artikel

Uitlenend bedrijf verantwoordelijk voor dodelijk ongeval

Wetgeving

Rechtbank Rotterdam

1 april 2009

10/75227-07/1110

LJN BI2828

 

Wettelijk kader: Artikel 5, 8 en 32 Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 3.17 Arbeidsomstandighedenbesluit

 

Samenvatting

Feiten

Bij de aanleg van een watertransportleiding in oktober 2005 vindt een ongeval plaats omdat tijdens het koppelen van boorstangen, de kleding van een werknemer door een draaiende boorstang wordt gegrepen. Hij loopt ernstig letsel op en overlijdt later. Het openbaar ministerie gaat over tot vervolging van de vennootschap op grond van art. 32, eerste lid Arbeidsomstandighedenwet 1998. De rechtspersoon heeft volgens het Openbaar Ministerie nagelaten maatregelen te treffen terwijl hij wist of had kunnen weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van medewerkers te verwachten is. Er ontbrak een risico-inventarisatie & -evaluatie (art. 5, 1e lid Arbowet ’98), de werknemers waren niet voorgelicht over de gevaren en de getroffen maatregelen (art. 8, 1e lid Arbowet ’98) en het gevaar om bekneld te raken was onvoldoende voorkomen of beperkt (art. 3.17 Arbobesluit ’98). Het Openbaar Ministerie eist een boete van 35.000 Euro. De advocaat van de werkgever voert aan dat de rechtspersoon geen werkgever was omdat het om een uitgeleende arbeidskracht ging. Verder is aangevoerd dat de veiligheidsinstructies en getroffen veiligheidsmaatregelen wel degelijk doeltreffend en adequaat waren.

 

Oordeel Rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake was van een arbeidsrelatie. Het uitlenend bedrijf is daarmee verantwoordelijk voor de veiligheid op het werk. Ook acht de rechtbank van belang dat de drie werknemers die waren betrokken bij de boorwerkzaamheden geen ervaring hadden met dit werk. De voorman had weliswaar mondelinge werkinstructies gegeven maar deze waren niet schriftelijk vastgelegd. Ook waren diens toezichthoudende taken niet formeel geregeld. Verder is gebleken dat het koppelen van de boorstangen met een draaiende boor en boorstangen gebeurde, zonder dat de boorstangen waren afgeschermd. Ten slotte waren geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat iemand in aanraking kon komen met de draaiende boorstang. Na het ongeval bleken deze maatregelen op betrekkelijk eenvoudig wijze gerealiseerd te kunnen worden. Blijkens de wetsgeschiedenis staat in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers in verband met de arbeid centraal. In artikel 32 van deze wet is een algemene zorgplicht opgenomen die zich tot de werkgever richt. De werkgever wordt verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of daarop rustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer medewerkers ontstaat of te verwachten is. De rechtbank is van oordeel dat de werkgever ernstig is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar medewerkers bij het uitvoeren van de hun opgedragen werkzaamheden. De rechtbank overweegt voorts dat het voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon niet van belang is, of het slachtoffer eventueel onvoorzichtig zou hebben gehandeld. Een werkgever is verplicht om de omstandigheden in het bedrijf voor werknemers zo veilig mogelijk te maken. Werknemers moeten er op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid bij de arbeid te waarborgen. Dit staat los van de eigen verantwoordelijkheid die werknemers hebben op het gebied van de veiligheid. De rechtspersoon is niet eerder veroordeeld maar de rechtbank rekent het wel aan dat een eerder bedrijfsongeval met dodelijke afloop kennelijk niet genoeg was om adequate maatregelen te treffen op het gebied van veilige werkomstandigheden. Alles afwegend acht de rechtbank een geldboete van 20.000 Euro passend.

 

Aantekening

Door de raadsman van de werkgever is aangevoerd dat het bedrijf geen werkgever was van de werknemer omdat deze was uitgeleend aan een ander bedrijf. De rechtbank concludeert echter dat de raadsman dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd en stelt vast dat er tussen de werkgever en de werknemer wel een arbeidsrelatie bestond. Dat wil zeggen dat er werkzaamheden werden verricht krachtens een arbeidsovereenkomst zodat sprake was van werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid sub a 1o van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Vervolgens overweegt de rechtbank dat zelfs als het slachtoffer uitgeleend zou zijn aan een andere vennootschap de verdachte rechtspersoon ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet is aan te merken als werkgever. Het verweer dat de verdachte rechtspersoon ten opzichte van het slachtoffer geen werkgever is als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, treft derhalve geen doel. Helaas is dit oordeel van de rechtbank verder niet gemotiveerd omdat het wel vragen oproept. De wet lijkt toch als verantwoordelijke aan te wijzen ofwel de partij die een kracht inleent ofwel de partij die zelf tewerkstelt. Hier lijkt ook de uitlener verantwoordelijk te worden gemaakt. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het in strafrechtelijke zin niet uitmaakt of het slachtoffer zelf een verwijt gemaakt kan worden over de oorzaak van het ongeval. Dit begrip ‘eigen schuld’ speelt wel een belangrijke rol in het kader van de vaststelling van aansprakelijkheid en schadevergoeding. In strafrechtelijke zin kan de werkgever dus niet volstaan met afschuiven van de verantwoordelijkheid op de werknemer.

 

Let op

Werknemers moeten er op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met de arbeid te waarborgen. Dit staat los van de eigen verantwoordelijkheid die werknemers hebben op het gebied van de veiligheid.

mr. G.S. de Haas

Reageer op dit artikel