artikel

Bedrijfskleding en veiligheid

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Op grond van artikel 8.1 t/m 8.3 van het Arbobesluit mag de werkgever persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) voorschrijven. Soms moet hij dat zelfs. Onder PBM’s kan in bepaalde gevallen ook beschermende kleding vallen, bijvoorbeeld wanneer iemand met chemische stoffen moet werken. Ook kan de werkgever veiligheidsschoenen voorschrijven. De werkgever moet dan wel zorgen dat de voorgeschreven middelen geschikt zijn voor de taak. Dit blijkt uit de rechtszaak van de BHV-er. Die gleed uit en kwam ongelukkig ten val op een basiscursus BHV, ondanks de door de werkgever voorgeschreven veiligheidsschoenen. De zolen werden glad bij contact met water. En daarvan is doorgaans sprake tijdens een blusoefening(1) ! Het alleen ter beschikking stellen van dergelijke beschermende middelen is dus niet voldoende. Zo heeft de monteur van een chemische wasserij die uitglijdt in een plas water succes met zijn schadeclaim: de werkgever had ook nog andere voorzorgsmaatregelen kunnen nemen om het uitglijden in waterplassen te voorkomen. Het neerleggen van rubbermatten was volgens ons hoogste rechtscollege effectief en mogelijk geweest(2). De keuze van een PBM zal moeten worden gebaseerd op een deugdelijke risico-inventarisatie en –evaluatie en moet tegemoetkomen aan de eisen die gesteld worden in de bestaande situatie op de werkplek.

 

Hygienische eisen

Maar niet alleen om veiligheidsredenen kunnen eisen worden gesteld aan de kleding of versieringen. Voorschriften kunnen ook worden uitgevaardigd op grond van de algemene of de persoonlijke hygiene. Een kinderdagverblijf voerde een voorschrift in dat het dragen van piercings uit hygienisch oogpunt niet was toegestaan. En het bestuur vond dit bovendien niet representatief. Een werkneemster werd daarom ontslagen omdat zij drie oorringen droeg en ook een (normaal bedekte) polstatoeage had. De rechter zag in het dragen van een paar oorbellen echter geen strijd met de hygiene-eisen. Ook niet als het – zoals in dit geval – ging om meerdere oorbellen(3) . En zo werd ook het ontslag van een medewerkster van een juwelier teruggedraaid. Zij had, ondanks uitdrukkelijk verzoek van haar werkgever, geweigerd haar tongpiercing te verwijderen. De rechter zag daarin geen reden tot ontslag(4).

 
Nog merkwaardiger is de zaak van een schoonmaker van een hotel. De directie wilde hem ontslaan omdat hij na een vakantie in India als Sikh terugkwam. Hij liet zijn baard staan, knipte zijn haar niet meer en droeg een tulband. Ook droeg hij een kirpan, een soort dolk, bij zich. Maar omdat die niet scherper was dan een briefopener vond de rechter dat het geen wapen was in de zin van de Wet wapens en munitie. Bovendien wilde de man de kirpan onder zijn kleren dragen, waardoor niemand dit zag of er aanstoot aan hoefde te nemen(5).

 

De bermuda

De werkgever kan wel heel ver gaan met kledingvoorschriften. Of beter: met de weigering om bepaalde kleding toe te staan. in 2001 kwam het zelfs tot een rechtszaak omdat de PTT weigerde mannelijke bestellers toe te staan bij warme dagen in een korte broek de post rond te brengen. Dat vonden die bestellers in strijd met het gelijkheidsbeginsel: de vrouwelijke bestellers konden immers wel kiezen uit een lange broek of een broekrok. De Commissie Gelijke Behandeling vond dat een direct onderscheid naar geslacht maar daar waren de rechters het niet mee eens. Die waren van oordeel dat de kledingvoorschriften van PTT Post moesten worden gezien als ordevoorschriften die zij op grond van de CAO eenzijdig mocht vaststellen. En omdat het dragen van een korte broek door mannelijke postbodes in Nederland niet algemeen geaccepteerd is, moest de postbode op warme dagen blijven zweten(6).

