst zullen we wel zien. Als wij kunnen samenwerken binnen Stichting Transparant zullen wij dat zeker doen.’ Vogelaar: ‘Er ligt al een lijn naar clienten via de Landelijke Clienten Raad. Ik wil het gesprek over samenwerking nog wel een keer voeren. Iedereen bij elkaar is duidelijker en helderder. Ik heb geen behoefte om de concurrentie in te gaan.’

 

Transparantvoorzitter Van Zijl: ‘Het is prima als clienten eigen initiatief nemen, maar ik kies voor samenwerking. Want een diarree van keurmerken lijkt me niet goed.’

 

Vanaf 1 januari moet de stichting flink aan de slag. Van Zijl somt op wat komend jaar verwacht wordt. ‘We moeten het Borea- en BOA-keurmerk integreren in het nieuwe keurmerk. Daarnaast gaan we de reintegratiemonitor van de Raad voor Werk en Inkomen gebruikersvriendelijker maken voor clienten en tevredenheidsmetingen houden. En we gaan een prestatiebenchmark opzetten, waarin de prestaties van bedrijven naast elkaar worden gezet. Die instrumenten moeten in de loop van het jaar ontwikkeld zijn.’ Vogelaar is het daarmee eens, maar wat betreft het in elkaar schuiven van de twee keurmerken is ze iets voorzichtiger. ‘Ik weet niet of dat binnen een jaar te regelen is. Je moet zorgvuldig zijn naar bedrijven hoe je veranderingen en vernieuwingen tot stand brengt, maar we gaan zeker weer een paar forse stappen zetten dit jaar.’

 

Ondanks de geuite kritiek gunt Boomsma de sector nog tijd. ‘Het gaat te ver om te zeggen dat er niets van klopt. Daar ben ik het niet mee eens. Er zijn bedrijven goed bezig, maar veel bedrijven zouden beter kunnen presteren. Dat komt door de bedrijven zelf en de gehanteerde systematiek. Ik vind wel dat de reintegratiemarkt een eerlijke kans moet krijgen om zich uit te kristalliseren’, aldus Boomsma. Van Zijl noemt het risicovol als de politiek of de publieke opinie te snel zou oordelen dat de reintegratiemarkt een mislukking is. ‘De politiek heeft destijds besloten om de reintegratie-inspanningen via de particuliere markt vorm te geven, omdat er ontevredenheid was over de publieke arbeidsvoorziening. Als je besluit dat het roer om moet, evalueer je zo’n nieuwe markt op een goed moment en houd je rekening met de omstandigheden waarin de markt zich ontwikkeld heeft. Dan kijk je wat goed gaat en wat nog niet. Wat niet goed gaat, probeer je te verbeteren. Als je vindt dat het waardeloos gaat, moet je grote ingrepen nemen. Dat is ordentelijk besturen. Kritisch zijn, maar geduld hebben en je hoofd koel houden’, aldus Van Zijl.

 

Reageer op dit artikel