Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers
Tarzan in de showroom
Zij zijn zo tegen elkaar geplaatst dat de deurkozijnen in de voorgevel zich naast elkaar bevinden. De deuren staan normaal open. In elk van de deurkozijnen zit een dorpel met een geribbeld aluminium profiel. Voor de twee deuren is met haken een opstapje vastgezet, met daarop een vloerbedekking van vilt. De buitenste rand is afgewerkt met een aluminium profiel van 40 mm breed waarin een rubber strip van 25 mm. De werknemer valt in november 1999 bij het overstappen van de ene cabin naar de andere en loopt letsel op. Hij vordert vergoeding van de schade. Hij vindt dat de werkgever niet aan zijn zorgverplichting op grond van art. 7:658 BW heeft voldaan. Hij is uitgegleden over de gladde chromen strip aan de buitenkant van het opstapje en dat was een onveilige werksituatie. De werkgever bestrijdt dit en stelt dat de werknemer zich als een soort Tarzan van de ene ruimte naar de andere heeft geslingerd waarbij hij zich aan de deurpost vasthield. Hij is gevallen doordat zijn hand van de deurpost afgleed. Het opstapje en de deurpost voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het opstapje heeft een metalen strip die niet glad is, maar uitglijden juist moet voorkomen. De kantonrechter wijst de vordering toe, het gerechtshof wijst de vordering af. De werknemer gaat in cassatie. Het opstapje is misschien als een trap te zien, maar voldoet dan niet aan het Bouwbesluit 2003. De breedte is slechts 510 mm, terwijl dat minimaal 700 mm moet zijn. En dat zou volgens het hof niet relevant zijn. De Hoge Raad ziet dat echter anders. Deskundigen van TNO-bouw hebben vastgesteld dat door de geringe afmeting van het opstapje er een risico bestaat dat men zijn voet niet voldoende op de opstap kan zetten. Daarmee is niet aan de bedoelingen van de bouw- en arboregelgeving voldaan. Uit de rapportage van de deskundigen kan de Raad niet anders concluderen dan dat er door de afmetingen van het opstapje een onveilige situatie bestond bij het gaan van de ene naar de andere kantoorruimte via het opstapje. Dat rapport heeft de werkgever niet bestreden en daarom heeft de Raad het als juist aanvaard. Als ervan wordt uitgegaan dat de werknemer uitgleed over de strip aan de buitenkant van het opstapje, dan houdt het ongeval direct verband met het lopen over dit opstapje van de ene cabin naar de andere. Het is dan zeker niet uitgesloten dat hij juist door de te geringe afmetingen van het opstapje met zijn voet deels op de strip en deels daaroverheen terechtkwam. Daarom is het onbegrijpelijk dat het hof van oordeel was dat het feit dat de afmetingen van het opstapje in strijd zijn met de geldende bouwkundige normen, in dit geval niet relevant was. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar een ander hof.
De zakken leggen ze op een band van een palletiseermachine. De hele operatie duurt ruim anderhalf uur. De inspecteur is van oordeel dat de werknemers aan zware fysieke belasting worden blootgesteld, met een gerede kans op ernstige gezondheidsschade. Dit betekent een overtreding van art. 5.2 en 5.3 Arbobesluit: het gevaar voor de gezondheid voorkomen of zoveel mogelijk beperken. <P>Op grond van art. 27 Arbowet stelt de inspecteur twee eisen. Zakken van 25 kilogram mogen niet structureel handmatig getild worden. En zo mogelijk moeten de restrisico's worden opgenomen in een RI&E, waarbij hij aanraadt de NIOSH-rekenmethode voor tilsituaties te hanteren. Aan deze eisen moet de expediteur binnen drie maanden voldoen. Beroep bij de minister van SZW is vergeefs en de werkgever stapt naar de rechtbank. Hij is van mening dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om gezondheidsschade te voorkomen. Door het gebruik van een palletiseermachine wordt de fysieke belasting, aanwezig bij containers die 'los geladen' zijn en dus gedeeltelijk handmatig gelost moeten worden, zoveel mogelijk beperkt. Verder worden ook veel containers gelost met producten die al op pallets gestapeld zijn. Het werk wordt regelmatig door pauzes onderbroken en er is taakroulatie. Het bedrijf is sinds 2006 ook aangesloten bij een arbodienst. De werkgever heeft, vergeleken met de concurrentie, veel geinvesteerd in technische oplossingen en hij beroept zich dan ook op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt dat de loopband van de palletiseermachine niet lager kan worden opgesteld dan 30-35 cm boven de containervloer. Ondanks het gebruik van de zeer geavanceerde palletiseermachine blijkt uit de NIOSH-methode dat de zakken 7 kilo te zwaar zijn. Dat betekent dus, ook volgens de rechtbank, dat daardoor gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer kan ontstaan. Het gaat dan niet om een verwijt, maar om een feitelijke vaststelling. Daarom is de eis tot naleving terecht gesteld. Maar in het rapport van de arbodienst was het tilwerk en de daaruit voortvloeiende fysieke belasting al uitvoerig besproken. Ook waren er diverse maatregelen voorgesteld, zoals voldoende afwisseling, job-rotation en voorlichting over de juiste manier van tillen, alsmede inschakeling van een ergonoom. De uitkomst van deze RI&E was al voor het opleggen van de eis in het bedrijf besproken. Dat heeft de werkgever ook in zijn bezwaarschrift vermeld, maar daar is niets mee gedaan. Gezien het heroverwegingskarakter van de bezwaarschriftprocedure had dit wel van de minister mogen worden verwacht. Zeker nu de RI&E mede onderwerp van de eis was! De reactie op het bezwaarschrift is daarmee in strijd met art. 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart daarom het beroep van de werkgever wegens onvolledige heroverwegingen en onvoldoende motivatie gegrond.
