artikel

Zachte cijfers, harde aannames

Wetgeving

Bob Koning van de werkgeversorganisatie VNO-NCW valt het op dat Popma nogal wat slagen om de arm houdt. ‘Al met al heb ik de neiging om grote vraagtekens te zetten bij zijn cijfers. Maar dat neemt niet weg dat ik erken dat mensen ziek kunnen worden door het werk, en er misschien in een enkel geval aan dood kunnen gaan.’ Bij kanker door asbest is het oorzakelijk verband met het werk onweerlegbaar. Maar Koning heeft bijvoorbeeld wel bedenkingen bij het aantal OPS-slachtoffers dat Popma noemt: ‘Mij is geen enkel sterfgeval door OPS bekend.’

 

Het gaat niet aan te discussieren over een paar honderd slachtoffers meer of minder, vindt hoogleraar arbeidsomstandigheden Tjabe Smid (VU Medisch Centrum). ‘De kernboodschap is dat het aantal doden als gevolg van werken in de duizenden loopt. En daarmee is het aanzienlijk hoger dan bijvoorbeeld het aantal verkeersslachtoffers. En we maken ons verschrikkelijk druk over terreurslachtoffers, maar dat was er in het afgelopen jaar slechts een.’

 

De oorzaak van iemands overlijden is niet altijd eenduidig. ‘Daarom kun je de mensen niet echt aanwijzen’, zegt Smid. ‘Je kunt het wel uitrekenen.’ Op basis van die schattingen moet je besluiten of je er wel of niet wat aan doet. ‘Stel dat er een paar duizend mensen per jaar overlijden aan longkanker en er komen er een paar honderd voor rekening van het werk. Dan zou je kunnen zeggen dat die duizenden er in feite niet toe doen. Het gaat om die paar honderd die voor rekening van het werk komen .’

 

Smid heeft zelf ooit ‘op de achterkant van een sigarendoosje’ uitgerekend hoeveel doden er jaarlijks vallen door het werk. Hij heeft daarom niet de indruk dat de cijfers van Popma overdreven zijn. ‘Maar je moet er niet te veel wetenschappelijke pretenties mee hebben. Het maken van dergelijke analyses gebeurt nu eenmaal met een hoop aannames. Popma leunt nogal sterk op een paar buitenlandse studies en daar worden schattingen gemaakt van de attributiefactor, het percentage doden dat aan het werk kan worden toegeschreven. Die neemt hij eigenlijk kritiekloos over. Ik wil niet zeggen dat ze slecht zijn, maar in een wetenschappelijk rapport moet je toch even stil blijven staan bij de kwaliteit van die aannames.’

 

Volgens Pieter van den Eeden, universitair docent Methoden en Technieken aan de VU, is het reden de uitkomsten van Popma’s berekeningen met een korrel zout te nemen. ‘Er zit altijd een marge op die attributiefactor, die kan tientallen procenten bedragen. Het is gebruikelijk dat op basis van een steekproef een gemiddelde coefficient wordt gepubliceerd met vermelding van de geschatte foutenmarge voor de hele populatie. Daar is geen rekening mee gehouden in deze rapportage .’ Men neemt deze cijfers domweg over, als waren het de echte gemiddelden, waardoor er onzuiverheid ontstaat. ‘Dat is echt reden voor onbetrouwbaarheid.’ De minimale en maximale schattingen in dit onderzoek zouden dus verder uit elkaar moeten liggen.

 

Van den Eeden betwijfelt overigens sterk of er in Nederland geen bruikbare cijfers voorhanden zijn. ‘Bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag is veel kennis beschikbaar. Bovendien lopen er in Nederland een paar grootscheepse gerontologische onderzoeken. Met die data kun je kijken in hoeverre sterfte kan worden gerelateerd aan beroepen die mensen hebben uitgeoefend. Er is een zeer actieve sociologengroep onder leiding van hoogleraar Ganzeboom (VU) die zich richt op de effecten van scholing, maar die zeer goed geinformeerd is over de beroepsverdeling in Nederland. En in Maastricht is een groot onderzoek gaande naar de oorzaken van kanker.’

