artikel

Vermoeidheid is te meten

Geen categorie

Het bleek dat langdurig vermoeide oudere mensen lichamelijk anders reageren op acute vermoeidheid dan jonge mensen.

 

Bij vermoeide oudere mensen loopt de gemeten spierspanning en hartslag hoger op tijdens de dag, terwijl vermoeide jonge mensen juist een lagere spierspanning en een lagere hartslag laten zien. De vermoeide oudere werknemers tonen een (te) grote betrokkenheid: ze hebben moeite met het ‘loslaten’ van verplichtingen.

 

Daardoor zijn ze minder goed in staat na een werkdag te herstellen en blijft het lichaam in gespannen toestand.

 

Binnen een werkomgeving is het kennelijk lastig je te onttrekken aan verplichtingen, ook al geeft de gezondheid daar alle aanleiding toe.

 

Vermoeide studenten hanteren juist een besparingsstrategie. Als reactie op de gevraagde inspanningen schakelt hun lichaam een tandje terug. Door de strategie van (te) grote betrokkenheid betalen oudere werknemers per saldo een hogere lichamelijke prijs voor hun inspanningen dan studenten. Veldhuizen benadrukt dat het gaat om een goede balans tussen inspanning en herstel. ‘Hard werken kan geen kwaad, mits je de tijd krijgt ervan bij te komen. Voor werknemers zijn voldoende rustmomenten van groot belang.

 

Ook na een periode van overwerk moet er gelegenheid zijn om te herstellen.’

 

‘Tijdens mijn studie heb ik de gebruikte meting van spierspanning in de aangezichtsspieren ontwikkeld. Ik kwam erachter dat de spierspanning in ‘corrugator’ en ‘frontalis’ evenredig oploopt wanneer mensen zich mentaal meer en langer inspannen.

 

Zelfs wanneer proefpersonen zelf vonden dat het testen meeviel, de subjectieve beoordeling dus, zag je de spierspanning toenemen, terwijl de gedragsprestaties afnamen. Verder bleek dat de motivatie invloed heeft op de spierspanning. Uit het onderzoek kwam het meten van de spierspanning in de aangezichtsspieren naar voren als een redelijk objectieve maat voor mentale inspanning. Voor mijn promotieonderzoek was aanvankelijk gekozen voor het meten van de hartslag. Maar dat is een tamelijk algemene maat, die reageert op allerlei invloeden van buitenaf. Ik heb de spierspanningsmeting toegevoegd als perifere maat, die sterk en specifiek reageert op mentale inspanning.

 

Tijdens het onderzoek bleek dat de maten elkaar prima aanvullen.’

 

‘Dat de uitkomsten van het onderzoek elkaar volledig ondersteunen.

 

Het is begrijpelijk dat de snelheid waarmee mensen reageren gedurende de dag afneemt.

 

Naarmate men meer vermoeid raakt, gaan mensen minder precies werken en meer fouten maken. Maar dat ik dat effect ook zo scherp zag bij de hartslag, de hartslagvariabiliteit en de spierspanning was bijzonder.

 

Bovendien waren er aan het begin van de dag al duidelijke verschillen tussen mensen die wel en niet langdurig vermoeid waren. Voordat mensen aan de testtaak begonnen, waren er al meetbare verschillen in hartslag en spierspanning. Dat betekent dat er bij langdurige vermoeidheid daadwerkelijk iets is veranderd in het lichaam.

 

‘De richting van het effect verschilde bij jonge studenten in vergelijking met oudere werknemers.

 

Studenten kregen naarmate ze vermoeider raakten een lagere fysieke activering: lagere spierspanning en hartslag. Bij oudere werknemers zag je het tegenovergestelde. Onze conclusie is dat studenten onbewust besparen op energie. Naarmate ze zich overvraagd voelen en vermoeid raken, doen ze automatisch een stap terug en verlagen ze hun activeringsniveau.

 

Voor een student een hanteerbare strategie, want al moeten ze wel werken, er is niemand die zegt dat ze om negen uur hun bed uit moeten. Voor werknemers geldt dat niet: je kunt wel geen zin hebben, maar je baas verwacht je toch. Dus doen zij het tegenovergestelde van besparen.

 

Ze zetten juist een tandje bij om te presteren en dat leidt tot een (te) grote fysieke activering.

