artikel

Atueel

Wetgeving

Vrijwilligersorganisaties kunnen vooruitlopend op de wetswijziging in 2007 zich nu al minder aantrekken van de Arbowet. Dat maakte staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vorige maand bekend. Alleen de bescherming tegen zeer ernstige risico’s blijft gehandhaafd. Volgens Van Hoof leidt de versoepeling van de regels tot minder administratieve lasten. Zo hoeven vrijwilligersorganisaties die niet met gevaarlijke stoffen werken, niet langer een risico-inventarisatie en -evaluatie te maken. Ook zijn preventiemedewerkers en bedrijfshulpverleners niet nodig bij onbezoldigd werk.

 

Vrijwilligers blijven volgens SZW wel beschermd tegen zeer ernstige risico’s die grote gevaren voor de gezondheid met zich meebrengen, zoals valgevaar bij de restauratie van een clubhuis of het werken met professioneel vuurwerk. Ook blijven aanvullende bepalingen voor gezond en veilig werken van kracht voor kwetsbare groepen die extra bescherming nodig hebben. Het gaat om jeugdige vrijwilligers tot achttien jaar en vrijwilligers die zwanger zijn of borstvoeding geven.

 

Buiten de vrijstelling vallen de vrijwillige brandweer en de politie. Voor hen blijft de Arbowet van toepassing. Dat is ook het geval voor mensen die vanuit een uitkering op proef gaan werken en voor betaalde werknemers bij een vrijwilligersorganisatie.

 

De vrijstellingsregeling is op 15 maart 2006 in werking getreden.

 

De Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) en de Branche Organisatie Reintegratiebedrijven (Borea) zijn sinds kort actief in ‘Blik op werk’. Deze stichting bestaat naast deze twee uit organisaties van werkgevers en werknemers, de VNG, de Landelijke Clientenraad (LCR) en het UWV. In het bestuur van Blik op Werk zitten Jan van Zijl, voorzitter (RWI); Ella Vogelaar, voorzitter van Borea; John van Hoof van de BOA; Ton Heerts, FNV, namens werknemers Stichting van de Arbeid; Sip Nieuwsma, VNO-NCW, namens werkgevers Stichting van de Arbeid; Wim Kuiper, VNG; Martin Harms, UWV; Jan Laurier, LCR.

 

‘Blik op werk’ gaat de reintegratiemonitor RWI beheren. In deze database zijn ongeveer zevenhonderd bedrijven opgenomen die actief zijn op de markt voor reintegratie- en arbodiensten. Verder vallen de tevredenheidsonderzoeken Borea/RWI onder clienten en opdrachtgevers van reintegratiebedrijven en het beheer van het Borea- en Boa Keurmerk onder de competentie van de nieuwe stichting. Daarnaast komt het Reintegratiemeldpunt VNG/RWI – de website waar gemeenten hun aanbestedingen en gunningen van reintegratiediensten presenteren – onder de Blik op werk vlag. Er wordt nog nagedacht over een Contractenbenchmark RWI, een databank die informatie biedt over prestaties van door gemeenten gecontracteerde reintegratiebedrijven.

 

De introductie van het nieuwe zorgstelsel per 1 januari 2006 leidt door grotere regeldruk en administratieve lasten tot een toename van het aantal huisartsen met burn-out. Dat beweert Irene van Ham. Zij deed onderzoek bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Van Ham promoveerde op 15 maart 2006 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze ondervroeg 710 Nederlandse huisartsen. Huisartsen die collega’s opleiden of apotheekhoudend zijn, zijn het meest tevreden over hun werk. Huisartsen die door patienten worden bedreigd, hebben de laagste arbeidssatisfactie, aldus Van Ham.

 

Positieve punten in het werk zijn de afwisseling, de contacten met collega’s en het geven van onderwijs aan studenten geneeskunde. Minder aantrekkelijke aspecten zijn de hoogte van het inkomen, de lange werkdagen, de toegenomen administratieve last, het teveel aan werk en gebrek aan tijd en het gebrek aan erkenning.

