artikel

Een rolmodel voor de preventiemedewerker

Gezond werken

In Nederland worstelen we met de invulling van de functie van de preventiemedewerker. Onze zuiderburen kennen echter al bijna een decennium de zogenaamde preventieadviseur, wiens taak het ook is om de werkgever bij te staan in de uitvoering van het arbobeleid. Wat doet de Belgische collega van de preventiemedewerker precies?

De preventiemedewerker mag in Nederland een vrij recent fenomeen zijn, in België loopt al sinds midden vorige eeuw een vergelijkbare functionaris rond. Zelfs zijn naam is bijna hetzelfde. Bij onze zuiderburen heet de preventiemedewerker de preventieadviseur. Zoals bekend heeft de Nederlandse wetgever vrij weinig bepaald over het functioneren en de opleiding van de preventiemedewerker. Het gevolg is dat werkgevers en arbodeskundigen momenteel in het duister tasten over de precieze invulling van de functie. Ten aanzien van het stellen van eisen aan de preventiemedewerker is Brussel echter minder terughoudend geweest dan Den Haag. Zowel de opleiding als het takenpakket van de preventieadviseur is duidelijk omschreven. Mogelijk kan de preventieadviseur de preventiemedewerker tot voorbeeld zijn.
Net als in Nederland is in België de werkgever verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden. Vandaar dat de Belgen de belangrijkste medewerkers van de interne en de externe preventiediensten preventieadviseurs noemen. De term preventieadviseur stamt uit 1996 en vervangt het vroegere Hoofd van de Dienst Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de werkplaatsen. Reden voor de naamsverandering was dat het hoofd vaak veiligheidschef werd genoemd, wat tot verwarring leidde.
Ofschoon de werkgever verantwoordelijk is voor de arbeidsomstandigheden, is hij wettelijk verplicht om iemand aan te stellen voor het ondersteunen van dat veiligheidsbeleid. Die iemand is de preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming (IDPB). In de praktijk kan de werkgever meerdere preventieadviseurs aanstellen; een daarvan heeft de leiding van de IDPB.
Een van de basisprincipes van de Europese Kaderrichtlijn en van de Wet welzijn werknemers (WWW) is dat werkgevers overleg moeten organiseren over de arbeidsomstandigheden. Vanaf vijftig werknemers (FTE) moet een onderneming sociale verkiezingen organiseren die kunnen leiden tot de oprichting van een comité voor preventie en bescherming. Binnen een organisatie kunnen meerdere van deze comités worden opgericht en wel per technische bedrijfseenheid. In dat geval moet er steeds een preventieadviseur deel uitmaken van het comité in de functie van niet-stemgerechtigde secretaris. Lopen er meerdere preventieadviseurs in de organisatie rond, dan moet de werkgever een centrale IDPB oprichten en een IDPB voor elk onderdeel van de onderneming waarvoor een comité voor preventie en bescherming is opgericht. De preventieadviseur moet een werknemer zijn van de organisatie waarin hij optreedt. Werkgevers kunnen deze taak dus eigenlijk onmogelijk uitbesteden, hoewel dit – op een illegale wijze – wel eens gebeurt. Als een organisatie minder dan twintig werknemers telt, mag de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervullen.
Een preventieadviseur moet over de basisvaardigheden beschikken die in artikel 21 van het Besluit interne dienst preventie en bescherming omschreven staan. De preventieadviseur moet over ‘voldoende’ kennis beschikken van de relevante arbeidsomstandighedenwetgeving. Daarnaast moet hij de ‘nodige’ technische en wetenschappelijke kennis hebben om zijn activiteiten te kunnen vervullen. In artikel 21 staat vrij nauwkeurig omschreven wat de wetgever hieronder verstaat. Het gaat om kennis van:

  • de technieken in verband met risicoanalyse;
  • de coördinatie van preventieactiviteiten;
  • de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;
  • de organisatie van de eerste hulp en dringende verzorging van slachtoffers van een ongeval of een plotse ziekte en de maatregelen te nemen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar;
  • de aspecten van de collectieve arbeidsbetrekkingen die betrekking hebben op zijn onderneming of instelling; en
  • de verslaggeving.

Normaliter moet een preventieadviseur in een organisatie met tweehonderd of meer werknemers een aanvullende vorming volgen. Organisaties die dergelijke aanvullende vorming willen aanbieden, moeten daartoe door de overheid worden erkend.

Officieel bestaan er twee programma’s voor de vorming van preventieadviseurs: een vorming van niveau I die vergelijkbaar is met de hvk-opleidingen niveau II, maar superieur aan de mvk-opleiding.

Daarnaast kent België ook niet-erkende vorming van niveau III, ook wel ‘basisvorming’ genoemd. Deze laatste vorming is nuttig voor een preventieadviseur die niet verplicht is aanvullende vorming te volgen, omdat hij over te weinig werknemers gaat of omdat er in zijn bedrijf geen specifieke risico’s zijn. In de regel moet een preventieadviseur die over meer dan duizend werknemers gaat over niveau I beschikken. Gaat hij over tussen de tweehonderd en duizend werknemers, dan is niveau II voldoende. Preventieadviseurs die voor minder dan tweehonderd man zorg dragen, hoeven helemaal niet speciaal opgeleid te zijn.

Zijn er meerdere preventieadviseurs actief in een organisatie, dan gelden de genoemde eisen alleen voor degene die leiding geeft aan de interne dienst. De overige adviseurs mogen minder hoog opgeleid zijn. Zie ook onderstaande tabel.

