Taxichauffeur vecht boete aan
De hoogte is 75 euro, wegens het 'als bestuurder of passagier geen gebruikmaken van een autogordel' op 16 maart 2007 om 17.13 uur op de Hobbemakade te Amsterdam. Hij vecht de boete aan bij de kantonrechter, maar die stelt hem in het ongelijk. De chauffeur stapt naar het gerechtshof. Hij erkent dat hij geen gebruikmaakte van de gordel, maar stelt dat dit was toegestaan op grond van de wet. Hij reed namelijk in een personentaxi en een chauffeur die bezig is met personenvervoer is op grond van de Wet personenvervoer 2000 niet verplicht een autogordel te dragen. Dat staat los van het feit of er nu wel of geen passagiers in de taxi zaten. Het hof geeft aan dat in artikel 59, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) staat dat bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers gebruik moeten maken van de voor hen beschikbare autogordel. Het zesde lid van dit artikel geeft als uitzondering dat deze verplichting niet geldt tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Uit het proces-verbaal blijkt dat de chauffeur zijn gordel niet droeg en dat er geen passagiers in de auto zaten. De chauffeur bestrijdt ook niet dat hij alleen in de taxi zat. Het hof vindt daarom dat de boete terecht is opgelegd. Immers, de wetstekst van artikel 59, zesde lid, RVV 1990 moet zo worden gelezen dat de uitzondering op de gordelplicht slechts geldt als er daadwerkelijk personen tegen vergoeding worden vervoerd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Twee maanden later is ze op verzoek van de werkgever weer teruggekomen. In april 2007 komt er een nieuwe marketing director. In juni 2007 beklaagt de vrouw zich bij de vicepresident marketing over de wijze van leidinggeven door deze marketing director. De vicepresident besluit voorlopig de ontwikkelingen af te wachten. De manager finance & staff doet niets met de klachten van de vrouw en ook de vertrouwenspersoon weet niet wat hij met de klachten aan moet. In november 2007 meldt de vrouw zich ziek. In december stuurt ze een brief aan de hoogste baas, de CEO. Die formeert een klachtencommissie, die vervolgens de klachten ongegrond verklaart. Wel stelt de commissie enkele aanbevelingen op over de rol van de vertrouwenspersoon en de bedrijfsarts. De vrouw verzoekt daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding. De kantonrechter stelt vast dat ook uit verklaringen van collega's blijkt dat de marketing director zich meerdere malen ongepast seksueel heeft uitgelaten en een negatieve stijl van leidinggeven had. Maar de werkgever weerspreekt dat, ook ondersteund door de nodige verklaringen. Verdere bewijslevering is in de ontbindingsprocedure niet mogelijk. De klachtenprocedure had daarin kunnen voorzien, maar dat is niet gebeurd. Maar de kantonrechter is van oordeel dat wel duidelijk is dat er bij de werkgever een cultuur bestond waarin het maken van seksueel getinte opmerkingen of grappen geaccepteerd werd. Ook de vrouw zelf deed daaraan mee. In haar functie als lid van het managementteam had je van haar mogen verwachten dat zij daartegen zou optreden. De werkgever kan worden verweten dat op de klachten noch door de bedrijfsarts noch door de vertrouwenspersoon adequate actie is ondernomen. Er was ook geen leidinggevende aanwezig die verantwoordelijk en aanspreekbaar was voor de bejegening van de vrouw. Pas na een formele klacht bij de CEO werd actie ondernomen. Er is toen in allerhaast een klachtencommissie geformeerd, waarbij meerdere procedurele onzorgvuldigheden zijn begaan. Gezien al deze omstandigheden acht de kantonrechter een vergoeding op basis van C = 2,5 billijk. Dat komt neer op ruim 41.000 euro. De eerdere arbeidsperiode wordt daarbij buiten beschouwing gelaten, omdat de vrouw toen zelf ontslag had genomen.