Uit onderzoek blijkt namelijk dat haar partner een cannabisproduct heeft gebruikt waardoor zijn rijvaardigheid mogelijk negatief is beinvloed. De werkgever vindt dat de vrouw de schade moet vergoeden. Hij baseert zich primair op een onrechtmatige daad en subsidiair op de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst van de werkneemster. Volgens hem is het onrechtmatig dat de vrouw de autosleutels op een plaats liet liggen waar ook haar partner bij kon. De kantonrechter oordeelt dat bij de toetsing van een onrechtmatige daad de beperking van aansprakelijkheid van art. 7:661 BW moet worden betrokken. In dat geval is het relevant dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw ermee bekend was dat haar partner cannabisproducten gebruikte en daardoor niet in staat zou zijn een auto naar behoren te besturen. Ook is niet gesteld of gebleken dat de partner al eerder wegens dit gebruik en/of wegens verkeersongevallen waarbij van dergelijk gebruik sprake was, met de politie in aanraking is geweest. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van schade die door de werkneemster is veroorzaakt in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Daarom is toetsing aan art. 7:661 BW niet aan de orde. Ook kan niet gezegd worden dat de vrouw zich onrechtmatig heeft gedragen door de autosleutels op een plaats te laten liggen waar ook haar partner bij kon. Op grond van de geldende leaseautoregeling mocht zij leden van haar gezin in de auto laten rijden zonder dat zij daarbij aanwezig was. Zij heeft de regeling van de werkgever dus niet overtreden en dus niet in strijd met art. 7:611 BW (goed werknemerschap) gehandeld. De vordering wordt afgewezen.
<p>De vrouw gaat nog enige tijd zittend door met haar werk, maar meldt zich aan het eind van de werkdag ziek. Dezelfde avond nog bezoekt ze haar huisarts. In haar voet ontstaat daarna dystrofie, met als gevolg dat zij haar rechterbeen niet meer kan belasten. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat hij van oordeel is dat de werkgever niet in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten. De vrouw gaat in beroep. Het gerechtshof bespreekt eerst het verweer van de werkgever. Dat komt erop neer dat niet is aangetoond dat het ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is gebeurd. Dat verweer wordt door het hof verworpen. Twee leidinggevenden hebben immers verklaard dat de vrouw bij hen heeft gemeld dat zij haar been bezeerd had en ook staat vast dat de vrouw die avond haar huisarts heeft bezocht. Die heeft haar vervolgens naar een reumatoloog doorverwezen. Voor wat betreft de zorgplicht overweegt het hof dat niet is weersproken dat het tot de taak van de vrouw behoorde om lege pallets, die een gewicht van 25 kilo hebben, op te ruimen. Daarnaast moest zij blikken verf van 10 kilo in de schappen zetten. Dit werk bracht het risico met zich dat een zwaar voorwerp - een pallet of blik verf - op haar voeten zou vallen. Aan de vrouw zijn echter geen veiligheidsschoenen verstrekt, terwijl de werkgever dergelijke schoenen wel verstrekte aan personeel in het magazijn, aan personeel dat met zware onderdelen werkt en personeel dat uitsluitend afgeleverde goederen in ontvangst neemt. Daarmee is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Daar komt bij dat de werkgever geen RI&E heeft overlegd, hoewel er een advies van de arbodienst was over het dragen van veiligheidsschoenen. De werkgever is daarom aansprakelijk voor de schade. </p>
<p>Twee boetes van 28 euro zijn opgelegd omdat de werknemer respectievelijk 6 en 4 kilometer te hard reed. Een derde boete van 52 euro ging om een snelheidsovertreding van 11 kilometer. Nadat de werknemer de boetes op verzoek van de werkgever heeft betaald, vordert hij bij de kantonrechter terugbetaling van de drie boetes.De kantonrechter wijst dat voor een boete toe en wijst de andere vorderingen af. De werknemer tekent beroep aan. </p>