 

Een belangrijk deel van de geschatte kankerdoden heeft met asbest te maken. Koning: ‘Een ziekte als mesothelioom zal uiteindelijk – door eerder genomen maatregelen – vanzelf verdwijnen. Hetzelfde geldt voor OPS.’ Jan Warning van FNV Bondgenoten is het deels met hem eens: ‘Het is een feit dat we nu de wrange vruchten plukken van fouten uit het verleden, maar dat is des te meer reden het nu beter te doen.’ Zeker het werken met gevaarlijke, kankerverwekkende stoffen gebeurt nog niet overal even veilig.

 

‘Je moet de huidige gevaren inderdaad niet onderschatten’, zegt ook Tjabe Smid. ‘Met name in kleinere bedrijven zijn de werkomstandigheden niet zo als ze moeten zijn. Het is daarom jammer dat het kabinet plannen heeft voor de herziening van de Arbowet, zie de aanvragen voor SER-advies, waarin het ambitieniveau niet verder komt dan: het moet niet slechter worden.’

 

Ad Geers, hoogleraar arbeidsrecht in Maastricht, is het met hem eens. ‘Daar word je in het licht van dit onderzoek niet vrolijker van. De ideeen in de adviesaanvraag zijn op een aantal punten ronduit potsierlijk.’ De teneur in de kabinetsvoorstellen is: zoveel mogelijk loslaten en zoveel mogelijk overlaten aan de branche. ‘We hebben hier te maken met normen die letterlijk gaan over leven en dood. Dat moet je natuurlijk niet aan het vrije spel der krachten overlaten, want dan wint de sterkere.’ We leunen in Nederland heel erg op de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven, vindt Smid. ‘Dat werkt over het algemeen goed, maar als een bedrijf maar wat aan rotzooit, hebben we niet zo veel middelen om er wat aan te doen.’

 

Geers signaleert een ‘aardig aspect’ in die adviesaanvragen: de introductie van het begrip PSA (Psycho Sociale Arbeidsbelasting). ‘De staatssecretaris wil dat in de Arbowet een bepaling komt waardoor werkgevers een preventiebeleid moeten voeren op het tegengaan van PSA.’ Ander goed nieuws is volgens Geers een arrest van de Hoge Raad. ‘Op 11 maart heeft de Hoge Raad bepaald dat psychische schade, bijvoorbeeld als gevolg van stress, in aanmerking komt voor een schadevergoeding als ware het fysieke schade.’ Daarmee kunnen nieuwe beroepsziekten als gevolg van werkdruk en stress, zoals een burn-out, op dezelfde voet als fysieke schade vergoed worden. ‘Dat geldt ook voor eventuele nabestaanden.’

 

Ook Warning wijst nadrukkelijk op nieuwe risico’s als werkdruk en stress. ‘In Japan is veel aandacht voor het fenomeen ‘karoshi’; door een hoge werkdruk en extreem lange werktijden vallen mensen op een gegeven moment, door een hartaanval, dood neer op het werk. Dat komt ook in Nederland voor, Popma noemt dat ook. We hebben wel eens aan de Arbeidsinspectie gevraagd of zij dat registreren. Het antwoord was: ‘nee’. De Arbeidsinspectie hanteert een buitengewoon beperkte definitie van het aantal dodelijke slachtoffers op het werk, is de kritiek van de vakbond. ‘Een overval met een slachtoffer is een ‘criminele daad’ en komt dus in de politiestatistieken .’

 

Smid vindt dat de Arbeidsinspectie te weinig controleert; er zijn te weinig inspecteurs voor te veel bedrijven. Het ‘kan beter’, meent ook Warning. ‘Een zwak punt is dat het soms wel een jaar duurt voordat ze na de eerste inspectie op hercontrole komen.’ Volgens Smid is er sowieso een te kleine kans op bezoek van een arbeidsinspecteur: gemiddeld eenmaal in de veertig jaar.

 

‘Van werken ga je dood’, maar de kans daarop zou best wat minder mogen zijn. Welke maatregelen kun je nemen? Koning van VNO-NCW denkt dat extra maatregelen niet nodig zijn. ‘In Nederland hebben werkgevers voldoende belang bij het gezond houden van werknemers. Er zijn hier veel, alleen al financiele, redenen om te zorgen dat mensen gezond blijven. Werkgevers maken zich zelfs zorgen om risicofactoren die helemaal buiten het werk liggen.’