 

Huisartsen die in hun praktijk ook een apotheek houden, zijn meer tevreden over hun werk dan huisartsen die dit niet hebben. Zij zijn vooral tevreden over hun inkomen.

 

Uit het onderzoek bleek dat er drie voorspellers zijn voor het moment waarop de huisarts wil stoppen met werken: veel avond- en weekenddiensten, de algemene tevredenheid over het vak en uiteraard de leeftijd spelen een rol in het al dan niet voortzetten van de praktijk. Van Ham vindt dat de arbeidsvoorwaarden van huisartsen verbeterd moeten worden en dat er minder regels moeten worden opgelegd. Ook moeten de verdiensten omhoog, aldus de promovenda. Verder kan het vak aantrekkelijker worden gemaakt door de huisarts meer medisch-technische handelingen te laten verrichten zoals kleine chirurgische of gynaecologische ingrepen.

 

Het aantal bedrijven dat gebruik maakt van een arbodienst, is sinds 1 juli met 82 procent vrijwel gelijk gebleven. Ondanks dat het niet langer verplicht is, bleef 82 procent van de bedrijven de arbodiensten trouw. Althans, dat constateert marktonderzoekbureau MarketConcern in zijn Arbodienstenmonitor, een jaarlijks onderzoek onder 1.650 werkgevers.

 

Sinds de liberalisering van de Arbowet heeft 80 procent van de bedrijven zijn contract met de arbodienst ongewijzigd voortgezet, aldus Marketconcern. Van de grote ondernemingen heeft 19 procent de verzuimbegeleiding in eigen huis gehaald, maar de relatie met de arbodienst laten bestaan.

 

Landelijke arbodiensten verloren slechts 5 procent marktaandeel. Dit verlies kwam tot stand doordat 4 procent van de werkgevers geen arbodienst meer gecontracteerd heeft en slechts 2 procent een andere dienstverlener inschakelde, met name verzekeraars. Reintegratiebedrijven en zelfstandige bedrijfsartsen spelen een marginale rol op de markt voor arbodienstverlening.

 

Uit de cijfers blijkt verder dat er minder een beroep wordt gedaan op de arbodienst, mogelijk door de algehele daling van het verzuim. Hierdoor heeft de wetswijziging mede bijgedragen tot een besparing van het bedrijfsleven op zijn arbeidsomstandighedenbudget. De tevredenheid over de arbodiensten nam toe, met name bij grote bedrijven (rapportcijfer: 7,1).

 

De Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) en de Branche Organisatie Reintegratiebedrijven (Borea) willen samengaan.

 

Door de veranderde Arbowetgeving en dalende verzuimcijfers werd BOA gedwongen zich op haar positie te beraden. De omzet van de grote arbodiensten was dramatisch gedaald doordat bedrijven niet langer verplicht werden hun preventie- en verzuimactiviteiten bij arbodiensten onder te brengen. De verantwoordelijkheid voor arbodienstverlening werd bij de bedrijven gelegd die zelf uitmaakten of ze daar wel een arbodienst voor nodig hadden. Bovendien breidde de dienstverlening van de arbodiensten zich uit, zoals het particuliere gezondheidsaanbod in health centers.

 

ArboNed besloot eind 2005 haar lidmaatschap (voor de grote arbodiensten 100.000 euro per jaar) van de BOA op te zeggen. Ook de andere grote jongens, zoals Arboduo en Maetis, werden ongeduldig en eisten een herpositionering van de brancheorganisatie. Adviesbureau Boer en Croone bracht advies uit. Zij adviseerden onder meer een soort netwerk te maken van branches en partijen op het domein arbeid en gezondheid. Ook zou de BOA nieuwe stijl moeten aanhaken bij het initiatief van TNO om een centrum voor sociale innovatie te maken.

 

Het advies behelsde bovendien een verhuizing voor de BOA. Zo zou de brancheorganisatie, die ook een andere naam opteert, uit het SER-gebouw in Den Haag naar een ander pand verhuizen. Met als optie het VNO NCW gebouw, dat meer uitstraling voor een belangenvereniging voor werkgevers zou hebben.

