artikel

Veilig voor de klas

Wetgeving

Niet alle scholen realiseren zich dat ze een veiligheidsprobleem hebben. Ze hebben geen tijd om zich erin te verdiepen en ook verkeren ze vaak in de ontkenningsfase: bij ons gebeurt dit niet. Geweldsincidenten vinden plaats bij de buurman of in de Randstad. Het gevolg is dat sociale veiligheid nauwelijks wordt geregeld. Slechts vijf procent van de scholen heeft een veiligheidsplan ontwikkeld, schat Kircz’s collega Martin Knoop. ‘In de nieuwe CAO voor het voortgezet onderwijs (VO) staat nu een paragraaf over de aanwezigheid van een veiligheidsprotocol. ‘Overbodig, want de Arbowet voorziet hierin, maar iedereen is blij dat het erin staat.’

 

Het thema veiligheid moet op de agenda komen, vinden de vakbondsvertegenwoordigers. Iedereen moet zich op school veilig voelen, maar daar moet je wel aan werken. Dat begint bij het verbannen van de doofpot en blaming the victim.

 

Het is vooral belangrijk koudwatervrees te overwinnen, vindt Kircz. Nog steeds is aangifte doen en contact met de politie een slecht teken. ‘Toen de politie in Amsterdam-Zuid een school aanbood om aan veiligheid te werken, stemde die pas toe nadat dit aan alle scholen werd aangeboden. De politie hield elke week spreekuur op school voor docenten en leerlingen. Geen agent in uniform, maar een gewone mevrouw. Ook controleerde de politie steekproefsgewijs tassen op messen en andere gevaarlijke voorwerpen. Ouders waardeerden dat zeer.’ Andere scholen hebben speciale zorgcommissies ingesteld waarin ook jeugdzorg, politie en Riagg zitten.

 

De sector beroeps- en volwasseneneducatie (bve) heeft na het schietincident op een ROC in Veghel het platform Veiligheid opgericht. Hierin zitten alle 45 ROC’s. Henk Meendering van het Albeda College in Rotterdam is lid van de stuurgroep.

 

Het Albeda College is al met veiligheid bezig sinds de bouw van het hoofdgebouw in 1997. Meendering kijkt vooral naar de organisatorische kant, van het installeren van toegangspoortjes, het aanstellen van toezichthouders tot afspraken met de wijkagent en de ggd. ‘Enge plekken zijn aangepast: extra verlichting, overal helder glas. Preventief hebben we waar nodig camerabewaking, zoals bij de hoofdingang. Dan weet je wie er binnen komt. Afhankelijk van het soort gebouw en de wijk kies je voor poortjes of een beveiligingsbeambte.’

 

Elke maand worden alle incidenten die docenten melden, via het registratiesysteem IRIS doorgegeven aan de directie. Die bekijkt vervolgens of beleidswijziging noodzakelijk is. De meldingen betreffen vooral verbaal geweld of diefstal. Als er vechtpartijen voorkomen, wordt er direct ingegrepen. ‘Dat soort gedrag accepteren we niet en wordt zeker niet gedoogd. Daarover zijn ook afspraken gemaakt’, zegt Meendering. Hij is tevreden over het systeem. ’Docenten weten dat er wat met de meldingen gedaan wordt.’

 

Aan het begin van elk schooljaar ontvangt elke leerling het bulletin met deelnemersstatuten. Hierin staan de huisregels: het zorgen voor een prettige en veilige leeromgeving en ordelijke ruimtes. Dat wordt elk jaar in de klas besproken, net zoals ontruimingsoefeningen en ziekmeldingen. En ieder jaar verschijnt een nieuwe, aangepaste versie. De kracht ligt in de herhaling.’

 

Vier jaar lang heeft het Albeda College ook een respectcampagne gevoerd. Vanwege het succes komt er binnenkort een nieuwe, die de leerlingen met Loesjeachtige posters benadert, vertelt Anne Provoost. Zij is een van de vertrouwenspersonen van het college en registreert klachten van docenten en leerlingen over agressie en geweld. Het betreft vooral klachten over discriminatie, seksuele intimidatie en pesten. Op basis hiervan geeft het vertrouwensteam aanbevelingen aan het College van Bestuur.

 

Het personeelsbeleid legt de verantwoordelijkheid daarvoor zo laag mogelijk in de organisatie. De betreffende onderwijsmanager moet ter plekke laagdrempelige maatregelen treffen om problemen rond agressie en geweld te verhelpen. Provoost: ‘Veel teamleiders bellen ons met de vraag wat ze moeten doen.’ Als een docent zich niet veilig voelt omdat een collega of leerling hem of haar bedreigt, wordt met de docent en de direct verantwoordelijke manager een gedragsstrategie afgesproken.

 

In het uiterste geval kan de teamleider sancties opleggen aan de bedreiger. Leerlingen die wegens agressie niet verder mogen op school en proberen zich op een andere locatie in te schrijven, worden met het leerlingvolgsysteem getraceerd. Soms mogen zulke leerlingen onder voorwaarden verder. Ze moeten dan een houdingscontract ondertekenen voor hun gedrag, inzet en prestaties.

