artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Wetgeving

Een werkgever handelt opzettelijk in strijd met de Arbowet als hij de voorrang geeft aan individuele boven collectieve valbeveiliging.

 

Een 20-jarige man werkt bij een bedrijf dat gevelbeplatingen monteert. Begin maart 2007 valt hij bij het vervangen van dakplaten 8,5 meter naar beneden en overlijdt hij.

 

Het Openbaar Ministerie gaat over tot vervolging van zowel bedrijf als werkgever in persoon. Het bedrijf wordt verweten dat het heeft nagelaten vangnetten aan te brengen. Het bedrijf blijkt in de voorgaande jaren al zes keer door de Arbeidsinspectie op de vingers te zijn getikt. Het bedrijf stelt dat artikel 3.16 van het Arbobesluit een keuze biedt tussen een collectieve mogelijkheid (vangnetten) en een individuele beveiliging (een gordel met vanglijn). De werknemers waren erop gewezen een valgordel te dragen. Maar de rechter stelt dat het artikel duidelijk aangeeft dat collectieve bescherming voorrang heeft boven individuele, wat ook blijkt uit de Nota van Toelichting. De werkgever stelt dat het om een spoedklus ging en dat het niet mogelijk was om tijdig de juiste voorzieningen aan te brengen. Maar de rechter is van mening dat het bedrijf er zelf voor heeft gekozen het werk op korte termijn uit te voeren, zodat er dus geen sprake was van enige vorm van overmacht. Ook in de offerte was geen post opgenomen voor het huren van vangnetten. Het zou dan gaan om een huurbedrag van slechts € 750, een zevende van de brutoaanneemsom. De rechter oordeelt het bedrijf strafbaar wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 32, eerste lid Arbowet en legt een boete op van € 20.000, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De nabestaanden krijgen een schadevergoeding van ruim € 7500. In een aparte procedure werd ook de werkgever zelf als opdrachtgever binnen het bedrijf vervolgd. Hij is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke boete van € 5000 of honderd dagen vervangende hechtenis, eveneens met een proeftijd van twee jaar.

 

(Rechtbank Almelo, 23 juli 2007, LJN BB0112 & BB0116)

 

Een gemeente mag met observaties de juistheid controleren van de redenen waarmee een werknemer re-integratieafspraken afzegt.

 

Een vrouw werkt als toezichthouder bij het Stadstoezicht van een gemeente. Omdat haar ziekteverzuim over een aantal jaren frequent en langdurig is, vraagt de werkgever het UWV in 2000 om een functieongeschiktheidsadvies, nodig om een ambtenaar na 24 maanden arbeidsongeschiktheid te kunnen ontslaan. Het UWV beschikt negatief en acht de vrouw minder dan 15 procent arbeidsongeschikt. Ondertussen nodigen de bedrijfsarts en de speciale verzuimcoordinator haar regelmatig uit voor gesprekken, die de vrouw diverse malen afzegt. Reden voor Bureau Integriteit om op dagen dat zij is uitgenodigd, haar gangen na te gaan.

 

Zij wordt eind juni 2003 ontslagen wegens ‘incompatibilite des humeurs’. De vrouw vordert hierop een schadevergoeding van bijna € 32.000 van de gemeente, omdat zij de observaties en het maken van foto’s en video-opnamen als een inbreuk op haar privacy beschouwt en daarom als onrechtmatig.

 

De rechtbank stelt vast dat de observaties inderdaad inbreuk op de privacy vormen. Uit de rapporten blijkt dat het ging om drie observaties in de uren voor, tijdens en na de tijdstippen waarop zij voor die gesprekken was uitgenodigd. De observaties besloegen telkens enkele uren en hadden niet tot doel na te gaan of zij al dan niet ziek was, maar of de reden van het afzeggen klopte. De rechtbank oordeelt de observaties gerechtvaardigd en proportioneel. De gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld en de vordering wordt afgewezen.

 

(Rechtbank Amsterdam, 8 augustus 2007, LJN BB4516)

 

Ook zonder nieuwe metingen en ook nadat een bedrijfshal is afgebrand, moet een werkgever zonder uitstel een eis tot naleving nakomen van de Arbeidsinspectie.

 

Een bedrijf sorteert afval voor recyclingbedrijven. De Arbeidsinspectie stelt na een controle in juli 2005 een eis tot naleving voor de blootstelling aan gevaarlijke stoffen, geluidsoverlast en fysieke belasting. Zo’n eis moet binnen een bepaalde termijn worden nageleefd, anders volgt een boete. Bezwaar bij de staatssecretaris van SZW (thans: de minister) wordt voor een klein deel gegrond verklaard, voor de rest blijft de eis in stand. De werkgever gaat in beroep bij de rechtbank. Kort daarop verzoekt hij de rechtbank om een jaar uitstel, omdat de hal inmiddels is afgebrand. Maar de rechtbank gaat daar niet op in, omdat na de herbouw de onderneming wordt voortgezet: dan kunnen dezelfde feiten weer een rol spelen.

