blog

Meer veiligheid door minder overheid?

Veilig werken

Halverwege 2015 wordt het Brzo 2015 van kracht. Dit Brzo is gebaseerd op de Europese Seveso-III richtlijn en knoopt brandveiligheid, arbeidsveiligheid, milieuveiligheid en externe veiligheid aan elkaar voor bedrijven die werken met grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Meer veiligheid door minder overheid?

De gevolgen voor het Nederlandse Brzo-beleid (Besluit Risico’s Zware Ongevallen) zijn dat waarschijnlijk meer chemische bedrijven onder de Brzo-regelgeving gaan vallen, de veiligheidseisen voor ondernemingen strenger worden en de inspectiedruk op de bedrijven toeneemt. Dat lijkt een logische ontwikkeling, gelet op de incidenten en misstanden in de afgelopen jaren. Maar een te grote overheidsdruk op Brzo-bedrijven kan ook contraproductief werken. Wellicht is de externe veiligheid meer gediend met zelfregulering via robuuste certificering van veiligheidsbeheersystemen, in combinatie met uitgebalanceerd overheidstoezicht als vangnet.
De chemische rampen in het Italiaanse Seveso in 1976 en de Indiase stad Bhopal waren mede aanleiding voor de invoering van de Brzo-regelgeving in 1999: een stevig eisenpakket voor chemische bedrijven die een veiligheidsrisico vormen voor hun omgeving. Toch, 39 jaar na Seveso, blijken de zorg voor een goede veiligheidscultuur in de chemische industrie en solide handhaving door de overheid nog altijd weerbarstig. Te veel bedrijven nemen onvoldoende maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom zit de overheid er bij alle bedrijven bovenop, met nauwelijks nuance voor de bedrijven die het wel goed doen.

Overheid te dichtbij

De Seveso III-richtlijn en de implementatie in Nederland via de Brzo 2015 is een volgende poging om het nu eindelijk eens goed te regelen in de chemische bedrijven die bijzondere risico’s opleveren voor de externe veiligheid. Kenmerken van de nieuwe regelgeving zijn dat een groter aantal stoffen onder de richtlijn wordt gebracht, dat bedrijven tegenover de overheid en burgers meer openheid moeten geven over de risico’s die zij voor de omgeving opleveren en dat de overheid frequenter moet gaan inspecteren en handhaven.
Stevig overheidstoezicht op risicovolle bedrijven is noodzakelijk om de samenleving te beschermen tegen rampspoed als gevolg van falend veiligheidsbeleid. Maar dat toezicht moet wel evenwichtig en doelmatig zijn. De praktijk van het Brzo-toezicht in Nederland is dat inspectiediensten doorslaan in hoe zij invulling geven aan hun taak.
De primaire verantwoordelijkheid voor het inrichten van een veiligheidsbeheersysteem ligt bij de ondernemingen zelf. De spelregels zijn doorgaans goed vastgelegd in regelgeving en beleid, een directie weet wat zij moet organiseren aan preventieve voorzieningen en responscapaciteit en hoort vrij te zijn om te bepalen hoe zij het opgelegde veiligheidsniveau intern organiseert. De realiteit is dat inspecties vaak zo rigide zijn en zich zo sterk op uitvoeringsdetails richten, dat inspecterende overheden feitelijk in de verantwoordelijkheid van het bedrijf treden. Met dergelijke dwingende inspecties komt de overheid te dichtbij en dat roept weerstand op. Bedrijven zullen onder zulke condities geneigd zijn om uitsluitend te doen wat de overheid eist. En niet vanuit een eigen veiligheidsambitie de maatregelen treffen die noodzakelijk zijn voor de interne en externe veiligheid en bedrijfscontinuïteit.

Pleidooi voor certificering

Hoe het anders kan? Met een drieslag: certificering van het veiligheidsbeheersysteem, overheidsinspecties via frequente steekproeven en een duidelijk lik-op-stuk beleid voor overtredingen. De Brzo-regelgeving verplicht bedrijven al om een veiligheidsbeheersysteem in te richten en dit zodanig te borgen dat veiligheid als key-element in de hele bedrijfsvoering is verankerd. Door het VBS te laten certificeren door een gezaghebbende certificeringsinstantie wordt het handhaven van het veiligheidsmanagement een verantwoordelijkheid van het bedrijf of de branche. Eenmaal gecertificeerd, hebben bedrijven er belang bij continu proactief te blijven investeren in veiligheid. Intrekking van de certificering betekent immers dat hun risico’s niet meer verzekerbaar zijn, dat processen of installaties moeten worden stilgelegd en dat het bedrijf imagoschade oploopt in de branche. Dat zijn stevige prikkels om er vanuit eigen motivatie voor te zorgen dat alle schakels in het veiligheidsmanagementsysteem continu up-to-date zijn en dat de onderneming ‘compliant’ is aan de overheidsregelgeving en de eigen opgelegde veiligheidsstandaard.

Gaat het met zo’n systeem nooit meer fout? De tijd zal het leren. Maar bij ongevallen zal sneller helder zijn wie zijn verantwoordelijkheid heeft verzaakt. En er liggen minder kosten bij de overheid.

Auteurs: Kees Kappetijn (foto) en Philip Stohr, partner en adviseur bij KappetijnBriks Advies

Reageer op dit artikel