artikel

Zoon krijgt smartengeld

Veilig werken

Niet slechts bij een incident in 1991 in de Abdij in Middelburg, maar herhaaldelijk is de vader tijdens zijn werkzaamheden vanaf 1985 blootgesteld geweest aan asbeststof. Slechts een keer is het werk stilgelegd om de as­best door een gespecialiseerd bedrijf te laten opruimen en wel bij dit voorval in 1991. Een en ander is genoegzaam gebleken uit de verklaringen van alle getuigen. Ook had de werkgever geen bescher­mende middelen tegen het asbestgevaar ter be­schikking gesteld, zoals speciale pakken, volgelaatsmaskers en speciale stofzuigers. Alleen de monteurs van het bedrijf die de cursus voor asbestverwijdering hadden gevolgd kregen deze beschermende middelen.

 

Volgens de kantonrechter is voldoende aangetoond dat de werknemer her­haaldelijk aan asbeststof blootgesteld is geweest, dat geen beschermende middelen tegen het asbestgevaar ter beschikking zijn gesteld en dat geen instructies zijn gegeven voor een veilige werkwijze. Het is ook geen excuus, dat van te voren niet zichtbaar was of er asbest in de isolatie zat, want binnen het bedrijf was genoegzaam bekend dat de kans daarop bij oude leidingen en ketels behoorlijk groot is. De werkgever is derhalve aansprakelijk voor de schade van de werknemer en diens zoon.

 

Met name de hoogte van de immate­riele schadevergoeding is nu in het geding. Bij de bepaling daarvan is van belang dat bij de werknemer in mei 1998 is vastgesteld dat hij mesothelioom had. Vervolgens heeft hij diverse chemokuren ondergaan. In januari 1999 heeft de longarts/oncoloog laten weten dat deze kuren geen zin meer hadden. Toen de werkne­mer hoorde dat hij mesothelioom had, was hij 56 jaar oud. Op 58-jarige leeftijd is hij overleden.

 

De normale levensverwachting voor mannen in Ne­derland is 75 tot 78 jaar. Hoewel in het medisch dossier niet veel is te vinden over pijn, mag worden aangenomen dat hiervan sprake is ge­weest alsmede van verdriet, onzekerheid, angst en mogelijke andere emoties samenhangend met de diagnose mesothelioom en het naderende levens­einde.

 

Uit de jurisprudentie wordt duidelijk dat een bedrag aan smartengeld van 75.000 gulden als onder­grens wordt gehanteerd. Het gaat dan echter om personen die hun levensduur niet of enigszins bekort zagen en bij wie de ziekte niet zo lang heeft geduurd. Deze aspecten gaan in onderhavig geval niet op.

 

Daarom acht de kantonrechter, gelet op de rechtspraak in gevallen die vergelijkbaar zijn wat betreft de leeftijd van het slachtoffer op het moment dat de diagnose is ge­steld, de duur van de ziekte en de ernst van het lijden, een smartengeld van 45.000 Euro billijk.

Reageer op dit artikel