artikel

Dereguleringsplannen Van Hoof

Wetgeving

In de veiligheidswereld wordt een risico normaliter gedefinieerd als een kans op een ongewenst effect in een bepaald scenario. Zowel kans als effect kan varieren tussen klein/laag enerzijds en groot/hoog anderzijds. Daarmee kent de risicomatrix vier kwadranten (zie figuur 1).

 

FIGUUR 1. RISICOMATRIX

 

 

Risico’s waarbij de effecten hoog zijn, worden soms ‘gevaren’ genoemd. Het gaat dan dus om de risico’s in de kwadranten 1 en 2 van figuur 1.

 

De grens tussen lage risico’s en hoge risico’s loopt diagonaalsgewijs door deze matrix (zie figuur 2). Linksboven bevinden zich de hoge risico’s, rechtsonder de lage.

 

FIGUUR 2. RISICO-INDELING IN DE VEILIGHEIDSWERELD

 

 

In de adviesaanvraag worden lage risico’s echter gedefinieerd als: ‘risico’s die niet leiden tot blijvend letsel of sterfte, en ook geen aanleiding zijn tot grote maatschappelijke kosten of onrust. Lage risico’s zijn bijvoorbeeld daglicht, extreme koude en extreme hitte, staand werk, toiletgelegenheid, en klimaat.’

 

Kennelijk wordt in de adviesaanvraag met lage risico’s gedoeld op risico’s waarvan het effect laag is, dus de risico’s in de kwadranten 3 en 4 van figuur 1.

 

Daarmee wordt afgeweken van de gebruikelijke definitie. Volgens die definitie kenmerkt men de risico’s in de kwadranten 3 en 4 als risico’s met een inherent laag gevaar. In de adviesaanvraag lijken de begrippen laag risico en laag gevaar dus met elkaar verwisseld. Dat kan aanleiding vormen voor een onzuivere discussie.

 

Het is opmerkelijk dat in de adviesaanvraag alleen de lage risico’s zijn gedefinieerd. Er wordt verder geen onderscheid gemaakt in de overgebleven risicogroepen. De hoge risico’s worden niet nader onderverdeeld in hoge risico’s enerzijds en middelgrote risico’s anderzijds. Ook dat is ongebruikelijk. In de adviesaanvraag komen mogelijke verschillen in aanpak tussen middelgrote risico’s en hoge risico’s daardoor niet aan de orde. Dat betekent dat beleidsmogelijkheden worden gemist.

 

Volgens het kabinetsvoorstel treedt de overheid bij lage risico’s in beginsel terug. Het kabinet wil regelgeving gericht op lage risico’s schrappen; regels die vanwege Europese verplichtingen niet mogen verdwijnen, wil het in beginsel via het civiel recht handhaven. Dat laatste betekent dus dat de Arbeidsinspectie niet meer zal toezien op overtredingen daarvan, en ook niet dergelijke overtredingen kan opsporen. We hebben het hier over risico’s met volgens de adviesaanvraag een laag gevaarsaspect, risico’s dus die in de kwadranten 3 en 4 van figuur 1 liggen. Maar in kwadrant 3 liggen nog veel risico’s die in de terminologie van de veiligheidswereld niet als laag risico kunnen worden gekwalificeerd: de risico’s die in figuur 4 in de gebieden 5 en 6 liggen.

 

FIGUUR 3. RISICO-INDELING IN DE ADVIESAANVRAAG

 

 

FIGUUR 4. DE VEILIGHEIDSRISICOINDELING IN KWADRANT 3

 

 

Een voorbeeld van een dergelijk risico is het binnenklimaat. De kans op een slecht binnenklimaat is hoog. Meer dan 40 procent van de werknemers heeft er geregeld klachten over. De effecten zijn meestal niet groot en beperken zich vooral tot hoofdpijn, droge ogen en neus-, keel- en huidklachten. Kans gecombineerd met effect levert in dit geval eerder een middelgroot risico op dan een laag risico. Het feitelijke risico ligt waarschijnlijk in gebied 6. Dat de overheid dit, door gebruik van een afwijkende definitie, een laag risico noemt, is vanuit veiligheidskundig oogpunt onjuist en verwarrend voor de discussie.

 

Bovendien lijkt op dit gebied wel degelijk een rol voor de overheid weggelegd. Er zijn immers geen signalen dat het binnenklimaat in Nederland verbetert. Omdat werkgevers en werknemers hier dus samen kennelijk niet uitkomen, lijkt de overheid aan zet.

 

In kwadrant 2 liggen risico’s die in de terminologie van de veiligheidswereld ‘laag’ zijn, maar in de terminologie uit de adviesaanvraag hoog worden genoemd. We hebben het over een hoog gevaar met maar een kleine kans van optreden. In figuur 5 liggen deze risico’s in gebied 10.

 

Het kabinet wil dat de overheid zich hiermee blijft bemoeien en dat lijkt een goed uitgangspunt.

 

De kansen zijn immers meestal klein gemaakt door een pakket aan juist door de overheid voorgeschreven maatregelen. Terugtrekken van de overheid zou de kans al snel verhogen, waardoor het risico gedefinieerd als kans maal effect, zeker niet meer ‘laag’ zou zijn.

 

Daarnaast is bij hoge gevaren ook een heel specifieke rol van de overheid nodig, namelijk de rol van de buitenstaander die zorgt voor een onafhankelijke en inzichtelijke besluitvorming. Bij grote gevaren is daarom een actieve inzet van de overheid wenselijk, zoals ook in de aanvraag aan de Sociaal Economische Raad wordt verwoord.

 

In kwadrant 4 ten slotte liggen grotendeels lage risico’s. Ligt hier helemaal geen taak voor de overheid? Moet regelgeving gericht op lage risico’s worden geschrapt en mag de Arbeidsinspectie een overtreding ervan niet opsporen? We komen dan terecht bij een heel oude discussie. De Romeinen hadden al de stelling ‘De minimis non curat lex’: de wet richt zich niet op kleine zaken. De discussie heet dan ook wel de ‘de minimis’-discussie. Er valt natuurlijk veel voor te zeggen dat de overheid zich op hoofdzaken richt en geen tijd verdoet aan geneuzel over lage risico’s. Maar het is niet denkbeeldig dat dit soort lage risico’s worden gestapeld tot een problematische situatie ontstaat.

 

FIGUUR 5. DE VEILIGHEIDSRISICOINDELING IN KWADRANT 2

 

 

In gebouwen waar de werkgever niet voor ergonomisch goede werkplekken zorgt, is het bijvoorbeeld meer dan waarschijnlijk dat ook kleedruimtes en toiletten niet in orde zullen zijn. Een volledige terugtrekking van de overheid bij lage risico’s lijkt daarom geen goed idee. Ook de beheersing van deze risico’s dient onder de inspanningsverplichting van de Arbowet te vallen.

 

Reageer op dit artikel