TABEL MINIMUMOPLEIDINGSNIVEAU PREVENTIEADVISEUR

Minimumniveau aanvullende vorming 
Groep (Bedrijf of technische bedrijfseenheid)  Preventieadviseur belast met leiding  Overige preventieadviseurs 
Niveau I  Niveau II 
A is normaal 1000+ werknemers 
Niveau II  (*
B is normaal 200 tot 1000 werknemers 
(* (*
C is 20 tot 200 werknemers 

(*) Geen aanvullende vorming vereist, maar wel kennis (artikel 21, tweede lid van het KB over de interne dienst).

Voor preventieadviseurs in organisaties met grote risico’s gelden strengere opleidingseisen. Hoe groter de risico’s, hoe kleiner het aantal werknemers waarbij de preventieadviseur op een van beide niveaus moet zijn opgeleid. Daartoe hanteert de wetgever drie risicocategorieën. Bij de lichtste categorie, bijvoorbeeld waterwinbedrijven, moeten preventieadviseurs vanaf honderd medewerkers op niveau II zijn opgeleid en vanaf vijfhonderd op niveau I. Preventieadviseurs bij organisaties uit de middencategorie, bijvoorbeeld de bouw, moeten vanaf vijftig werknemers over niveau II beschikken en vanaf tweehonderd werknemers over niveau I. Voor preventieadviseurs uit de zwaarste risicocategorie, bijvoorbeeld de petrochemie, is al vanaf twintig werknemers niveau II vereist en vanaf vijftig werknemers niveau I.

Net als Nederland kent België ook externe arbodienstverleners. Organisaties die geen preventieadviseur met opleidingsniveau I of II in dienst hebben, zijn verplicht om voor hun risicoanalyse een beroep te doen op een erkende externe dienst voor preventie en bescherming. Grote organisaties en organisaties met door de overheid omschreven aanwezige risico’s zijn overigens verplicht om de nodige deskundigheid zelf in huis te hebben. Een organisatie mag zelf instaan voor arbeidsgeneeskunde. Doorgaans besteden werkgevers deze discipline echter uit aan een externe dienst voor preventie en bescherming. Deze diensten zijn volgens de erkenningsvoorwaarden altijd verplicht om arbeidsgeneeskunde aan te bieden.

De taken van de preventieadviseur zijn zeer gevarieerd en zeer uitgebreid. Wat ze precies inhouden staat in artikel 5 van het Besluit interne dienst preventie en bescherming.

  • In het kader van de risicoanalyse a) meewerken aan de identificatie van de gevaren en adviseren over de resultaten; b) maatregelen voorstellen voor een permanente risicoanalyse; c) adviseren over en voorstellen maken voor de opstelling, uitvoering en bijsturing van het globale preventieplan en het jaaractieplan.
  • Deelnemen aan oorzaken onderzoek na een ongeval, een incident of een geval van arbeidsongeschiktheid; deelnemen aan de analyse van de oorzaken van beroepsziekten.
  • Meewerken aan onderzoek naar werkdruk, aanpassing van de techniek en de arbeidsomstandigheden aan de menselijke fysiologie en voorkoming van overmatige professionele fysieke en mentale vermoeidheid. Tevens oorzaken analyseren van aandoeningen die te wijten zijn aan werkdruk en andere arbeidsgebonden psychosociale factoren.
  • Adviseren over de organisatie van de arbeidsplaats, de werkpost, de omgevingsfactoren en fysische, chemische, carcinogene en biologische agentia, de arbeidsmiddelen en de individuele uitrusting.
  • Adviseren over de hygiene op de arbeidsplaats – en dan vooral ten aanzien van keukens, refters, kleedkamers, sanitaire installaties, werk- en rustzitplaatsen en andere bijzondere sociale voorzieningen bestemd voor de werknemers.
  • Adviseren over het opstellen van instructies voor: a) het gebruik van arbeidsmiddelen; b) het gebruik van chemische en carcinogene stoffen en preparaten en biologische agentia; c) het gebruik van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen; d) het voorkomen van brand; en e) de toe te passen procedures in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar.
  • Adviseren over de vorming van de werknemers bij a) indienstneming; b) een overplaatsing of verandering van functie; c) invoering van een nieuw arbeidsmiddel of verandering van arbeidsmiddel en d) invoering van een nieuwe technologie.
  • Voorstellen doen voor en meewerken aan het onthaal, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers over arbomaatregelen.
  • Werkgever en het comité adviseren over alle ontwerpen, maatregelen of middelen die de werkgever overweegt met mogelijke gevolgen voor het welzijn van de werknemers.
  • Deelnemen aan de coördinatie, de samenwerking en het informeren over veiligheid en gezondheid van werknemers van derden, zelfstandigen en instellingen.
  • Informeren van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers over de toepassing van de wet en haar uitvoeringsbesluiten. Eventueel deze vragen voor advies voorleggen aan de externe dienst.
  • Meewerken aan de uitwerking van interne noodprocedures en aan de toepassing van de maatregelen in het geval van ernstig en onmiddellijk gevaar.
  • Meewerken aan de organisatie van de eerste hulp en dringende verzorging van werknemers bij een ongeval of ziekte.
  • Verzorgen van het secretariaat van het comité.
  • Vervullen van alle andere opdrachten die de wet en de uitvoeringsbesluiten hem opleggen.

Meer weten? Kijk op www.meta.fgov.be voor de regelgeving (en de bijbehorende officiële toelichting) over de preventieadviseur.

Henk Goorden is attaché bij het Secretariaat van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Brussel

Reageer op dit artikel