 

Je vindt dat ook in de literatuur terug. Het lijkt erop dat bepaalde evenwichtsinstellingen in het lichaam ‘stuk gaan’ als we het lijf te hard laten werken. Het zou interessant zijn om ook de mensen die volledig uitgeput zijn te testen. Ik verwacht dat bij hen de fysieke activering weer afneemt. Maar het is tot nu toe nooit gelukt een dergelijke uitgeputte groep te onderzoeken. Ze kunnen zo’n lange testdag niet aan.’

 

‘In de verzuimbegeleiding, dus met name voor bedrijfsartsen, is het belangrijk om te beseffen dat vermoeidheid niet alleen tussen de oren zit, maar dat er daadwerkelijk iets aantoonbaar aan de hand kan zijn. Er kunnen in het lijf processen gaande zijn die ervoor zorgen dat mensen zich beroerd voelen en daar moet je in je aanpak rekening mee houden. Daarbij is herstel erg belangrijk, daar draait het in feite om. Op zich is hard werken niet erg. Als je maar de tijd krijgt en neemt om ervan bij te komen.

 

Doe je dat niet, dan ga je het lijf beschadigen.’

 

‘Daar denken we op dit moment over na. We willen een onderzoek opzetten om een relatief simpel meetinstrument te ontwikkelen.

 

De in mijn onderzoek gebruikte geheugentaak is wellicht geschikt: die neemt vijf minuten in beslag, met vijf minuten rust ervoor. Je zou mensen op verschillende momenten moeten meten en dat zou circa een half uur kosten, inclusief het plakken van de meetelektroden. Dat zou dus in principe moeten kunnen, al moet er goed worden nagedacht over de omstandigheden waaronder je het gaat doen.

 

Het zou vooral geschikt zijn om mensen in de tijd te volgen, bijvoorbeeld gekoppeld aan het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Nadeel is dat het een relatief duur onderzoek is.’

 

‘Vanuit dit onderzoek naar concrete preventie is een grote stap.

 

Ik denk dat het voor werkgevers van belang is zich te realiseren hoe belangrijk herstel is. Mijn onderzoek toont dat aan. Mensen spannen zich in, herstellen slecht, beginnen de dag erna met een minder goed uitgerust lijf, spannen zich weer in, tanken niet genoeg bij en lopen uiteindelijk vast in langdurige vermoeidheid.

 

Alles wijst erop dat herstel enorm belangrijk is, zowel de hersteltijd als de herstelkwaliteit.

 

Bij normale werktijden hebben werknemers in principe vanaf vijf uur ’s middags tot de volgende ochtend acht uur om bij te komen. Maar of dat lukt, hangt ook af van wat er in die tijd van hen wordt gevraagd.

 

Mensen met jonge kinderen of zieke familieleden hebben mogelijk wel genoeg hersteltijd, maar de kwaliteit ervan kan onvoldoende zijn. Daar kun je als werkgever niet al te veel aan doen, maar je hebt wel invloed op de hersteltijd door bijvoorbeeld overwerk te beperken.

 

Overwerk kan op zich best, maar eerder onderzoek laat zien dat de fysiologische activering tijdens overwerkperiodes oploopt.

 

Naarmate mensen langer achtereen overwerken, gaat het lijf steeds meer tol betalen. En na een lange overwerkperiode kan het vijf tot zes weken duren voor je daarvan geen effecten meer terugvindt. Met overwerk is voorzichtigheid dus geboden.

 

Het is van belang om gedurende de dag regelmatig te pauzeren.

 

Het valt me op dat daar in bedrijven vaak moeilijk over wordt gedaan. Toch zijn micropauzes, zoals even van je bureau weglopen, heel efficient. Voor de een kan anderhalf uur achter elkaar werken goed zijn, terwijl een ander beter presteert als hij elk half uur even kort pauzeert. Dat hoeft geen tien minuten te duren. Het kan ook een wandeling naar toilet, printer of kopieerapparaat zijn. Op zich ben ik wel voor flexibele werktijden, zodat mensen hun werk kunnen indelen naar persoonlijke behoefte.

 

Maar daar moeten wel grenzen aan zitten. Dat klinkt misschien betuttelend, maar ik denk dat mensen die bescherming nodig hebben. Anders gaan ze maar door en door.’

 

Reageer op dit artikel