Damesbermuda

Maar ook de dames van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf visten achter het net toen de damesbermuda uit het kledingpakket werd geschrapt. Het GVB wilde die laten vervallen en vervangen door een broekrok of een lange broek. De Ondernemingsraad adviseerde negatief omdat nog niet alle vervoersmiddelen over airco beschikten. Bovendien vond de OR dat ook mannen een bermuda moesten kunnen dragen. De directie vond die dracht voor mannen echter geen gezicht en ook nog eens te duur. De ondernemingskamer van het gerechtshof was van oordeel dat het schrappen van de bermuda niet kennelijk onredelijk is. Het argument van de arbeidsomstandigheden is daartoe onvoldoende, zeker nu de Arbodienst geconcludeerd heeft dat er geen objectieve relatie is tussen de verkeersveiligheid en het dragen van een korte of lange broek bij warm weer. Alle bussen hebben immers airco en dat zal in de trams ook over enkele jaren zo zijn(7).

Bedrijfskleding

Maar hoe zit dat nu met de ‘gewone’ bedrijfskleding? Kan de werkgever zijn medewerkers verplichten die te dragen, ook als er geen veiligheids- of hygienische argumenten zijn? Daar lijkt het wel op als we kijken naar de verkoopmedewerkster van slijter Gall en Gall. In december 2004 werd in de winkelketen bedrijfskleding verplicht gesteld. Een 51-jarige werkneemster, die dan al acht jaar in dienst is, weigerde het zachtgele overhemd te dragen omdat dit enigszins doorschijnend zou zijn. Ook zou de bijbehorende sloof niet staan bij een korte rok. Na diverse waarschuwingen om de kleding toch te dragen, kwam de rechter eraan te pas. Volgens de rechter was de kleding niet modieus maar zeker niet onwelvoeglijk. Hij vond dat de kleding een zekere ambachtelijke uitstraling had. Waar onze rechtsheren al niet op letten! Maar het eindresultaat was wel, dat het voorschrijven van dergelijke bedrijfskleding niet werd gezien als een onaanvaardbare aantasting van het prive-leven van de werkneemster. Die kreeg twee en een halve maand de tijd om een nieuwe werkgever te zoeken(8).
 

Tot besluit

Het is dus zonder meer mogelijk, ook als de veiligheid of de hygiene niet in het geding is, dat de werkgever bepaalde kledingvoorschriften uitvaardigt. Een en ander behoeft wel de instemming van de ondernemingsraad, omdat het gezien kan worden als een maatregel op het gebied van de arbeidsomstandigheden (art. 27, lid 1 onder d WOR). Maar de ondernemer heeft in de keuze van de kleding een vrij grote beslissingsbevoegdheid. Wel zal hij erop moeten toezien dat de kleding ook gedragen wordt. Zeker als het gaat om middelen die dienen als bescherming voor de gezondheid van de werkende mens. Een werkgever die geen enkel toezicht hield op het gebruik van de voorgeschreven middelen was daarom aansprakelijk voor de beroepsziekte die de werknemer had opgelopen(9).

Uitspraken:

 

1 Ktr Haarlem, 7 mei 2003, LJN AF9196
 2 HR 11 april 2008, JAR 2008, 146
 3 Ktr Amersfoort, 26 juni 2007, LJN BA9409
 4 Algemeen Dagblad, 9 oktober 2008, mr. M. Aantjes
 5 Idem.
 6 Rb ‘s-Gravenhage 23 mei 2001, JAR 2001/124
 7 Hof Amsterdam, 22 juli 2005/232
  8 Ktr ’s-Gravenhage,18 augustus 2005, JAR 2005/212
  9 Ktr ‘s-Hertogenbosch, 7 december 2006, LJN AZ8677

Auteur: R.O.B. Poort (jurist en veiligheidskundige)

Reageer op dit artikel