 

Smid is het daar niet mee eens. ‘Impliciet gaan we ervan uit dat als we het verzuim onder controle hebben, de werkomstandigheden goed zijn.’ Hij memoreert het klassieke voorbeeld van kanker door asbest. ‘De latentietijd is dertig jaar. Dat betekent dat iedereen die asbestkanker heeft tot het moment dat hij ziek wordt, kerngezond is en waarschijnlijk pas ziek wordt als hij met pensioen is. Dat kost de werkgever helemaal niets.’ Hij hamert op een betere handhaving van de bestaande regelgeving. ‘Daar valt nog veel mee te winnen.’ De vakbond FNV waarschuwt voor het lichtvaardig schrappen van regels. Jurist Ad Geers pleit ook voor het in de wetgeving houden van arboregels. ‘Niet loslaten, niet dereguleren, maar een behoorlijke en hanteerbare wetgeving die mensen beschermt tegen arbeidsrisico’s. Het gaat echt over grondrechten.’

 

REACTIE POPMA

 

‘Het inschatten van werkgerelateerde sterfte is een hachelijke aangelegenheid. Dat is een van de eerste zinnen in de verkenning die ik op verzoek van de FNV heb verricht. Cijfers krijgen al snel de neiging een eigen leven te gaan leiden, zeker als die cijfers de publiciteit halen. Korrels zout kunnen in dat geval van node zijn, zoals Pieter van den Eeden terecht opmerkt. Er zit dan ook een ruime marge in de cijfers, zoals in het rapport al is aangegeven: een conservatieve en een ruimere schatting. Een zekere mate van onbetrouwbaarheid is dus al ingecalculeerd. Het was dan ook niet het doel om op dit punt het definitieve woord te spreken. Integendeel. Het rapport draagt niet voor niets als ondertitel ‘een verkenning’. Die ondertitel was geen vrijbrief voor wilde slagen in de lucht. Hij geeft wel aan dat op dit terrein nog veel onderzoek nodig is. De uitkomsten van dergelijk onderzoek kunnen worden gebruikt om prioriteiten te stellen in het arbeidsomstandighedenbeleid – maar ook daarbuiten. Waarbij dan overigens niet alleen gekeken moet worden naar het financiele belang van werkgevers. Als dat de belangrijkste overweging is om in arbo te investeren, hoeft er bijvoorbeeld weinig te worden gedaan aan karoshi. Een acute hartstilstand leidt immers niet tot verzuim. Het denken over arbeidsomstandigheden mag, in dit licht, zich dan ook niet beperken tot kosten/baten-afwegingen en terugdringing van regeldruk. Zoals Geers al aangeeft in zijn reactie: ‘het gaat echt over grondrechten’. Waarbij het recht op leven toch wel het meest fundamentele recht is.’

 

KAMERVRAGEN

 

In zijn antwoorden op Kamervragen van Van Egersloot (VVD) en De Wit (SP) over het onderzoek naar ‘werkgerelateerde sterfte’ van de Universiteit van Amsterdam maakte staatssecretaris Van Hoof (SZW) gewag van twee studies ‘om nog beter zicht te krijgen op de problematiek’: blootstelling aan gevaarlijke stoffen en werkdruk.

 

De studies blijken al sinds eind vorig jaar te lopen en worden in opdracht van het ministerie door het RIVM en TNO verricht. Er is dus geen direct verband met het uitbrengen van Popma’s rapport. De onderzoeken beperken zich niet alleen tot de indicator ‘sterfte’ zoals in het FNV-onderzoek. Doel is een goed beeld te krijgen van de totale effecten van werkdruk en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek, zo zegt een woordvoerder van het ministerie. De onderzoekers raadplegen experts en bestaande bronnen. De resultaten ervan worden pas na de zomer verwacht.

 

Overigens hamert de staatssecretaris in zijn antwoorden vooral op zijn wens werkgevers en werknemers een sterkere eigen verantwoordelijkheid te geven bij het naleven van de arboregelgeving.

 

 

Reageer op dit artikel