 

De plannen werden verstoord door de vrijage van Borea, die medio februari constateerde dat beide organisaties steeds meer gemeenschappelijk hebben en dat een samengaan voor de hand ligt. Borea benaderde BOA dan ook en vertraagde zo de herpositionering. Het bestuur van BOA had namelijk wel oren naar een ‘verloving’. Probleem voor het voorgenomen huwelijk lijken nog ‘vreemde eenden in de bijt’ als reintegratiebedrijven die inburgeringscursussen aanbieden of trajectaanbieders voor zeer moeilijk bemiddelbaren. Dergelijke activiteiten liggen nogal ver af van de kernactiviteiten van de arbodiensten, al houden zij zich steeds meer bezig met de verzuimbegeleiding van moeilijk bemiddelbare mensen.

 

De Tweede Kamer wil de Arbeidsinspectie, de Voedsel en Warenautoriteit en nog een derde, door het kabinet te kiezen, inspectiedienst voor 1 januari 2007 samenvoegen. Dat staat in de motie van de VVD’er Aptroot die eind februari werd aangenomen.

 

Ondernemers moeten voortaan nog maar door een inspectiedienst van de overheid worden gecontroleerd. De kamer wil dat in 2009 alle inspecteurs van de Rijksoverheid vanuit een dienst het bedrijfsleven controleren en dat het kabinet nog dit jaar een voorstel doet voor het samenvoegen van de diensten. Eerder weigerde het kabinet een Kamermotie met een soortgelijke strekking uit te voeren. De departementen van Economische Zaken en Bestuurlijke Vernieuwing stelden in een brief aan de Kamer voor de diensten meer te laten samenwerken en niet te laten fuseren. De verantwoordelijke bewindslieden vrezen duizenden ontslagen bij de inspecties.

 

Wie een goed idee heeft dat lichamelijke inspanningen vermindert bij het werk van schilders, glaszetters, blokkenstellers en wand- en plafondmonteurs, kan 2700 euro subsidie krijgen voor het verder ontwikkelen van een arbohulpmiddel. Heel goede ideeen kunnen zelfs nog meer opleveren. Dat maakte de organisatie achter het arboconvenant voor afbouw en onderhoud, ‘Samen Beter’, onlangs bekend.

 

Het hulpmiddel moet gemakkelijk in te passen zijn in de beroepspraktijk. Eerder werd al subsidie gegeven aan de ontwerper van een lichte, aluminium glaskar waarmee glaszetters zware ruiten kunnen vervoeren. Ook de bedenker van een constructie die bukken voor schilders overbodig maakt als ze zware contragewichten van een hangbruginstallatie op moeten pakken, kon op steun rekenen. Net als de uitvinders van een slimme platensnijder voor gipsplaten.

 

Wie belangstelling heeft, kan een deelnemersformulier aanvragen bij Samen Beter, t.a.v. Alma Smit, Postbus 8114, 1005 AC Amsterdam of via smit@arbouw.nl.

 

Meer informatie ook op www.samenbeter.info.

 

Politiemensen zijn tevreden over hun werk. Dat concludeert de werkgever van de politie, het ministerie van Binnenlandse Zaken na TNO-onderzoek onder 1024 politiemedewerkers.

 

De motivatie onder agenten voor hun werk is hoog. Ouderen gaan met evenveel plezier naar hun werk als jongeren. Het personeel geeft het werk een 7,8.

 

Ruim twee derde gaat elke dag met plezier naar het werk, becijferde TNO. Slechts vijf procent zegt liever vandaag dan morgen te stoppen met werken.

 

Of het nu gaat om een kort of een lang dienstverband, een hoge of een wat lagere functie, dat maakt niet uit voor de werkbeleving. Wel gaat politiepersoneel dat vindt dat functie en werkervaring bij elkaar aansluiten, met meer plezier naar het werk.

 

Werkbelasting en de toepassing van nieuwe technieken hebben geen invloed op werkplezier. Niet of minder gemotiveerde medewerkers zeggen dat de motivatie zou toenemen als de leiding meer naar hen zou luisteren en als ze meer waardering zouden krijgen van het korps als geheel.