 

Provoost heeft voor een aantal teams een weerbaarheidstraining verzorgd. Daarbij gaat het om basisregels zoals: blijf de persoon aankijken, de stem laten zakken, rustig praten en de naam van de leerling noemen. ‘Dat is als zeer prettig ervaren. Docenten voelen zich hierdoor zelfverzekerder en kunnen zo de eerste druk van de ketel halen. Toch heb je er niet veel aan als het gaat om groepen met gedragsproblemen. Dan heb je meer aan detectiepoortjes om toch even degenen met slechte bedoelingen eruit te halen.’ Volgens Leo de Wit van de afdeling Strategie en Onderwijs van de BVE Raad is er voor veiligheid geen algemene aanpak te formuleren. Iedere instelling moet zijn eigen weg vinden. De een plaatst toezichthouders in uniform en tourniquets, de ander ziet meer in een open systeem met pasjes. Het is altijd een mix van maatregelen die per instelling varieert, afhankelijk van locatie en heersende inzichten. Vrijwel alle ROC’s hebben inmiddels een veiligheidsbeleid ontwikkeld, weet De Wit.

 

Op 24 maart presenteerde de BVE Raad de resultaten van haar veiligheidsmonitor tijdens een congres over sociale veiligheid. Zo’n 25.000 deelnemers en ruim 4.400 medewerkers hebben hiervoor een vragenlijst ingevuld. Psychisch-fysieke agressie, zoals pesten, bedreigen en lichamelijk geweld, is de afgelopen twee jaar met een paar procent verminderd. ‘De monitor geeft aan dat het huidige beleid begint aan te slaan’, zegt De Wit. ‘Maar we moeten wel doorgaan en niet verslappen. Waarschijnlijk zijn we door Veghel voortijdig wakker geschud. Na het incident op het Terra College en de moord op Theo van Gogh was er veel behoefte om te praten. Daarom wordt komend jaar ingezet op de sociale veiligheid buiten de schoolterreinen. Samen met jeugdzorg en politie willen we de omgeving veiliger maken.’ Uit de monitor blijkt dat de leerlingen en docenten zich het veiligst voelen in de klas. Dit gevoel van veiligheid neemt af zodra de klas wordt verlaten. In de gang en in de fietsenstalling is het al minder. Buiten het schoolcomplex is het gevoel van onveiligheid het grootst. De Wit: ’Het gevoel van veiligheid neemt bovendien snel af als incidenten alleen worden geregistreerd. Nazorg is belangrijk om het weer terug te krijgen of vast te houden. Soms worden hierbij externe experts op het gebied van veiligheid ingeschakeld.’

 

Psycholoog Maarten Weber is zo’n expert. Hij is hoofdinspecteur en projectleider geweld en bevoegdheden bij het Piog (Politie-instituut openbare orde en gevaarbeheersing). Volgens Weber kan verbale training, gericht op het deescaleren van conflicten, bijdragen aan de verbetering van de arbeidsomstandigheden van docenten. De techniek is vlug aan te leren en is snel effectief.

 

Fysieke training voor het aanleren van agressiereductie en zelfverdedigingstechnieken zijn volgens Weber geen haalbare kaart. ‘Docenten en ondersteunend personeel komen om les te geven. Niet om zichzelf te verdedigen in levensbedreigende situaties. Ze zijn over het algemeen niet bereid om gewelddadig op te treden. Dat raakt aan hun morele en ethische gevoelens.’

 

Het gaat volgens Weber vooral om de afweging ‘zal ik vechten?’ Al was het maar om vechters uit elkaar te trekken of tussen twee groepen te staan om escalatie te voorkomen. Docenten moeten hier de juiste mentale attitude voor hebben. Een houdgreep lijkt misschien eenvoudig, maar onder condities van bedreiging is dat erg lastig.

 

Ook bij verbaal ingrijpen moet een docent non-verbaal een dominante houding kunnen aannemen. ‘Wil een verbale training echt het zelfvertrouwen bevorderen, dan moeten die vaardigheden onder condities van bedreiging geoefend worden. Niet met een borrel, kletsend bij de open haard. Het is nodig te ervaren wat bedreiging met je lichaam doet, dan snap je ook wat die jongen in de klas voelt en hoe hij zich gedraagt, want ook hij handelt uit angst. Fysiek ingrijpen moet je overlaten aan daarvoor ingehuurde professionals.’

 

Weber pleit voor een integraal veiligheidsbeleid waarbij de directie zowel werknemers, leerlingen als ouders moet betrekken. Bovendien is er altijd een pakket van maatregelen nodig, van poortjes tot gedragsregels. Het is erg belangrijk dat docenten daarbij een lijn trekken. ‘Bij sommige ROC’s staat een potige figuur bij de ingang’, vertelt hij. ‘Zo’n vent is goud waard. Het is misschien geen gezicht, maar het is erg belangrijk om veiligheidstaken door professionals te laten uitvoeren. Zij zijn geschoold in geweld en weten hoe ze zich moeten beheersen in een stress-situatie. Doen ze dit niet, dan kan het verschrikkelijk escaleren.’

 

MEER INFO

 

De brochure ‘Veilig onderwijs, het schoolveiligheidsplan’ van de AOb is bedoeld als handreiking voor werkgevers, medezeggenschapsraden en ondernemingsraden in onderwijsinstellingen. De brochure is te downloaden via: www.aob.nl/doc/VeiligOnderwijs.pdf

 

 

Reageer op dit artikel