artikel

Goochelen met een SER-advies

Wetgeving

Wat zou Van Hoof hebben gedaan als hij inderdaad het SER-advies zou hebben gevolgd? Allereerst zou hij de volledige arbowetgeving hebben doorgevlooid om te zien waar mogelijke doelbepalingen zitten, eventueel voorzien van grenswaarden. Die ‘gevonden’ doelbepalingen en grenswaarden zou hij vervolgens hebben overgeplant naar de nieuwe wet.

 

Zo bestaat er een beleidsregel ‘tillen op de bouwplaats’ waarin staat dat er niet meer dan 25 kilo mag worden getild. Dat is nou zo’n grenswaarde die je volgens het SER-advies in de wet moet zetten.

 

Wie het niet gelooft, leze blz. 42 paragraaf 5.6.1 uit het advies nog maar eens (http://www.ser.nl/publicaties/default.asp?desc=b23777).

 

De eerste werkelijke stap van Van Hoof bestond inderdaad uit het doorvlooien van de huidige wetgeving. Alleen ging de staatssecretaris niet op zoek naar doelvoorschriften om te behouden, maar naar specifieke Nederlandse regels die volgens hem kunnen worden geschrapt. Hij heeft de Stichting van de Arbeid gevraagd of die wilde helpen en aldus geschiedde. Ook de sociale partners in dit orgaan vonden dat er flink wat Nederlandse regels de prullenbak in konden. Van Hoof zal deze dus schrappen. Daarnaast zijn er enkele punten waarover de sociale partners het niet eens waren; daar slaat Van Hoof zijn eigen weg in (veelal toch ook schrappen). Van Hoof vergelijkt dus als het ware onze regelgeving met regels vanuit Europa en wil in beginsel alles schrappen wat boven Europa uitstijgt. Na deze exercitie is hij al een hoop regels ‘kwijt’. Een tweede stap die hij daarna maakt, is het bezien voor welke risico’s hij doelbepalingen kan formuleren in termen van grenswaarden. Dat zijn er niet veel, want hij wil niks meer dan wat Europa voorschrijft.

 

Er is nog een verschil tussen de benadering van de SER en die van Van Hoof. De SER wil eerst de Europese regelgeving vernieuwen en dan kijken wat er van de nationale kop nog moet worden behouden. Kort gezegd: eerst binnen eigen land en vervolgens in Europa komen tot doelvoorschriften met daar waar mogelijk grenswaarden. Vervolgens wil men – als dat dan nog nodig is – een nationale kop voor een aantal risico’s.

 

De staatssecretaris daarentegen begint bij de nationale kop (onze eigen Hollandse regels) en vergelijkt die met de bestaande Europese regelgeving.

 

Het volgende citaat uit het SER-advies Evaluatie Arbowet (p. 36) is glashelder: ‘De raad meent dat op de weg naar het bereiken van een uniforme Europese arbostructuur, in nationaal verband (nog) niet zal kunnen worden volstaan met (alleen) het bestaande Europese regelgevingkader…e.v. De raad is van oordeel dat, na het bereiken van de beoogde uniforme Europese systematiek, in beginsel het internationale regelgevingkader ook op nationaal niveau maatgevend moet zijn. Indien op nationaal niveau dan nog behoefte zou blijken te bestaan aan aanvullende normering op het gebied van arbeidsomstandigheden, zal op dit niveau expliciet dienen te worden aangegeven waarom aanvullende regelgeving noodzakelijk zou zijn.’

 

Het gevolg van de benadering van de staatssecretaris is dat hij geen concrete doelvoorschriften (concreet beschermingsniveau) met betrekking tot door hem als ‘laag’ geclassificeerde risico’s wenst te formuleren. Geen regels dus voor te weinig verlichting op de werkplek, staand werk en gebrek aan daglicht, want daar ga je niet dood van.

 

Dit is echter in strijd met het advies van de SER (immers, de SER maakt geen onderscheid in ‘hoge of lage’ risico’s, maar zegt dat daar waar het kan je grenswaarden moet opnemen). Daarnaast is het in strijd met het advies van de Stichting van de Arbeid (Star). Dat verwijst immers naar het SER-advies en beveelt voor deze categorie risico’s aan om concrete doelvoorschriften te formuleren in de wet. De Star is – net als de SER – bijvoorbeeld van oordeel dat er ook op het gebied van verlichting, daglicht en staand werk wel degelijk noodzaak is om te komen tot concrete doelvoorschriften. Het formuleren van dergelijke voorschriften is volgens deskundigen niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk.

 

Dus meneer Van Hoof, verlaat nu eindelijk eens de begrippen hoog en laag risico, volg de lijn van SER, Star en deskundigen en noteer in het Arbobesluit grenswaarden waar dat technisch en wetenschappelijk mogelijk is.

 

SER-ADVIES

 

Kort gezegd adviseerde de SER: zet in de nieuwe Arbowet zogenaamde doelvoorschriften met, als dat kan, een grenswaarde erbij. Dat klinkt ingewikkeld, maar het is eigenlijk zeer simpel: zet niet in de wet ‘werknemers mag je niet blootstellen aan te veel lawaai’, maar zet erin ‘je mag werknemers niet blootstellen aan meer dan tachtig d(BA) op een dag, omdat wetenschappelijk is vast komen te staan dat boven deze grenswaarde gehoorschade ontstaat.’ Zo ook voor gezondheidsrisico’s als gevolg van tillen en staand werk et cetera.

 

Op deze wijze is het voor iedereen, werkgevers en werknemers, duidelijk boven welke grens een bepaalde werkzaamheid, houding of blootstelling tot gezondheidsschade leidt en weten we welk beschermingsniveau moet worden gehaald. Het blijft hierbij de taak van de overheid om dat beschermingsniveau door middel van normen (concrete doelvoorschriften) vast te stellen. Sociale partners kunnen vervolgens allerlei middelen bedenken om dat beschermingsniveau te bereiken. Die middelen worden beschreven in catalogi, een soort postordergids met goede producten. Goed en duidelijk, zou je zeggen…

 

NATIONALE KOP

 

Om wetgeving opnieuw in te richten, moet je die eerst beoordelen. De huidige arbowetgeving bestaat voor het grootste deel uit regels die we verplicht zijn vanuit Europa in onze Nederlandse wet te vertalen. Daarnaast zijn er regels die we in Nederland hebben opgesteld omdat we dat, op grond van ervaring, nodig vonden. We noemen dat de ‘nationale kop’. Zo’n typisch Nederlandse regel is dat wij hebben afgesproken dat er bij staand werk zitgelegenheid aanwezig dient te zijn. Immers, de hele dag moeten staan geeft een zware belasting en zorgt op termijn voor ziektes ( o.a. spataderen). Ook een typisch ‘Hollandse’ regel is dat we een verplicht aantal wc’s bij een bepaalde hoeveelheid werknemers kennen, terwijl Europa al blij is met sowieso een wc op de werkplek, ongeacht het aantal werknemers dat daar ‘op’ moet. Een echt Europese regel is de verplichting om niet meer dan 80 d(BA) aan geluid te produceren; boven die grens ontstaat er gehoorschade.

 

 

Reageer op dit artikel