artikel

Eend racht maakt macht

Wetgeving

De beroepsverenigingen hebben alle reden om de onderlinge banden aan te trekken. Nu de arbodiensten niet langer zijn verzekerd van klandizie en de arbo-wetgeving flink wordt gedereguleerd, is de vanzelfsprekendheid van werk voor arboprofessionals verdwenen. Sinds vorig jaar toetst immers nog maar een kerndeskundige – veiligheidskundige, arbeidshygienist, arbeids- en organisatiedeskundige of bedrijfsarts – een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Tegenwoordig zijn werkgevers ook verplicht om preventieve arbotaken zo veel mogelijk zelf uit te voeren, bijgestaan door een interne preventiemedewerker. Voor de verzuimbegeleiding is een bedrijfsarts nog altijd verplicht, maar werkgevers hoeven niet langer de diensten van de vier kerndisciplines van de arbodienst af te nemen.

 

Volgens de voorzitter van de NVvA en vooruitgeschoven post van de vier ‘gezworenen’ Huib Arts kunnen arboprofessionals niet meer blijven doen alsof alles nog bij het oude is. ‘Deregulering is een niet meer te stuiten lawine. Of er moet een ander kabinet komen. Niet alleen de arbowetgeving wordt gedereguleerd en meer afgestemd op ‘Europa’, ook de MAC-waarden worden populair gezegd afgeschaft, althans ook zij worden herzien. We kunnen en willen de deregulering niet tegenhouden, al zijn er natuurlijk leden die tegen zijn. Daarom gaan we de discussie op een ander niveau voeren.’

 

Volgens Arts wordt binnen de kerndisciplines al langer openlijk getwijfeld of de hygienist, veiligheidskundige, bedrijfsarts of a&o’er niet meer op de stoel van een adviseur moet gaan zitten in plaats van die van de inspecteur. Inmiddels is de knoop doorgehakt. ‘We hebben ervoor gekozen om ons verder te professionaliseren op basis van wetenschappelijke kennis.’

 

Daarom worden de vier kerndisciplines graag betrokken bij de totstandkoming van de zogenaamde arbocatalogi. Hierin komen de middelvoorschriften te staan die de branches en individuele werkgevers helpen om aan de globale doelvoorschriften te voldoen. Arts: ‘We zouden graag zien dat de stand van de wetenschap de hoeksteen wordt van de arbocatalogi. Maar we laten als beroepsverenigingen ook onze mening horen in de discussie of preventie geregeld moet worden door doel- of juist door middelvoorschriften.’

 

Gesteund door de NVAB starten de NVVK, BA&O en NVvA een marktonderzoek dat de vraag van de klant (het bedrijfsleven) in kaart moet brengen. Afhankelijk van de uitkomsten willen de drie beroepsverenigingen kijken of het wenselijk is gezamenlijk een opleiding tot ‘preventist’ te beginnen. Die preventist kan dan tachtig procent van de klantvraag zelf beantwoorden; de andere twintig procent moet worden afgehandeld door andere oplossingsgerichte specialisten. Arts: ‘Het ligt voor de hand dat we uiteindelijk een federatie van beroepsverenigingen vormen. Het wordt niet een beroepsvereniging, maar wellicht dat we een overkoepelend bestuur formeren of in ieder geval tot intensief gezamenlijk beraad komen. Ik overleg nu al meer met de voorzitters van de andere beroepsverenigingen dan met de bestuursleden van mijn eigen NVvA.’

 

Een drietrapsraket dus mogelijk op weg naar een preventist opgeleid op niveau. De eerste stuwraketten zijn inmiddels actief in de vorm van het convenant en de stichting. Of de dampkring wordt overleefd en een federatie preventisten gaat opleiden, moet nog even worden afgewacht. Wel zijn volgens Arts de eerste revenuen voor de werkgever zichtbaar. Zo hebben de vier verenigingen een leidraad voor een RI&E-toets opgesteld die een bedrijfsbezoek voor een RI&E-toets door een kerndeskundige overbodig kan maken. Verder werkt het kwartet samen met de arboverpleegkundigen aan een richtlijn effectieve gehoorbescherming, die kosten bespaart door effectieve oplossingen aan te reiken. In de planning zit nog een leidraad die kijkt of de door het bedrijfsleven gebruikte RI&E-instrumenten wel gericht zijn op de meest voorkomende en meest belangrijke risico’s. Samen met het Coronel instituut en Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) willen de vier beroepsverenigingen ook nog een portal voor gespecialiseerde arbodeskundigen lanceren, bij voorkeur in nauwe samenwerking met Arboplatform Nederland. Arts: ‘Deze plannen dragen bij aan een kostendaling in het bedrijfleven. We toetsen de prioritaire risico’s. Geemmer over onbenullige risico’s behoort tot het verleden. De focus zal minder liggen op uitgebreidheid, zoals in het verleden en door de Arbeidsinspectie vereist, maar meer op de kern van de zaak. Op de prioritaire risico’s.’

 

Op de invitational conference ‘Preventie en reintegratie: zonder kennis geen kunde’ merkte professor Frank van Dijk van het Coronel instituut op het jammer te vinden dat de Beroepsorganisatie Arboverpleegkunde (BAV) en de Nederlandse Vereniging voor Ergonomie (NVVE) niet betrokken zijn bij het convenant.

 

Arts beaamt dat de BAV niet is gevraagd om aan het samenwerkingsverband deel te nemen. ‘We voeren al periodiek overleg met de BAV en NVVE. Bovendien is het ondoenlijk om met te veel partijen een convenant te sluiten. We hebben al heel veel overleg gevoerd om met deze vier partijen tot een convenant te komen dat ook nog voldoende aanknopingspunten biedt. Maar we willen ook graag met de BAV en de NVVE blijven samenwerken.’

