artikel

Nieuwe NVAB-voorman Rodenburg: ‘Lichte risico’s bestaan niet’

Wetgeving

Rodenburg is niet tevreden over de WIA. ‘De WAO-instroom kan nog verder dalen. Dat kan door regelgeving wat strenger te maken en bedrijven zo te verplichten werknemers langer in dienst te houden door ze aangepast werk aan te bieden. Een werknemer zou idealiter nooit ontslagen mogen worden voor een beperking. Iedereen wil graag aan de slag blijven. Bedrijven moeten ook na twee jaar verantwoordelijk blijven voor hun mensen. Nu kunnen grote bedrijven wat makkelijker mensen aan de slag houden door ze bijvoorbeeld te herplaatsen. Maar ook kleinere bedrijven zouden via brancheverenigingen werknemers binnen boord kunnen houden. Het komt nog te vaak voor dat werknemers na twee jaar ziekte ontslagen worden omdat geen alternatieven voorhanden zijn. Dat moet je tot een minimum beperken. We moeten bedrijven en werknemers motiveren om werknemers aan de slag te krijgen en te houden. Werken is gezond als iemand het nog kan.’

 

Ook is de bedrijfsartsenvoorman niet te spreken over de door hem geconstateerde afname van reintegratiemogelijkheden. Hij vreest dat mensen die 35 of minder procent arbeidsongeschikt zijn, hun baan zullen verliezen, zonder dat ze kans hebben op ander werk. ‘Al met al zie ik nu geen reden voor nieuwe wetgeving, de Wet Verbetering Poortwachter heeft al geleid tot belangrijke daling van de WAO-instroom.’

 

Met deze gedachtegang in het achterhoofd is het ook niet verwonderlijk dat de NVAB Hoogervorst steunt als het gaat om mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom ME. De minister vindt de ziekte geen reden voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. ‘Ik ben het daarmee eens. Met gedragstherapie kan heel veel worden bereikt voor die mensen. Er zijn heel goede resultaten geboekt met mensen met ME, door hen te leren eerst de eigen grenzen te respecteren. Ze blijken daardoor steeds meer aan te kunnen.’

 

Ruud Lubbers zette de hoge arbeidsongeschiktheid op de politieke agenda. Hij zei medio jaren tachtig dat Nederland ziek was. De grens van een miljoen arbeidsongeschikten kwam akelig dichtbij. Sindsdien is de trend gekeerd, ondanks felle protesten tegen de versobering van de WAO. Nederlandse werknemers moeten zoveel mogelijk aan het werk blijven. Voelt Rodenburg zich als boegbeeld van de bedrijfsartsen mede verantwoordelijk voor de massale WAO-instroom uit het verleden?

 

‘We hebben in de jaren zestig en zeventig mensen de WAO laten instromen die daar niet thuishoren. Dat verhaal is bekend. Als bedrijfs- en verzekeringsartsen hebben wij daaraan meegewerkt. In het oude systeem had je de controle-arts en de bedrijfsarts.

 

De laatste werkte in de bedrijfsgezondheidsdiensten en hield zich met preventie bezig. De controle-arts beoordeelde of iemand terecht ziek was. Het kwam vaak voor dat de werknemer zich achter de controle-arts verschuilde. Ook de leidinggevenden durfden geen verantwoordelijkheid te nemen. De controle-arts was op zijn of haar beurt niet gewend om de werkgever aan te spreken op de mogelijkheden van de werknemer. Dat was ook niet gebruikelijk. De medische grenzen zijn toen opgerekt om mensen de WAO in te krijgen omdat die nu eenmaal gunstiger was dan de WW. Maar sinds ik actief werd in 1989, heb ik dat niet meer meegemaakt.’ Rodenburg wijt deze omslag aan de financiele prikkels die de overheid inbouwde. Vanaf begin jaren negentig zorgden achtereenvolgens de Wet terugdringing ziekteverzuim, de Wet loondoorbetaling bij ziekte, Pemba en drie jaar geleden de Wet verbetering poortwachter (WVP) voor een beter werkklimaat voor de bedrijfsarts. ‘Vooral de WVP verdient de credits. We kunnen als bedrijfsarts nu echt een rol spelen in het verzuim- en reintegratieproces. In het verleden stonden we te ver weg van het bedrijf. Bedrijven en werknemers hadden ook geen financiele prikkels om uit die WAO te blijven. Na een jaar ziektewet kwam de werknemer bij de controle-arts en volgde WAO. Nu zitten we veel meer in de rol van medisch adviseur en houden we ons bezig met preventie en verzuimbegeleiding. Die rol past ons uitstekend. Je ziet het verzuim en de WAO-instroom ook dalen. En ik denk dat de WAO-instroom nog verder naar beneden kan. Ook onder de maatwerkregeling arbodienstverlening en de nieuwe Arbowet die eraan komt.’