 

Een kwart van de ondervraagden zegt teruglopende motivatie tijdig aan te kaarten bij een leidinggevende. Toch kan het altijd beter. TNO vindt dat motivatie een vast onderdeel op de agenda van functioneringsgesprekken zou moeten zijn. Ook zouden er in het politiekorps meer doorstroommogelijkheden moeten zijn.

 

De overheid laat certificering in de bedrijfstakken ‘asbest’ en ‘verticaal transport’ voortaan meer over aan beide werkvelden. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit afgesproken in een convenant met de bedrijfstakken.

 

De overheid geeft de komende drie jaar alleen nog globale regels voor de certificering van mensen en machines. De gedetailleerde eisen kunnen de werkvelden het beste zelf vaststellen, is de afspraak.

 

Voor het werkveld asbestverwijdering gebeurt dit binnen de Stichting Certificatie Asbest (SCA). De Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport (TCVT) doet dit voor hijswerktuigen, zoals (mobiele) bouwkranen, hoogwerkers en grondverzetmachines. Deze zogeheten beheersstichtingen, waarin werkgevers- en werknemersorganisaties zitten, stellen de precieze certificeringschema’s op waarin de eisen staan voor de veiligheid van mensen en machines. De privaatrechtelijke instanties krijgen daarmee een publieke taak.

 

De uiteindelijke certificatie van personen, bedrijven en machines gebeurt door onafhankelijke certificatie-instellingen. Zij moeten een overeenkomst sluiten met de beheersstichtingen.

 

Met de Rekenscan Ziektekosten kunnen bedrijven in afbouw en onderhoud berekenen wat ze kunnen besparen als preventieve maatregelen tegen ziekteverzuim worden genomen. De Rekenscan Ziektekosten is een initiatief van het arboconvenant Samen Beter. Door een vragenlijst in te vullen leert de werkgever hoe verzuimkosten en te treffen maatregelen om verzuim te voorkomen doorwerken in de loonkosten per werkbaar uur. Er zijn twee verschillende versies: een Rekenscan voor de Afbouwbedrijven en de Rekenscan voor Schilders- en onderhoudsbedrijven. Volgens de sociale partners vormen ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid een probleem voor de sector A&O. Daarom streven de partijen ernaar tijdens de convenantperiode tot eind 2006 het ziekteverzuim met een kwart terug te dringen. De scan is te vinden op de sites www.samenbeter.info, www.fosag.nl en www.noa.nl.

 

Het versoberde regime in gevangenissen zorgt voor een toename van agressie, manipulatie en dwingend contact met medici. Dat constateert NI VEL, het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg op basis van onderzoek in zeventien penitentiaire inrichtingen. In opdracht van het ministerie van Justitie sprak NIVEL met 126 verpleegkundigen en 36 geneeskundigen.

 

Volgens het NIVEL hebben gevangenisartsen en -verpleegkundigen leuk werk, maar hebben ze ook te maken met een hoge werkdruk. Het aantal zorgcontacten is in de gevangenis hoger dan buiten de bajesmuren. Een gedetineerde heeft gemiddeld negentien keer per jaar contact met een penitentiair verpleegkundige en 6,6 keer per jaar met een geneeskundige. Dat laatste is twee keer zo vaak als een patient buiten de gevangenis zijn of haar huisarts ziet.

 

Hoewel een deel van de gedetineerden ernstige aandoeningen heeft als drugsverslaving, psychische stoornissen of HIV/Aids en een achterstand heeft in medische zorg, wordt vooral het gedrag van gedetineerden door veel van de ondervraagde medici als zwaar ervaren. Desondanks kennen de medische teams een hoge mate van tevredenheid en bevlogenheid waardoor bijvoorbeeld burn-out weinig voorkomt. Dit heeft ook te maken met afwisseling in het werk, het werken in een team, de interessante patientenpopulatie en de specifieke medische problematiek, aldus de ondervraagde (para)medici. De verpleegkundigen zijn bovendien erg te spreken over de autonomie in hun werk.

 

Minpuntjes in het werk zijn de beperkte promotiemogelijkheden, het inkomen en het gedrag van gedetineerden.

