artikel

Te laat

Veilig werken

Hij overlijdt in februari 1994 op 57-jarige leeftijd. In januari 1994, dus kort voor zijn overlijden, stelt hij De Schelde aansprakelijk voor de schade. Na zijn overlijden zetten zijn weduwe en haar twee dochters de procedure voort. De verzekeraar deelt eind december 1996 mee dat de vordering verjaard is. De erven wijzen in augustus 2000 de verzekeraar op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 april 2000 waaruit zou moeten blijken dat de vordering niet is verjaard. In augustus 2003 vorderen de erven van De Schelde een schadevergoeding van ruim 55.000 euro. De kantonrechter wijst de vordering af en de erven gaan in beroep.

 

Het hof stelt dat gezien de uitspraak van de Hoge Raad (van Hese-De Schelde) in beginsel een beroep op de verjaringstermijn van dertig jaar in uitzonderlijke gevallen onaanvaardbaar kan zijn. Of dat zo is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden. Het hof loopt daartoe alle door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten na. Het gaat volgens het hof grotendeels om vergoeding van immateriele schade die ten goede zou moeten komen aan de nabestaanden. Er is geen vergoeding van levensonderhoud gevraagd.

 

Het feit dat de werkgever kan worden verweten dat hij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, betekent nog niet dat dit ook een doorbraak van de verjaringstermijn rechtvaardigt. Zeker omdat de relatie tussen mesothelioom en asbest op dat moment nog niet bekend was. De Schelde hoefde pas na het verschijnen van het proefschrift van Stumphius in 1969 rekening te houden met aansprakelijkheid. Maar toen was het dienstverband al acht jaar geeindigd. Vrij kort na het bekend worden van de ziekte is De Schelde wel aansprakelijk gesteld, maar met de vordering tot schadevergoeding is ruim negen en een half jaar gewacht.

 

Alles bij elkaar genomen vindt het hof dat de argumenten voor de doorbraak van de verjaringstermijn te weinig gewicht in de schaal leggen. De uitspraak van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Reageer op dit artikel