artikel

Doof door lawaai in bakkerij

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Twintig jaar heeft een vrouw zonder gehoorbescherming gewerkt in een bakkerij. Is haar werkgever aansprakelijk wanneer zij door gehoorschade arbeidsongeschikt raakt?

Doof door lawaai in bakkerij

Een vrouw heeft van maart 1986 tot september 2010 gewerkt bij een bakkerij, inmiddels opgegaan in Bakkersland. Tot begin november 2006 heeft zij tijdens haar werk geen gehoorbescherming gedragen.

Gehoorverlies

Zij gaat in januari 2000 naar de huisarts wegens oorsuizen. De klachten houden aan en in 2005 wordt een KNO-arts geraadpleegd. Die constateert gehoorverlies, met als mogelijke oorzaak familiaire belasting of werken in een lawaaiige omgeving. Een andere arts ziet in 2007 op een audiogram een mogelijk verband tussen tinnitus en de blootstelling aan lawaai (van snijmachines). Ook is sprake van duizeligheid en evenwichtsstoornissen. De werkneemster meldt zich in augustus 2008 arbeidsongeschikt en krijgt vanaf augustus 2010 een WIA-uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. De arbeidsovereenkomst is een maand later met toestemming van het UWV beëindigd. De werkneemster stelt Bakkersland in april 2012 aansprakelijk voor de schade.

Verjaring

De kantonrechter wijst het beroep op verjaring van de vordering door de werkgever af omdat de werkneemster vóór 12 april 2007 niet daadwerkelijk in staat was om op goede gronden haar claim in te dienen. Er waren toen nog te veel onzekerheden over oorzaak en gevolg (causaal verband tussen werk en gezondheidsklacht). Ook was de werkneemster toen nog niet op de hoogte van de geldende geluidsnormen en dat die op haar werk werden overschreden. Volgens artikel 7:658 BW moet de werknemer die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schending van zijn zorgplicht, stellen en zo nodig bewijzen dat zijn schade tijdens de werkzaamheden is ontstaan.

Lawaai

Vast staat dat de werkneemster lijdt aan gehoorverlies. Uit de stukken blijkt dat die is veroorzaakt door lawaai. De werkneemster stond tijdens haar werk in het magazijn de hele dienst lang bloot aan meerdere lawaaibronnen: snij-, zuig- en inpakmachines, een lopende band, een vriestoren en een (regelmatig afgaand) alarm. Tot november 2006 droeg niemand gehoorbescherming. Zowel de (toenmalige) Arbeidsinspectie als de RI&E uit 2001 meldden dat er sprake was van overschrijding van de geluidsnormen. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de gehoorschade is opgelopen tijdens het werk en is causaal verband vastgesteld.

Maatregelen?

De vraag is nu of Bakkersland de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer door zijn werk schade lijdt. In een rapport uit 1998 staat dat geluidsniveaus boven de 80 dB(A) schadelijk zijn en dat de werkgever dan gehoorbeschermingsmiddelen moet aanbieden. Er was bij Bakkersland sprake van overschrijding van deze niveaus, maar pas in 2006 ging het bedrijf over tot het aanbieden van gehoorbescherming aan de werknemers. Verdere maatregelen heeft het bedrijf niet genomen. Dat voert de rechter tot de slotsom dat Bakkersland is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht. Het bedrdijf is daarmee aansprakelijk voor de schade van de werkneemster. De rechter kent de geëiste 20.000 euro toe als voorschot op de nog nader te bepalen vergoeding.

Bron: Kantonrechter Den Haag, 3 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:921
Auteur: Rob Poort | Bureaupoort.nl

 

> TIP: Bijblijven met jurisprudentie? Kom naar de Arbo wetgeving & Actualiteitendag op 21 april 2016.

> LEES OOK: Schakel schadelijk geluid uit

Reageer op dit artikel