 

Rodenburg studeerde geneeskunde en in de avonduren rechten. Hij was tot voor kort kringvoorzitter van de NVAB-Zuid-Limburg. Hij werkt bij de Arbo Unie als bedrijfsarts en is voorzitter van de Commissie van Toezicht voor de Kankerregistratie Limburg. Landelijk zat hij voor de NVAB in de Commissie Wet en Regelgeving. Een functie die hem als bedrijfsarts en jurist op het lijf was geschreven. ‘Ik kijk met veel plezier terug op mijn kringvoorzitterschap. Omdat je in Limburg nogal ver van het centrum van het land zit, is het belangrijk veel her- en bijscholing te organiseren in de regio. Dat hebben we ook gedaan.’

 

Ondanks zijn dubbelstudie is hij meer bestuurder en man van de praktijk dan wetenschapper. Als bedrijfsarts bij Arbo Unie en als bestuurder voelt Rodenburg zich als een vis in het water. ‘Ik ben primair bedrijfsarts.’

 

En die bedrijfsarts wordt steeds vaker op afstand geplaatst door het bedrijfsleven. Zo worden ziekmeldingen – of aanvragen voor ziekteverlof, zoals het tegenwoordig juridisch correct genoemd wordt – steeds vaker door de direct leidinggevende afgehandeld. De bedrijfsarts komt pas na een paar weken om de hoek kijken. De witte jas medicaliseert, zo denken veel ondernemers. Rodenburg is een andere mening toegedaan. ‘Wij demedicaliseren juist. Dus dat beeld klopt niet. De bedrijfsarts is als geen ander in staat om te oordelen of rugklachten een medische oorzaak dan wel een psychische oorzaak hebben. Dat laatste kan dan weer een werkgebonden probleem zijn waarvoor wij een oplossing kunnen vinden. Toch is het een goede zaak dat de werknemer ziekteverlof aanvraagt bij zijn leidinggevende. De werkgever heeft de plicht tot loondoorbetaling als de werknemer zijn werk goed doet of als hij door maatschappelijk aanvaarde redenen duidelijk kan maken waarom hij zijn werk niet goed kan doen. Ziekte en gebrek zijn van die redenen. Formeel klopt deze procedure. Maar de bedrijfsarts moet wel laagdrempelig worden ingeschakeld.’

 

Rodenburg vraagt aandacht voor een heikel punt: de privacy van de medewerker. Want waar leidinggevenden moeten beoordelen of iemand terecht thuis blijft vanwege ziekte, dreigt ook de schending van de privacy. Een erg belangrijk punt, zo meent Rodenburg. ‘Een werknemer kan onder druk worden gezet meer te vertellen dan hem lief is. Dat is niet de bedoeling. Sociale interesse en sociale controle zijn twee zijden van dezelfde medaille. De werknemer moet goed weten dat hij niet alles hoeft te vertellen. Hij kan wel laten weten dat hij door zijn rug is gegaan, maar hoeft er niet bij te zeggen dat hij een hernia heeft. Hij kan wel vertellen dat hij door prive-spanningen niet kan komen, maar niet dat zijn vrouw een psychose heeft gehad. Als de werkgever vervolgens aandringt, kan de werknemer besluiten de bedrijfsarts in te schakelen. De werknemer kan bij hem of haar de details kwijt. De bedrijfsarts beoordeelt vervolgens of hij terecht een tijd thuis blijft en communiceert dat door aan het bedrijf. Dat is de juiste procedure. Wij kennen het medisch beroepsgeheim. We hebben als NVAB sinds de invoering van de loondoorbetaling bij ziekte duidelijk gemaakt dat verzuimbegeleiding duidelijk een zaak is tussen leidinggevende en werknemer. Indien nodig wordt de bedrijfsarts ingeschakeld. De bescherming van de patient of werknemer is een belangrijk punt. We hebben in onze voorjaarsledenvergadering een notitie aangenomen waarin we duidelijk maken dat het medisch geheim tussen werknemer en bedrijfsarts dient te blijven en dat we als bedrijfsartsen ons richten op mogelijkheden en niet op de beperkingen van werknemers. Over dat medisch geheim moeten we trouwens ook weer niet te krampachtig doen. In de kantine vertellen werknemers vaak openhartig over hun problemen .’

