artikel

Hulp voor de hulpverlener

Wetgeving

Als je de BHV als een verplicht nummer ziet, lijkt het of je door de veranderingen in de nieuwe Arboregelgeving een steuntje in de rug krijgt. Er is aardig wat geschrapt. Het voorkomen van ongevallen staat niet meer in art. 15 van de Arbowet, en het Arbobesluit is helemaal ontdaan van BHV-bepalingen. Ook beleidsregel 2.21 over BHV-opleidingen vervalt en daarmee de verwijzing naar het brandbeveiligingsconcept BHV met het daarin gespecificeerde opleidingsprofiel.

 

Toch is dus van een verplicht nummer geen sprake. Minder wettelijke regels leiden namelijk niet tot minder wettelijke verplichtingen. Een goede BHV-organisatie is meer dan ooit afhankelijk van de RI&E. Sterker nog: in het verlengde van de RI&E, gericht op de risicobeheersing, komt de voorbereiding op de noodsituatie waarin de BHV moet kunnen optreden. Zo moet de werkgever in een zwembad niet alleen voldoende toezicht (risico-management), maar ook altijd zuurstof bij de hand houden voor het geval iemand toch te lang onder water is geweest (crisismanagement).

 

Om nu de werkgever te helpen met de vertaalslag van de RI&E (risicomanagement) naar de BHV (crisismanagement) heeft de normcommissie ‘Bedrijfshulpverlening’ een nieuwe norm opgesteld: NEN 4000. Deze norm is tot stand gekomen door samenwerking tussen opleiders, adviseurs, de overheid en gebruikers, en geeft een nieuwe systematiek waarin het proces van de BHV de nadruk krijgt. In deze norm gaat het dus niet over de hoeveelheid verbandmiddelen, maar om de regeling dat de hoeveelheid en de soort verbandmiddelen gerelateerd zijn aan een gemeenschappelijk BHV-plan. Het gaat niet over de brancard of de evacuatiestoel, maar om het plan om mensen met een mobiliteitsprobleem veilig naar buiten te brengen.

 

Let wel: voordat NEN kan worden toegepast, moet de organisatie wel aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. NEN 4000 gaat uit van een BHV-beleid dat gedragen wordt door de directie en periodiek wordt beoordeeld. De risico’s worden systematisch uitgewerkt tot een BHV-plan. Dat is de basis voor een BHV-organisatie, en opleiding, herhaling, nascholing en oefeningen zijn er op gericht om de BHV-organisatie te versterken om op een noodsituatie voorbereid te zijn en te blijven.

 

Het is immers niet alleen van belang om de BHV-organisatie op te zetten, maar ook om die in stand te houden. Zelfs als er geen veranderingen zijn in de organisatie, dan nog zakken de kennis en de vaardigheden weg als die niet regelmatig worden bijgehouden.

 

NEN 4000 geeft een aantal stappen om de RI&E te verdiepen en haar beter aan te passen aan een crisissituatie.

 

1) Wat zijn de aanwezige gevaren (in het bedrijf en in de directe omgeving)? Welke preventieve maatregelen zijn getroffen? Welke middelen zijn aanwezig?

 

2) Wat zijn de aard, de grootte en de ligging van het bedrijf of de inrichting?

 

3) Hoeveel mensen (werknemers, bezoekers) kun je verwachten en op welke tijden?

 

4) Bij hoeveel mensen is een mobiliteitsprobleem te verwachten?

 

5) Wat zijn de verwachte opkomsttijd en -mogelijkheden van de brandweer en andere hulpverleningsorganisaties?

 

6) Is er een infrastructuur op het gebied van arbeidsomstandigheden?

 

7) Wat zijn de maatgevende brandscenario’s waarmee rekening is gehouden bij het verlenen van een gebruiksvergunning?

 

8) Welke mogelijkheid is er om met andere arbeidsorganisaties samen te werken bij meerdere werkgevers in een gebouw of bij aangrenzende gebouwen?

 

9) Wat is de aantoonbare aanwezige deskundigheid?

 

ANONIEME QUOTE

 

‘Opleiden, opleiden, opleiden, that’s it. Op een mooie zomerdag een keer oefenen, ontruimen, iedereen een ijsje en dan weer snel aan het werk.’

 

NIBHV

 

Bijna iedere BHV-er gebruikte het lesmateriaal van de NIBHV. Dat had zeker bepaalde voordelen. Het was praktisch toepasbaar voor iedere BHV-er, met veel illustraties. De uitleg was helder, niet te ingewikkeld en daarmee laagdrempelig. Doordat vrijwel iedereen dezelfde lesstof hanteerde, was het lesmateriaal breed te gebruiken en bepaalde het in feite ‘de norm’.

 

Het grootste nadeel van de standaardopleidingen was dat er geen relatie gelegd werd met de specifieke risico’s, zodat er zelden een vertaalslag naar de RI&E was. Dat ontbreken was bepalend voor de kwaliteit van de standaardtraining, hoe goed de BHV-ers daar ook leerden blussen. Andere nadelen waren de schijncertificering en de verwijzing in diverse aanbestedingen en certificeringsregelingen, zoals voor taxichauffeurs.

 

Dit kader staat – bewust sturend – in de verleden tijd, want ondertussen vragen en krijgen steeds meer BHV-organisaties maatwerk.

 

 

Reageer op dit artikel