 

Die samenwerking vindt ook nog plaats met de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA). Arts: ‘Vanzelfsprekend. Zo lang mensen van ons werkzaam zijn binnen arbodiensten, vinden wij dat de BOA gesprekspartner en belangenbehartiger is.’

 

De ‘ergonomen’ werden wel door ‘de vier’ benaderd om mee op te trekken in het convenant. Zij bedankten echter voor de eer.

 

Al zal dat misschien veranderen als ‘de preventist’ werkelijkheid wordt, aldus voorzitter Johan Molenbroek van de Nederlandse Vereniging Voor Ergonomie (NVVE). ‘Een ambtenaar van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opperde eens om een preventiemanager op niveau te creeren. De bedrijfsarts houdt zich bezig met het verzuim en de reintegratie en de preventiemanager met preventie, zo was het plan. Daar hadden wij wel voor gevoeld. Bovendien zijn wij ergonomen uitstekend toegerust voor een dergelijke functie. We overkoepelen namelijk de vakgebieden van de drie beroepsgebieden door onze kennis van comfort, veiligheid en efficiency. Maar we zouden nu zaken moeten doen met de preventiemedewerker, dat is een soort arbocoordinator. Daar voelen wij niet veel voor.’

 

De poort staat dus open voor meer samenwerking tussen de NVVE en de vier samenwerkende beroepsverenigingen. Molenbroek: ‘Maar laat die samenwerking zich nu eerst maar eens bewijzen. Volgens mij is dat ook de bedoeling van het convenant. En als er dan een functie als preventist uitrolt, valt er altijd nog te praten.’

 

De reden van de afstand die Molenbroek neemt van de kerndisciplines en het convenant, ligt niet in hooghartigheid. Volgens Molenbroek is de helft van de vijfhonderd leden van zijn vereniging helemaal niet met arbeidsomstandigheden bezig. ‘Die houden zich bezig met cognitieve psychologie, ongelukken in en om het huis en verkeer. In het verkeer vallen jaarlijks duizend doden, in en om het huis 2400 en in het bedrijfsleven minder dan honderd, om maar eens het belang voor ons uit te drukken. Wij houden ons als ergonomen ook niet veel bezig met het ontwerp van productiemachines. Het beeld van de ergonoom die de werkplek onderzoekt, is erg stereotiep en beperkt. Zo houden wij ons ook bezig met zaken als het ontwerp van een kinderzitje, fototoestel of de interface van een zaktelefoon.’

 

Molenbroek ziet de vier convenantspartijen als de poortwachter voor het bedrijfsleven. ‘Soms zullen wij ergonomen worden ingeschakeld, soms ook niet. Daar laten we geen traan om. We zijn wel betrokken bij het Arboplatform Nederland en bij de leidraad RI&E en de richtlijn effectieve gehoorbescherming. Maar het is niet onze corebusiness, zoals dat zo mooi heet. We hebben wel veel werk in arbo, dat heeft ons de afgelopen tien jaar wel geleerd. Maar tien jaar geleden bij de start van de huidige Arbowet is bewust een keuze gemaakt om van ergonomie geen kerndiscipline te maken.’

 

Marja Bakker van de Branche Organisatie Arboverpleegkunde was heel wat minder laconiek. Ze schreef namens haar vereniging een brief vol vuur aan de convenantspartijen. VNO-NCW-woordvoerder Arbeidsomstandigheden Bob Koning kan zich haar boosheid goed voorstellen. ‘Het verbaast me niets dat de BAV boos is. Bij arbeidsomstandigheden zijn veel verschillende soorten deskundigen betrokken, zoals arbocoordinatoren, bedrijfsmaatschappelijk werkers, fysiotherapeuten en ergonomen. Dit convenant beperkt zich echter maar tot de vier traditionele kerndisciplines. Het heeft er de schijn van dat de vier beroepsverenigingen proberen om andere deskundigen op een afstand te houden. Dat is natuurlijk hun goede recht, maar wij willen als bedrijfsleven geen gedwongen koppelverkoop. De wet schrijft een kerndeskundige voor bij het toetsen van een RI&E. En niet drie. De BAV hoeft niet bang te zijn voor uitsluiting. Als blijkt dat arboverpleegkundigen goed werk leveren, maar buitengesloten worden, dan vinden bedrijven ze toch wel. Dat gebeurde vroeger ook toen de arbodienst nog verplicht was. Bedrijven kozen voor een minimumcontract en kochten elders dienstverlening in. Dus arboverpleegkundige, laat zien wat je waard bent. Zeker met het oog op nog verdergaande liberalisering van de arbodienstverleningsmarkt. We zitten op de weg naar volledige liberalisering.’

 

Koning benadrukt uit te gaan van de goede bedoelingen van de convenantspartijen. Hij heeft nog geen kennis genomen van de (halffabrikaten van de) leidraad RI&E of van de richtlijn Geluid. Maar op zich vindt hij het een goed initiatief. ‘Veel bedrijven worstelen met de RI&E. Die is in het verleden niet goed opgezet omdat hij, populair gezegd, onbenullige risico’s inventariseerde. Ik juich de samenwerking tussen de vier partijen toe. Werkgevers hechten veel belang aan goede arbodienstverlening. Als de kennis verhoogd wordt door samenwerking, is dat positief. Al moet natuurlijk altijd de waarde voor de werkgever worden aangetoond.’

 

Reageer op dit artikel