 

Rodenburg maakt zich zorgen over de plannen voor de Arbowet van staatssecretaris Henk van Hoof. In juni moet de SER zich uitspreken over onder andere de indeling in hoge en lage risico’s. De vakbeweging is tegen dit onderscheid en lijkt de werkgevers achter zich te krijgen. Ook de NVAB is tegen die indeling. Rodenburg: ‘Wij maken ons zorgen over het uitsluiten van risico’s. Zo wordt werken in extreem warme ruimten tot de zogenaamde lage risico’s gerekend. Dat is geen licht risico. Lichte risico’s bestaan niet. Het uitgangspunt van maatwerk in de Arbowet en de verantwoordelijkheid neerleggen bij de bedrijven is goed. Maar ik kan me de zorg van de vakbeweging over die indeling in risico’s goed voorstellen. We gaan als NVAB ook met de FNV overleggen hoe wij onze bijdrage kunnen leveren om die risico-indeling te veranderen. Ik kan me goed voorstellen dat de FNV dreigt met een claimcultuur als Van Hoofs plannen met de risico’s doorgaan. Ik vind het wel jammer. We zoeken het meer in motiveren van werkgevers. Maar toch: je zult door je werk maar arbeidsongeschikt worden, niet herplaatst worden en een lage arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen. Het is overigens de vraag of Nederland met zo’n lage uitkering wel aan de internationale ILO-verdragen voldoet. Het al dan niet doorgaan van claimgedrag is afhankelijk van de politieke besluitvorming.’

 

Rodenburg staat voor grote uitdagingen, om maar eens een cliche uit de kast te trekken. Aan alle kanten wordt aan de bedrijfsarts getrokken. Diverse collega’s van Rodenburg besluiten zelfstandig de markt op te gaan en buiten de traditionele arbodiensten ontstaan samenwerkingsverbanden. Rodenburg kiest persoonlijk voor het werken binnen de arbodienst, maar kan zich wel voorstellen dat artsen voor het rechtstreekse contact met de klant kiezen. ‘Het kan best dat buiten de arbodienst goede oplossingen mogelijk zijn voor de preventiemedewerker die straks de arbodienstverlening inkoopt. Maar een goede arbodienst die maatwerk levert, is ook prima; werken in een wat groter verband beschermt de arboprofessional tegen burn-out, het leven als vrijgevestigd bedrijfsarts kan eenzaam zijn en leiden tot verlies aan professionaliteit’. En de collega die in zijn wens om zo snel mogelijk een boot aan de Cote d’Azur te veroveren alle arbodisciplines gaat vervullen? ‘Dat zou echt een onwenselijke ontwikkeling zijn. Het laatste dat we moeten doen is elkaar onderling de tent uit concurreren als arboprofessionals. Het gevaar bestaat dat we elkaar verdringen. Dat moet je niet willen. Bedrijfsarts blijf bij je professie, is mijn credo. Ik hecht ook heel erg aan goede samenwerking. We hebben onlangs nog een goed overleg gehad met de beroepsverenigingen voor arbeidshygienisten, arbeid- en organisatiedeskundigen en de veiligheidskundigen.’ Om de bedrijfsarts te steunen, ook buiten de arbodienst, heeft de NVAB een helpdesk ingericht en richtlijnen ontwikkeld. De vereniging wil ook een visitatieregeling. Rodenburg: ‘De bedrijfsarts staat in de maatwerkregeling arbodienstverlening erg in de natte regen buiten. We moeten niet alles op het bord van de bedrijfsarts leggen, maar echt maatwerk nastreven. Wat de arbeidshygienist het best kan, moet de hygienist ook doen. We moeten er voor waken dat de bedrijfsarts met een decibelmeter door de fabriek loopt. Daar maken we ons zorgen over. Bedrijfsartsen dienen zich te richten op uitsluitend medische zaken, juist om waar mogelijk te demedicaliseren. We vrezen dat de liberalisering tot concurrentie tussen de beroepsgroepen leidt. Dat hebben we ook gezegd in de commissievergadering sociale zaken die de WIA behandelde. Als ondanks onze inspanning de liberalisering straks tot uitwassen en minder effectiviteit leidt, moet Den Haag ingrijpen.’

 

Reageer op dit artikel