 

De werknemers werden in de sorteerhal blootgesteld aan dieselmotorenemissie (DME) van shovels, een kraan en vrachtwagens. Op grond van art. 4.3a Arbobesluit is geeist om de blootstelling met 70 procent te verminderen. Meting van de DME-uitstoot door de inspecteur acht de rechtbank niet nodig: het is immers de wettelijke plicht van de werkgever om zelf onderzoek naar de blootstelling van gevaarlijke stoffen te doen. DME is kankerverwekkend en elke blootstelling is gevaarlijk voor de gezondheid. En er is niet aannemelijk gemaakt dat roetfilters niet zouden helpen.

 

Op grond van art. 6.2 Arbobesluit is ook de eis gesteld dat het sorteren moet plaatsvinden in een compartiment dat is afgescheiden van de sorteerhal. In die sorteercabine moet de luchtverversing minimaal 25 m3 per uur per persoon bedragen. De toevoerlucht moet zonodig worden gefilterd om verontreiniging van de lucht in de cabine te voorkomen. Verder dient er een temperatuurregeling aanwezig te zijn. Ook deze eis acht de rechtbank terecht, ondanks het verweer van de werkgever dat de cabine moet worden beschouwd als een gebouw in de zin van artikel 1 Woningwet.

 

De eis om bij de storttrechters het geluidsniveau van meer dan 85 dB(A) terug te brengen door het aanbrengen van dempend materiaal is, ook zonder nadere geluidsmeting, volgens de rechtbank eveneens terecht. De inspectie heeft immers in 1998 een meting gedaan waarbij overschrijding van het geluidsniveau werd geconstateerd. Uit niets blijkt dat er sinds die tijd verbeteringen zijn aangebracht, zodat de inspectie er terecht van mocht uitgaan dat het lawaai bij de storttrechters nog steeds te hoog was en in strij d met artikel 6.8, eerste en derde lid Arbobesluit. De Rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

(Rechtbank Maastricht, 29 mei 2007, LJN BB4225)

 

Een werkgever kan niet het loon inhouden van een werknemer die niet op zijn aangepaste werk is verschenen, als hij niet kan bewijzen dat deze daarvoor daadwerkelijk is opgeroepen.

 

Een monteur raakt eind september 2003 arbeidsongeschikt. De bedrijfsarts vindt hem in februari 2004 geschikt voor aangepast werk in het magazijn. De werkgever zegt dat de monteur in februari was opgeroepen voor aangepast werk, maar pas in maart is verschenen. Hij houdt daarom enkele weken het loon in en de werknemer vordert dit terug. De werkgever wordt gelast te bewijzen dat de werknemer op 10 februari 2004 daadwerkelijk door zijn bedrijfsleider telefonisch is opgeroepen om aangepast werk te doen. Maar volgens de kantonrechter slaagt de werkgever daar niet in en de vordering wordt toegewezen.

 

De werkgever gaat in beroep, omdat hij vindt dat hij het bewijs van de oproeping wel heeft geleverd. Het hof stelt dat de directeur heeft verklaard dat hij de bedrijfsleider heeft opgedragen de werknemer te bellen en dat dit ook diverse malen is gebeurd, maar dat er vaker niet dan wel werd opgenomen. Data weet de directeur niet. De verklaring van de bedrijfsleider vindt het hof niet overtuigend. Het lijkt er meer op dat hij aangeeft welke actie bij ziekte gebruikelijk is zonder zich dit geval concreet te kunnen herinneren. Ook is niet gebleken dat de werknemer schriftelijk is opgeroepen, toen hij de maandag na de 10e februari niet op het werk verscheen.

 

De werknemer zelf heeft de gang van zaken, mede aan de hand van een telefoonlijst van Tele2, gedetailleerd verklaard. Direct na het advies van de bedrijfsarts heeft hij met de zaak gebeld, maar toen werd er gezegd dat er nog geen vervangend werk was. Hij heeft diverse malen zelf teruggebeld, ondanks de afspraak dat de bedrijfsleider hem zou bellen. Hij kreeg telkens hetzelfde antwoord en pas op 2 maart verzocht de boekhouder hem telefonisch om naar het kantoor te komen. Hij had daar een gesprek met een arbeidsdeskundige en is op 10 maart weer gaan werken.

 

De verklaring van de werknemer heeft volgens het hof volledige bewijskracht, omdat de bewijslast op grond van art. 164 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet op hem rust. Ook wordt zijn verklaring ondersteund door de objectieve gegevens van zijn telefoonmaatschappij. Die zeggen wel niets over de inhoud, maar tonen wel aan dat de werknemer degene is geweest die contact heeft gezocht met de werkgever en niet andersom. Vast staat dat er op 10 februari 2004 contact is geweest over werkhervatting, maar niet dat er toen al is gesproken over aangepast werk in het magazijn. Het Gerechtshof verwerpt het hoger beroep van de werkgever.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 25 september 2007, LJN BB4951)

 

Reageer op dit artikel