Die is volgens hem veroorzaakt door blootstelling aan organische oplosmiddelen. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk.</P><P>Het hof hoort veel getuigen. Het blijkt dat bij de productieprocessen gebruik werd gemaakt van diverse organische oplosmiddelen in een niet geheel gesloten systeem. Bij bepaalde werkzaamheden werd een deel van het systeem geopend, waarbij oplosmiddelen vrij kwamen en blootstelling plaatsvond. Ook bij storingen en calamiteiten kwamen oplosmiddelen vrij. Maar tijdens het dienstverband van de werknemer werd het productieproces steeds meer gesloten. Ook zijn er maatregelen genomen, zodat storingen minder vaak optraden. Daardoor is de blootstelling van de werknemer niet steeds hetzelfde geweest. Dat hij is blootgesteld aan organische oplosmiddelen kan wel worden aangenomen. Maar de mate waarin dit het geval is geweest, wordt niet duidelijk. In aanmerking wordt genomen dat vrijwel alle getuigen gedurende een lange reeks van jaren bij het bedrijf hebben gewerkt en dat storingen beter in het geheugen blijven hangen dan vlot lopende processen. Daar komt bij dat het personeel, waaronder ook de werknemer, bij de werkzaamheden waarbij blootstelling plaatsvond, vrijwel altijd persoonlijke beschermingsmiddelen droeg, zoals een Van de Grintenkap of een volgelaatsmasker met filterbus. Over de concentratie oplosmiddel in de inademingslucht zijn weinig gegevens bekend, die moet dus geschat worden. Daarbij acht het hof van belang dat de reukgrens ver beneden de MAC-waarde lag en dat de werknemers direct actie ondernamen als er sprake was van stank. Ook waren de binnenruimtes voorzien van ventilatie en waren plaatsen waar het systeem (indien nodig) werd geopend, voorzien van puntafzuigingen. Er zijn dus nogal wat factoren die maken dat het (toch al onduidelijke) beeld van de mate van blootstelling aanzienlijk moet worden gerelativeerd. Door partijen ingeschakelde deskundigen strijden over de hoogte van de vermoede blootstelling. Het hof kiest voor de schattingen van de door het bedrijf ingeschakelde deskundige. Het gaat er bij de beoordeling van het bewijs niet alleen om dat de werknemer aantoont dat hij tijdens zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke stoffen, maar ook dat hij aannemelijk maakt dat zijn gezondheidsklachten daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Volgens het hof is de werknemer er niet in geslaagd aan te tonen dat zijn gezondheidsklachten arbeidsgerelateerd zijn. De vordering wordt afgewezen. Aan de vraag of de werkgever al dan niet heeft voldaan aan zijn zorgverplichting wordt daarom niet toegekomen. De werknemer gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Maar die is van oordeel dat de aangevoerde klachten onvoldoende rechtsgrond hebben. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Dat gebeurt op een centrale afdeling, maar zij mag dit doen op een politiebureau in de buurt van haar woonplaats. De bonnen worden pakketsgewijs verzonden of persoonlijk op het politiebureau afgeleverd. Na invoering stuurt de medewerkster de bonnen terug en vraagt dan per e-mail toezending van nieuwe bonnen. In maart 2005 haalt de reinigingsdienst van haar woonplaats op verschillende plaatsen, waaronder de woonwijk van de vrouw, vuilniszakken op die te vroeg waren buiten gezet. Om de identiteit van de overtreders te achterhalen, onderzoeken de mannen van de reinigingsdienst de zakken op adresgegevens. In een van de vuilniszakken vinden ze ruim 170 parkeerbonnen die nog niet in het systeem waren verwerkt. In de betrokken vuilniszak treffen ze geen gegevens aan over de identiteit van de overtreder. Omdat men vermoedt dat de bonnen van de medewerkster afkomstig zijn, stelt de korpsbeheerder een disciplinair onderzoek in, met als gevolg dat onvoorwaardelijk ontslag wordt opgelegd. Het beroep van de vrouw wordt door de rechtbank gegrond verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat zij de bonnen in de vuilniszak heeft gedaan. Er waren op de bewuste dag in totaal 25 te vroeg buiten geplaatste vuilniszakken opgehaald, en niet alleen in de wijk van de vrouw. Niet duidelijk is waar precies de bewuste vuilniszak is opgehaald. Ook staat onvoldoende vast dat zij de aangetroffen bonnen in haar bezit heeft gehad. Destijds werd niet geregistreerd aan wie welke bonnen werden uitbesteed. Verder was er onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van andere personen die baat konden hebben bij het verdwijnen van de bonnen. De korpsbeheerder gaat in beroep. De Centrale Raad van Beroep stelt voorop dat op geen enkele wijze direct bewijs is geleverd dat de in de vuilniszak aangetroffen bonnen door de vrouw erin zijn gedaan noch dat deze bonnen in haar bezit zijn geweest. Ook is niet duidelijk hoe die oude, niet in het systeem ingevoerde bonnen nog in haar bezit konden zijn, zeker nu zij kort daarvoor om een nieuwe zending bonnen had gevraagd. Het betreft hier (parkeer)bonnen die snel en eenvoudig ingevoerd kunnen worden. Ten slotte oordeelt de Raad dat het belang dat de medewerkster volgens de korpsbeheerder zou hebben gehad bij het wegdoen van de bonnen, speculatief van aard is en van onvoldoende betekenis om het plichtsverzuim als (voldoende) vaststaand aan te nemen. Het beroep wordt verworpen.
