artikel

FNV begint actie om Arbowet te redden

Wetgeving

Grondslag voor de kabinetsvoorstellen is het rapport ‘Arbowet in Beeld’. Dit rapport besteedt nauwelijks aandacht aan de effectiviteit van de Nederlandse wetgeving – bereiken we wat we willen bereiken: gezonde en veilige arbeidsplaatsen. Het evalueert eerst en vooral de ‘systeemaspecten’ van de Arbowet, zoals het functioneren van risico-inventarisatie en -evaluatie, de aansluiting bij een arbodienst en de ervaringen daarmee.

 

Het opmerkelijke is echter dat de kabinetsvoorstellen maar voor een deel over de systeemaspecten gaan. De rest van de plannen kan dus niet op dit rapport zijn gebaseerd. En daarmee wordt het fundament onder de voornemens wel erg wankel.

 

Bovendien ontbreekt iets essentieels in zowel het evaluatierapport als de kabinetsplannen: de werknemer. In de jaren tachtig – bij de totstandkoming van de eerste Arbowet – werd hij gepromoveerd van passief zorg-object tot actieve samenwerkingspartner in het bedrijf. Maar de laatste jaren blijft hij steeds meer buiten beeld.

 

Discussies in arboland gaan over systemen en deskundigen. Of over de mening van werkgevers. Waar in de evaluatienota komen de werknemers aan bod? Alleen via de ondernemingsraad, en dan vooral bij de vraag ‘of de OR wel betrokken is bij het arbobeleid’.

 

Arbeidsomstandigheden: realiseren we ons nog wel dat dit de omstandigheden zijn waaronder werknemers hun arbeid verrichten? Arbo begint en eindigt bij werknemers. Het wordt tijd om dit elementaire gegeven weer eens extra te benadrukken. Zodat de discussie weer gaat waarover ze moet gaan: een gezonde, veilige werkplek. En zodat de werknemer daar weer een actieve bijdrage aan kan leveren

 

‘Meer verantwoordelijkheid voor werkgevers en werknemers’ is de kern van de regeringsboodschap. Wat ontbreekt is het antwoord op de vraag waar de overheid als wetgever en wetshandhaver zelf nog verantwoordelijk voor is. En inmenging van de overheid is volgens de FNV nog steeds belangrijk. Een recent voorbeeld. Eind 2004 wordt de Arbowet geevalueerd op het aspect ongewenste omgangsvormen. Wat blijkt? Voor een groeiend percentage werkgevers zijn wettelijke regels een (beslissende) prikkel om tot actie over te gaan. Ander voorbeeld. Rookvrije werkplekken kwamen er pas op grote schaal toen de aangescherpte Tabakswet in werking trad, en bovendien stevig gehandhaafd werd. Ook het doorsnee ondernemingsraadslid in Nederland weet het, net als vele andere werknemers: als je bij de werkgever aanklopt om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, krijg je onmiddellijk de vraag: ‘Staat dat in de wet?’ Als daar geen duidelijk ‘ja’ op geantwoord kan worden, kun je het meestal schudden. Ruim tien jaar deregulering en zelfwerkzaamheid hebben die arbo-onvolwassenheid helaas niet fundamenteel weten te veranderen.

 

Het kabinet stelt voor ‘lage risico’s’ niet meer te laten vallen onder de bescherming van de arbowetgeving. De daarbij gehanteerde definitie luidt: ‘lage risico’s zijn risico’s die niet leiden tot blijvend letsel of sterfte, en ook geen aanleiding zijn tot grote maatschappelijke kosten of onrust.’

 

Het ministerie heeft zich laten verleiden tot een aantal voorbeelden van ‘lage risico’s’. En dat gaat onmiddellijk goed fout. De in bijlage 1 van de adviesaanvraag genoemde ‘lage’ risico’s als extreme hitte en kou, staand werk en trillingen, kunnen namelijk wel degelijk leiden tot blijvend letsel of sterfte. Hetzelfde geldt voor andere in deze bijlage genoemde onderwerpen.

 

Een tweede reden om dit idee resoluut naar de prullenbak te verwijzen, is dat het haaks staat op het streven van het kabinet zelf. Dat wil de arbowetgeving immers ontdoen van zijn ‘nationale kop’ en zich beperken tot wat Europa voorschrijft. Maar het onderscheid tussen ‘lage’ en andere risico’s is nergens terug te vinden in de Europese richtlijnen en regels.

 

Van sommige risico’s erkent het kabinet dat ze ernstig zijn, maar het voegt er aan toe dat ze in de praktijk in Nederland niet voorkomen, bijvoorbeeld blootstelling aan extreme hitte. Dit is vreemd, want ten eerste komt het als reeel risico wel voor. En ten tweede zullen de risico’s in de toekomst alleen maar groter worden. Nu al maken werkgevers steeds meer misbruik van de toestromende buitenlandse werknemers. In veel gevallen zijn die namelijk onze taal niet machtig en het telefoonnummer van de Arbeidsinspectie kennen ze al helemaal niet.

 

Tot slot: al in 1997 kreeg de SER een vergelijkbaar verhaal te horen, als uitvloeisel van de enige jaren eerder gevoerde MDW-discussie. In de nota ‘Herorientatie arbobeleid en arbowet’ van 15 april 1996 stelt het kabinet een onderverdeling van risico’s in

 

‘zeer ernstig’, ‘overig ernstig’ en ‘niet-ernstig’ voor. De SER was in zijn reactie unaniem: een onbegaanbare weg, vanwege de willekeur en de langdurige ‘indelingsdiscussies’ die ermee gemoeid zullen zijn.

