artikel

WERKGEVER AANSPRAKELIJK VOOR MESOTHELIOOM

Geen categorie

Volgens de werknemer werd hij blootgesteld aan asbest in de werkplaats waar asbesthoudende remvoeringen werden afgeblazen en vernieuwd.

 

Er kwam ook asbest vrij bij interne verhuizingen, omdat dan scheidingswanden van eterniet werden verplaatst. Bij zijn (dagelijkse)

 

aanwezigheid bij de afvalstoff enverwerking en controle van het reinigingsmaterieel werd geregeld asbesthoudend afval verwerkt. Zijn lezing wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van een getuige. Die heeft ook vermeld dat de werknemer geen chef was die in zijn kantoor bleef zitten. Hij kwam dagelijks in de werkplaats en ging ook zelf de smeerput in. De verdichtingsmachine op de vuilstort was zijn troetelkindje. Vaak werden telefonische afspraken gemaakt met aannemers voor het ophalen en afvoeren van asbesthoudend afval.

 

Het College heeft een expertisebureau ingeschakeld.

 

Maar de rapportage geeft alleen het standpunt van het College weer dat de werknemer nooit in uitvoerende zin met asbest te maken heeft gehad. De verklaring van de getuige is niet nader onderzocht. Het College heeft wel bij vier collega’s inlichtingen ingewonnen, maar wie dat waren, wat de werkrelatie was en wat ze hebben verteld is nergens schriftelijk vastgelegd. De Centrale Raad van Beroep vindt dat het College dat wel had moeten doen, zeker gezien de schriftelijke verklaringen van de werknemer en de getuige.

 

Daarom acht de Raad voldoende aannemelijk dat de werknemer tijdens zijn werk bij de gemeente substantieel werd blootgesteld aan asbest. Wat het College daar tegenin heeft gebracht, ziet de Raad zelfs niet als een begin van het bewijs van het tegendeel.

 

Het college voert aan dat de werknemer bij zijn vorige werkgever – een scheepswerf – ook aan asbest was blootgesteld. Inademing van asbest op zo’n werkplek acht het college veel waarschijnlijker.

 

Maar de Raad oordeelt dat bij schade die het (mogelijk) gevolg is van meerdere gebeurtenissen, iedere veroorzaker hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade, tenzij de veroorzaker anders bewijst.

 

De Raad vraagt het College aan te tonen wat destijds is gedaan om de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk te beperken. Het College antwoordt hierop dat dit niet meer is na te gaan, maar dat ervan moet worden uitgegaan dat alle toen geldende maatregelen zijn getroff en.

 

De Raad vindt deze antwoorden volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat het College aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Daarmee is de kans dat de werknemer asbest kon inademen aanmerkelijk verhoogd. Het staat vast dat de werknemer aan mesothelioom is overleden.

 

Daarom is het College aansprakelijk voor de materiele en immateriele schade. De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond.

 

De uitspraak wordt vernietigd en het College van B&W moet een nieuw besluit nemen.

 

Bij een schadeclaim als gevolg van een beroepsziekte moet de werknemer aannemelijk maken dat hij in zijn werk is blootgesteld aan een schadelijke stof. Het is dan aan de werkgever, om aan te tonen dat dit niet het geval is. En als het wel zo is, dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan of dat er sprake was van opzet of bewuste roekloosheid van de kant van de werknemer. Het botweg ontkennen dat er sprake was van blootstelling, zal niet helpen. Er wordt wel degelijk bewijs verlangd, zoals deze uitspraak aantoont.

 

Centrale Raad van Beroep, 2 juli 2007, LJN BA8436

 

Reageer op dit artikel