artikel

Invoeren van helmplicht instemmingsplichtig

Persoonlijke beschermingsmiddelen

In januari 2001 vraagt de OR bemiddeling van de Bedrijfscommissie. Deze concludeert dat de OR hier geen instemmingsrecht heeft en adviseert dat partijen alsnog de risicoanalyse van de Arbodienst gezamenlijk gaan analyseren. De Bedrijfscommissie zegt dat in de tussenliggende tijd de helmplicht gehandhaafd moet blijven. De OR stapt naar de kantonrechter.

 

De rechter overweegt dat de tekst en wet­geschiedenis van artikel 27 lid 1 onder de Wet op de Ondernemingsraad met zich brengen dat alle regelingen met betrekking tot arbeidsomstandigheden zijn onderworpen aan de instemming van de OR. Daarbij is geen uitzondering gemaakt voor regelingen welke zijn gebaseerd op art. 3 Arbowet. Hoofdstuk 3 van die wet geeft bovendien bijzondere regels voor de samenwer­king en bijzondere rechten van de OR bij de uitvoe­ring van de wet.

 

Naar het oordeel van de kanton­rechter is de instemming van de OR alleen dan niet vereist indien de betreffende regeling van de werk­gever berust op een specifiek wettelijk voorschrift of een aanwijzing van de arbeidsinspectie. Ook zou voorstelbaar zijn dat de onderneming in een nood­situatie een tijdelijke maatregel neemt en achteraf de instemming van de OR vraagt. Van dit alles is in het onderhavig geval niet gebleken.

 

Dat betekent dat de OR om instemming gevraagd had moeten worden. Het besluit is daarom, hoe redelijk dit wellicht ook zal blijken, nietig en mag niet verder uit­gevoerd worden.

 

De rechter geeft de OR wel in overweging dat terughoudendheid ten aanzien van het adviseren van zijn leden om de helm maar af te laten hem gedurende de te verwachten instemmingsprocedure wijs voorkomt. Het tegen­verzoek van de werkgever om toestemming te verlenen om het besluit te mogen nemen, wijst de rechter af omdat daardoor alsnog geen overleg met de OR zou plaatsvinden, hetgeen nu juist wel nodig is.

Reageer op dit artikel