artikel

Keuringen en inspecties, een uniforme aanpak

Wetgeving

Het begrip ‘keuren’ is een verzamelnaam voor alle activiteiten op het gebied van inspecteren, meten en beproeven. De eerste keuring vindt plaats voor de ingebruikname van een arbeidsmiddel. Daarna worden keuringen periodiek en na belangrijke wijzigingen uitgevoerd. Degene die de keuring uitvoert, legt de keuringsactiviteiten nauwkeurig vast: tijdstip ingevulde keuringslijst, actiepunten, keurmeester en dergelijke.

 

In artikel 7.4a van het Arbeidsomstandighedenbesluit staat beschreven voor welke arbeidsmiddelen en in welke situaties keuringen verplicht zijn. In de praktijk zien velen door de bomen het keuringsbos niet meer. Keuringen van klimmateriaal, heftrucks, hijsmiddelen en magazijnstellingen worden uitbesteed aan veel verschillende leveranciers. Niet alle leveranciers zijn in staat een onafhankelijke keuring te verrichten, zonder tegelijkertijd reserve- of vervangingsonderdelen te willen verkopen. Daarnaast beschikken de uitvoerende monteurs van de leverancier niet altijd over ontwerpberekeningen en -specificaties.

 

De keuringgraaf houdt rekening met de volgende relevante factoren:

 

– gevolgen (ernst) van mogelijk letsel of schade (criterium S)

 

• S1 = lichte schade aan eigendommen/lichte verwonding/geen schade aan milieu

 

• S2 = ernstige schade aan eigendommen/ zware verwonding/indirecte schade aan milieu

 

• S3 = dood/ernstige schade aan milieu

 

• S4 = calamiteit/vele doden

 

– blootstelling aan risico (tijdsduur en frequentie) in de gevaarlijke zone (criterium F)

 

• F1 = zelden toegang/stilstaande machine (geisoleerd)

 

• F2 = vaak tot continue toegang tijdens productie

 

– kans dat een gevaarlijke gebeurtenis optreedt (criterium W)

 

• W1 = laag (waarschijnlijk niet)

 

• W2 = gemiddeld (komt voor

 

• W3 = hoog (komt vaak voor)

 

Door het nieuwe Arbeidsomstandighedenbesluit zijn er mogelijkheden ontstaan om keuringen voor arbeidsmiddelen zelf uit te voeren. Toch mogen niet alle keuringen in eigen beheer worden uitgevoerd. Hoe hoger het risico van een arbeidsmiddel, hoe hoger de keuringsklasse en hoe zwaarder de eisen. De tabel laat zien dat alleen een onafhankelijke keuringsinstantie de arbeidsmiddelen in de klassen 4 – 6 mag keuren. Arbeidsmiddelen uit de klasse 0 – 2 mogen gekeurd worden door eigen medewerkers met de juiste opleiding.

 

Keuringsklasse 3 is een overgangsklasse naar wettelijke keuring. Als de overheid besluit om voor arbeidsmiddelen in deze klasse specifieke eisen te stellen, gaan die van klasse 3 naar klasse 4. Wettelijke keuring is dan verplicht. Criteria die bij een bijstelling naar boven een rol kunnen spelen zijn:

 

– regimes in omringende landen;

 

– kans op veel of grote schade aan het milieu;

 

– praktijkervaring;

 

– invloed op de werkgelegenheid;

 

– verhouding keuringskosten/te verwachten ‘veiligheidswinst’;

 

– aansluiting op CE-regime.

 

Tabel 1. Overzicht van eisen in de keuringsklassen

 

Keuringsklasse

 

Eisen aan personen of organisatie

 

Voorbeelden

 

Keuringsklasse 0

 

Voorlichting en onderricht

 

Verbandtrommels, schaftwagens

 

Keuringsklasse 1

 

Deskundig persoon (speciale opleiding)

 

Acculaders, afkortzagen, ladders

 

Keuringsklasse 2

 

Deskundig persoon (speciale erkende of gecertificeerde opleiding) die een onafhankelijke positie bekleedt ten opzichte van degenen die bij de keuringsuitkomsten belang hebben

 

Steigers, hijs- en hefwerktuigen, blusmaterieel

 

Keuringsklasse 3

 

Zie klasse 2 + kwaliteitssysteem volgens ISO 9001:2000 of specifieke accreditatie

 

Mobiele kranen (lastmoment >10 tm), hijs- en hefwerktuigen en gereedschappen aan boord van schepen

 

Keuringsklasse 4 / 5 / 6

 

Onafhankelijke keuringsinstantie (geaccrediteerd door Raad van Accreditatie)

 

Hijs- en hefwerktuigen voor personen (vrije valhoogte =3 m) voor verplaatsing van meer dan een persoon, grote drukvaten, ketels, personenliften

 

 

Figuur 1. De keurginggraaf. De blauwe cijfers verwijzen naar de keuringsklasse.

 

 

Een belangrijk aspect van periodiek terugkerende keuringen is de keuringstermijn. De wet schrijft nauwelijks iets voor over de frequentie van keuringen. Wel is bepaald dat arbeidsmiddelen in een veilige staat moeten verkeren.

 

Daarmee valt de keuringstermijn onder de verantwoordelijkheid van de werkgever, die deze op gevoel of uit ervaring bepaalt. Dat kan lei den tot te frequente keuring van arbeidsmiddelen die onder lichte omstandigheden gebruikt worden of te weinig keuren van arbeidsmiddelen onder zware gebruiksomstandigheden. Er bestaat een verhouding tussen de snelheid van veroudering van het arbeidsmiddel en de keuringstermijn. Daarom bestaat er in beginsel geen bezwaar tegen gebruiksafhankelijke keuringstermijnen. Wel moeten er dan eenduidige en verifieerbare criteria zijn. Denk aan intensiteit van het gebruik, doelgroep, omgevingsomstandigheden en bedoelde gebruik. In de praktijk betekent dit dat dezelfde keuringstermijn kan worden gehanteerd voor gelijkwaardig gebruikte arbeidsmiddelen. De termijn(en) moet(en) worden vastgelegd binnen de organisatie.

 

Een op de te keuren arbeidsmiddelen toegespitste checklist is daarbij een handig hulpmiddel. De checklist dient meteen als keuringsformulier om de keuringsdatum, de keurmeester en de bevindingen vast te leggen. Op dit formulier kunnen ook de te nemen acties vermeld worden. Door periodieke evaluatie van de formulieren ontstaat er inzicht in veel voorkomende afwijkingen en in de oorzaken ervan. Als het management deze opmerkingen als uitgangspunt neemt voor verbetervoorstellen, ontstaat er een continue verbetercyclus.

 

www.denf.nl

 

Reageer op dit artikel