artikel

Bewijslast bij seksuele intimidatie omgekeerd?

Wetgeving

Het antwoord is dat strafrecht hier niets mee te maken heeft. In het Wetboek van Strafrecht vinden we alleen in artikel 246 een bepaling over aanranding van de eerbaarheid, maar daar gaat het hier niet om.

 

De Europese Richtlijn behandelt geen aanranding of verkrachting, maar seksuele intimidatie. In zijn definitie is dat: ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer er een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreeerd.

 

Alleen in zeer extreme gevallen zal er hier een officier van justitie aan te pas komen. Maar slachtoffers kunnen natuurlijk wel een klacht indienen tegen de daders. Of ze kunnen een stap verder gaan en een schadeclaim indienen bij hun werkgever omdat die niets heeft gedaan om het onheil te voorkomen. In dat geval krijgen ze nu nog te maken met de Arbowet. Want seksuele intimidatie valt onder artikel 1, lid 3 onder e en dat definieert seksuele intimidatie in grote lijnen als de Richtlijn hierboven. Volgens de Arbowet is de werkgever verplicht om te zorgen dat iedere werknemer gevrijwaard wordt van seksuele intimidatie. Werkgevers moeten hierop beleid voeren en aan preventie doen. Zij moeten gedragscodes opstellen en een vertrouwenspersoon en een klachtencommissie aanstellen.

 

Het wetsvoorstel wordt voor advies aan de Raad van State gestuurd. Dit advies en de tekst van het wetsvoorstel worden pas openbaar als het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend.

 

 

Wat gaat er nu precies veranderen als het wetsvoorstel door het parlement komt? Voor de werkgever niet zoveel. Ook als seksuele intimidatie onder de Wet gelijke behandeling valt, zal hij moeten bewijzen dat hij voldoende heeft gedaan om het te voorkomen. Daarmee wordt aangesloten bij de geldende praktijk van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek. Op grond van dit artikel kan een werknemer schadevergoeding vorderen van zijn werkgever als hem een ongeval is overkomen. Het artikel gaat uit van de zorgplicht van de werkgever waarbij op deze een vrij zware bewijslast rust. De werknemer moet zijn aantijging wel aannemelijk maken, maar hoeft daarvoor in beginsel alleen te stellen dat hij schade heeft ondervonden door zijn werkzaamheden. Kortom: ook nu al is er sprake van een omkering van de bewijslast. Die was in de juridische praktijk al gangbaar ruim voordat dit wetsartikel was geformuleerd.

 

Verandert er dan in de praktijk helemaal niets? Toch wel. De wetswijziging betekent zonder meer een steun in de rug van het slachtoffer. Want als de pijlen zich niet richten tegen de werkgever maar tegen de dader, zullen ze nu eerder doel treffen. In dergelijke situaties geldt nu geen omgekeerde bewijslast, maar in de toekomst wel.

 

Het is niet meer dan billijk dat de rechtspleging op het gebied van de seksuele intimidatie, zeker wanneer die zich afspeelt in een bedrijfsmatige situatie, aansluit bij de bestaande rechtspleging.

 

Dat betekent dat het slachtoffer de seksuele intimidatie aannemelijk moet maken. Hij of zij kan niet volstaan met loze beschuldigingen, maar de aantijgingen moeten door getuigenverklaringen worden ondersteund. De dader zal moeten aantonen dat hij zich daar niet aan heeft schuldig gemaakt. Dat is een omkering van de bewijslast die echter nauw aansluit bij de huidige praktijk als het gaat om schadevergoeding voor leed als gevolg van werkomstandigheden.

 

Reageer op dit artikel