<p>De precieze gevolgen worden uit het proces-verbaal van de zitting niet duidelijk, wel dat de kantonrechter in maart 2006 de vordering heeft toegekend. De werkgever gaat in beroep. Hij vindt dat hij wel aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Het ongeval is gebeurd doordat de werknemer in een loods met de lepels van de heftruck nogal laag over de grond heeft gereden en toen is gebotst op een randje of waterkering van 10 cm hoog. Het gerechtshof stelt vast dat de kern van het geschil de vraag is of de werkgever aan zijn zorgplicht (art. 7:658 BW) heeft voldaan. Van een werkgever kan in beginsel niet het onmogelijke worden verwacht in het nakomen van zijn zorgplicht. Maar van een werkgever mag meer worden geeist bij het treffen van voorzorgsmaatregelen dan hier het geval was. Op heftrucks als die waarmee het ongeval is gebeurd, was sinds december 1998 een veiligheidsgordel verplicht. Deze heftruck is van het bouwjaar 1998, maar werd afgeleverd voordat de gordelplicht was ingevoerd. Toch had de werkgever als aanvullende veiligheidsmaatregel in deze vorkheftruck een gordel moeten aanbrengen. Er waren kennelijk redenen om de gordelplicht wettelijk in te voeren. Van een werkgever mag dan verwacht worden dat hij zijn bedrijfsmiddelen naar de nieuwe inzichten inricht. Zeker als het aanbrengen van een veiligheidsgordel geen ingrijpende maatregel is en de kosten ervan betrekkelijk gering zijn. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat het minder relevant is dat de reden voor de gordelplicht ligt in het voorkomen van letsel bij kantelen van de heftruck. De essentie is dat het gaat om een middel dat beoogt letsel bij ongevallen te voorkomen. Het hof vindt dan ook dat de werkgever niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat de Arbeidsinspectie heeft geconstateerd dat er geen overtreding van de Arbowet heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af. Om te voldoen aan de zorgplicht van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek is enkel het naleven van wettelijke voorschriften niet voldoende. Het beroep wordt verworpen.</p>
Zij zijn zo tegen elkaar geplaatst dat de deurkozijnen in de voorgevel zich naast elkaar bevinden. De deuren staan normaal open. In elk van de deurkozijnen zit een dorpel met een geribbeld aluminium profiel. Voor de twee deuren is met haken een opstapje vastgezet, met daarop een vloerbedekking van vilt. De buitenste rand is afgewerkt met een aluminium profiel van 40 mm breed waarin een rubber strip van 25 mm. De werknemer valt in november 1999 bij het overstappen van de ene cabin naar de andere en loopt letsel op. Hij vordert vergoeding van de schade. Hij vindt dat de werkgever niet aan zijn zorgverplichting op grond van art. 7:658 BW heeft voldaan. Hij is uitgegleden over de gladde chromen strip aan de buitenkant van het opstapje en dat was een onveilige werksituatie. De werkgever bestrijdt dit en stelt dat de werknemer zich als een soort Tarzan van de ene ruimte naar de andere heeft geslingerd waarbij hij zich aan de deurpost vasthield. Hij is gevallen doordat zijn hand van de deurpost afgleed. Het opstapje en de deurpost voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het opstapje heeft een metalen strip die niet glad is, maar uitglijden juist moet voorkomen. De kantonrechter wijst de vordering toe, het gerechtshof wijst de vordering af. De werknemer gaat in cassatie. Het opstapje is misschien als een trap te zien, maar voldoet dan niet aan het Bouwbesluit 2003. De breedte is slechts 510 mm, terwijl dat minimaal 700 mm moet zijn. En dat zou volgens het hof niet relevant zijn. De Hoge Raad ziet dat echter anders. Deskundigen van TNO-bouw hebben vastgesteld dat door de geringe afmeting van het opstapje er een risico bestaat dat men zijn voet niet voldoende op de opstap kan zetten. Daarmee is niet aan de bedoelingen van de bouw- en arboregelgeving voldaan. Uit de rapportage van de deskundigen kan de Raad niet anders concluderen dan dat er door de afmetingen van het opstapje een onveilige situatie bestond bij het gaan van de ene naar de andere kantoorruimte via het opstapje. Dat rapport heeft de werkgever niet bestreden en daarom heeft de Raad het als juist aanvaard. Als ervan wordt uitgegaan dat de werknemer uitgleed over de strip aan de buitenkant van het opstapje, dan houdt het ongeval direct verband met het lopen over dit opstapje van de ene cabin naar de andere. Het is dan zeker niet uitgesloten dat hij juist door de te geringe afmetingen van het opstapje met zijn voet deels op de strip en deels daaroverheen terechtkwam. Daarom is het onbegrijpelijk dat het hof van oordeel was dat het feit dat de afmetingen van het opstapje in strijd zijn met de geldende bouwkundige normen, in dit geval niet relevant was. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar een ander hof.