 

Kansarme’ jongeren leveren indirect geld op. Wie er voor 1 oktober een in dienst neemt, komt in aanmerking voor een no-riskpolis. Als de jongere ziek wordt, hoeft de werkgever geen loon door te betalen. Deze jongeren worden dan betaald door de gemeente waarin het bedrijf gevestigd is. De gemeenten op hun beurt krijgen weer subsidie van de overheid. De proef start in de dertig grootste Nederlandse gemeenten. De jongeren mogen niet ouder zijn dan 22 jaar.

 

Hoge werkdruk heeft een negatief effect op RSI-klachten bij architecten. Dat blijkt uit onderzoek in het kader van het arboconvenant architectenbureaus. Werknemers die hoge werkdruk ervaren, hebben vaker RSI-klachten. Daar lijkt dus de sleutel te liggen voor het verminderen van de klachten. De begeleidingscommissie van het arboconvenant wilde bij de start van het convenant in 2002 het aantal RSI-klachten met 35 procent verminderen, maar haalde die doelstelling niet. Het aantal klachten daalde in vier jaar tijd met 23 procent.

 

De belangrijkste RSI-oorzaak onder bankmedewerkers is werkstress. Uit een onderzoek onder 5000 mensen blijkt dat werknemers met werkstress een driemaal hogere kans op het krijgen van RSI-klachten hebben dan niet-gestresste medewerkers. Volgens FNV Bondgenoten betekent dit dat stress niet langer alleen als effect van belastende arbeidsomstandigheden moet worden beschouwd, maar ook als oorzaak voor gezondheidsklachten. Onder bankmedewerkers kampt 29 procent met RSI-klachten, tegen 25 procent gemiddeld.

 

Reintegratiebedrijven verliezen marktaandeel. Dat concludeert marktonderzoeker Heliview op basis van zijn Arbodiensten- en Reintegratiemarkt Monitor. Circa 6 procent van de bedrijven schakelde in 2005 een reintegratiebureau in; in 2004 was dit nog 8 procent. Bedrijven blijken steeds vaker andere partijen in te schakelen. Daarnaast regelt 72 procent van de respondenten de reintegratie zelf of helemaal niet.

 

Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen daalde vorig jaar met zestigduizend ten opzichte van 2004. Dat maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige maand bekend. December vorig jaar werden 899.000 arbeidsongeschi ktheidsuitkeringen geregistreerd.

 

Het aantal bijstandsuitkeringen daalde met 11.000 en het aantal WW-uitkeringen met 18.000.

 

Het ontslagbesluit is per 1 maart gewijzigd. Vanaf die datum geldt niet langer het ‘Last in, first out’ principe voor het gehele bedrijf, maar per leeftijdsgroep. Voortaan worden werknemers met het kortste dienstverband per leeftijdsgroep het eerst voor ontslag voorgedragen. De verschillende leeftijdscategorieen zijn 15-24 jaar, 25-34 jaar, 35-44 jaar, 45-54 jaar en 55 jaar en ouder. Bij een collectief ontslag van twintig of meer werknemers hoeft het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) niet langer te toetsen of er een bedrijfseconomische noodzaak voor het massaontslag is als het bedrijf een verklaring van de vakbonden kan overleggen dat hier inderdaad sprake van is.

 

Werkgevers staan niet te trappelen om de WIA-risico’s van hun werknemers te verzekeren. Slechts 28 procent van de werkgevers heeft plannen om dit jaar het risico van loonderving bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemers te verzekeren. Dat blijkt uit onderzoek van adviesbureau MarketConcern onder 1650 werkgevers.

 

MISSERTJE

 

In ARBO 2 spraken we op bladzijde 9 onderaan over twee nieuwe NEN-normen, zonder de betreffende normnummers erbij te vermelden. Het ging allereerst om het tweede deel van de NEN-EN 14255-2 – ‘Meting en beoordeling van blootstelling van personen aan incoherente optische straling’. De andere norm was de NEN-EN 14052:2005 en – ‘Industriele helmen met een hoog beschermingsniveau.’ Dat u het weet.

 

 

Reageer op dit artikel