 

Een ander pijnpunt in de kabinetsvoornemens: het kabinet wil de toegang tot de Arbeidsinspectie voor werknemers, ondernemingsraden en vakbonden inperken. Bij klachten moet de inspectie voortaan minder snel in actie komen. Eerst moeten de partijen bemiddeling of mediation inschakelen; pas als dat niet lukt gaat de deur naar de handhavers der wet open. Alsof werknemers te pas en te onpas bij de Arbeidsinspectie langsgaan! In de praktijk blijkt de drempel om de Arbeidsinspectie in te schakelen met name voor werknemers en ondernemingsraden erg hoog te liggen. Vaak is de weg via de vakbond de enige die men durft te gaan, bepaald door de machtsverhoudingen in bedrijven die – in weerwil van wat nogal eens geroepen wordt – vaak allesbehalve ‘bij de tijd’ zijn. Het verder verhogen van deze toegangsdrempel is volgens de FNV alleen al om die reden een heilloze weg. De FNV vindt het prima dat de inzet van de Arbeidsinspectie meer gericht wordt op bedrijven en sectoren waar veel mis is. Zoals het kabinet al zegt: men moet meer ‘vissen waar de vis zit’. Maar dan hoort – daar waar nodig – de handhavingsdruk ook daadwerkelijk opgevoerd te worden. Anderzijds stelt het kabinet voor dat werknemers eerder naar de rechter moeten stappen als werkgevers in gebreke blijven. Al eerder – bij de adviesaanvraag herorientatie Arbowet enkele jaren geleden – heeft de SER dit civielrechtelijke traject unaniem afgewezen. Een dergelijke wijze van handhaving leidt tot escalatie van conflicten en verstoorde arbeidsverhoudingen.

 

Met name in werkgeverskring is een diepgekoesterde wens een ‘European Level Playing Field’. Vertaald naar veilig en gezond werk: wat veilig en gezond is in Letland, is dat ook in Nederland. Dat klinkt logisch. Desondanks zijn hier fundamentele kanttekeningen bij te plaatsen.

 

Ten eerste: de Europese sociale richtlijnen, waartoe de Kaderrichtlijn Veiligheid en Gezondheid hoort, accepteren uitdrukkelijk de mogelijkheid van hogerdan-minimale beschermingsniveaus door afzonderlijke lidstaten. Het zijn dus geen op harmonisatie gerichte regels. Bovendien verlangt de Europese Commissie een ‘voortdurende verbetering van arbeidsomstandigheden’ van de lidstaten, geen nivellering naar het laagste niveau.

 

Ten tweede: werkgevers wekken de indruk dat het beschermingsniveau van Nederlandse werknemers hoger ligt dan in andere EU-lidstaten. Wanneer we ons beperken tot de ‘oude’ EU-landen, dan is hiervoor geen enkele indicatie. Mocht dit in vergelijking met nieuwe EU-landen wel het geval zijn, dan lijkt ons een opwaardering aan die kant meer op zijn plaats dan een neerwaartse ontwikkeling aan Nederlandse zijde.

 

Ten derde gaan de werkgevers er impliciet van uit dat betere arbeidsomstandigheden en een hoger beschermingsniveau per definitie nadelig zouden zijn voor de concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Ten onrechte: goede arbeidsomstandigheden kunnen de concurrentiepositie juist versterken. Een bureaucratische en niet-heldere Arbowet doet dat niet, maar dat is een heel ander verhaal.

 

Tot slot vertoont de benadering van de Nederlandse werkgeversorganisaties een principieel onaangenaam trekje: het ‘levellen’ en verbeteren van concurrentieverhoudingen staat keer op keer voorop, de veiligheid en gezondheid van werknemers – een fundamenteel mensenrecht – komt op de tweede plaats, of nog veel verder achteraan. Het VNO/NCW-commitment aan ‘goede arbeidsomstandigheden’ heeft in dit opzicht te veel weg van lippendienst.

 

De FNV is niet alleen ‘tegen’. De FNV beperkt zich niet alleen tot reageren en afwijzen. Onze inzet in de SER-commissie Evaluatie Arbowet en daarbuiten heeft de volgende uitgangspunten:

 

1. De overheid is en blijft verantwoordelijk voor het stellen en handhaven van verantwoorde, wettelijke veiligheids- en gezondheidsnormen ter bescherming van werknemers. Volksgezondheid houdt niet op bij de fabriekspoort. Het benadrukken van werkgevers- en werknemersverantwoordelijkheid in de uitvoering verhult het tekortschieten van de overheid in het stellen van duidelijke en heldere normen en de handhaving daarvan.

 

2. Werkgevers en werknemers moeten die overheidsnormen op bedrijfs- en sectorniveau omzetten in praktische maatregelen.

 

3. Regels moeten helder, eenduidig, niet overbodig, en voor iedereen vrij toegankelijk zijn.

 

4. Het onderscheid tussen ‘lage’ en andere risico’s moet verdwijnen.

 

5. De toegangsdrempel tot de Arbeidsinspectie dient niet nog verder te worden verhoogd.

 

6. De positie van de medezeggenschap op arbogebied moet in kwalitatief opzicht versterkt worden, en qua bevoegdheden niet worden verzwakt.

 

Tegelijk zal ook buiten de vergaderzalen van de SER het standpunt van de vakbeweging luid en duidelijk worden uitgedragen in het kader van de campagne ‘Red de Arbowet’. Het kabinet zou ik het advies van Lodewijk de Waal tijdens de Museumpleindemonstratie van 2 oktober 2004 in herinnering willen brengen: ‘luisteren… luisteren… luisteren’. Uiteindelijk zullen ook voor de regering de resultaten dan blijvender en duurzamer zijn.

 

MEER INFO

 

Het alternatief van de FNV is eind maart bekendgemaakt. Het is te vinden op www.arbobondgenoten.nl

 

Reageer op dit artikel