De zakken leggen ze op een band van een palletiseermachine. De hele operatie duurt ruim anderhalf uur. De inspecteur is van oordeel dat de werknemers aan zware fysieke belasting worden blootgesteld, met een gerede kans op ernstige gezondheidsschade. Dit betekent een overtreding van art. 5.2 en 5.3 Arbobesluit: het gevaar voor de gezondheid voorkomen of zoveel mogelijk beperken. <P>Op grond van art. 27 Arbowet stelt de inspecteur twee eisen. Zakken van 25 kilogram mogen niet structureel handmatig getild worden. En zo mogelijk moeten de restrisico's worden opgenomen in een RI&E, waarbij hij aanraadt de NIOSH-rekenmethode voor tilsituaties te hanteren. Aan deze eisen moet de expediteur binnen drie maanden voldoen. Beroep bij de minister van SZW is vergeefs en de werkgever stapt naar de rechtbank. Hij is van mening dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om gezondheidsschade te voorkomen. Door het gebruik van een palletiseermachine wordt de fysieke belasting, aanwezig bij containers die 'los geladen' zijn en dus gedeeltelijk handmatig gelost moeten worden, zoveel mogelijk beperkt. Verder worden ook veel containers gelost met producten die al op pallets gestapeld zijn. Het werk wordt regelmatig door pauzes onderbroken en er is taakroulatie. Het bedrijf is sinds 2006 ook aangesloten bij een arbodienst. De werkgever heeft, vergeleken met de concurrentie, veel geinvesteerd in technische oplossingen en hij beroept zich dan ook op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank begrijpt dat de loopband van de palletiseermachine niet lager kan worden opgesteld dan 30-35 cm boven de containervloer. Ondanks het gebruik van de zeer geavanceerde palletiseermachine blijkt uit de NIOSH-methode dat de zakken 7 kilo te zwaar zijn. Dat betekent dus, ook volgens de rechtbank, dat daardoor gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer kan ontstaan. Het gaat dan niet om een verwijt, maar om een feitelijke vaststelling. Daarom is de eis tot naleving terecht gesteld. Maar in het rapport van de arbodienst was het tilwerk en de daaruit voortvloeiende fysieke belasting al uitvoerig besproken. Ook waren er diverse maatregelen voorgesteld, zoals voldoende afwisseling, job-rotation en voorlichting over de juiste manier van tillen, alsmede inschakeling van een ergonoom. De uitkomst van deze RI&E was al voor het opleggen van de eis in het bedrijf besproken. Dat heeft de werkgever ook in zijn bezwaarschrift vermeld, maar daar is niets mee gedaan. Gezien het heroverwegingskarakter van de bezwaarschriftprocedure had dit wel van de minister mogen worden verwacht. Zeker nu de RI&E mede onderwerp van de eis was! De reactie op het bezwaarschrift is daarmee in strijd met art. 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart daarom het beroep van de werkgever wegens onvolledige heroverwegingen en onvoldoende motivatie gegrond.
Uit onderzoek blijkt namelijk dat haar partner een cannabisproduct heeft gebruikt waardoor zijn rijvaardigheid mogelijk negatief is beinvloed. De werkgever vindt dat de vrouw de schade moet vergoeden. Hij baseert zich primair op een onrechtmatige daad en subsidiair op de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst van de werkneemster. Volgens hem is het onrechtmatig dat de vrouw de autosleutels op een plaats liet liggen waar ook haar partner bij kon. De kantonrechter oordeelt dat bij de toetsing van een onrechtmatige daad de beperking van aansprakelijkheid van art. 7:661 BW moet worden betrokken. In dat geval is het relevant dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw ermee bekend was dat haar partner cannabisproducten gebruikte en daardoor niet in staat zou zijn een auto naar behoren te besturen. Ook is niet gesteld of gebleken dat de partner al eerder wegens dit gebruik en/of wegens verkeersongevallen waarbij van dergelijk gebruik sprake was, met de politie in aanraking is geweest. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van schade die door de werkneemster is veroorzaakt in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Daarom is toetsing aan art. 7:661 BW niet aan de orde. Ook kan niet gezegd worden dat de vrouw zich onrechtmatig heeft gedragen door de autosleutels op een plaats te laten liggen waar ook haar partner bij kon. Op grond van de geldende leaseautoregeling mocht zij leden van haar gezin in de auto laten rijden zonder dat zij daarbij aanwezig was. Zij heeft de regeling van de werkgever dus niet overtreden en dus niet in strijd met art. 7:611 BW (goed werknemerschap) gehandeld. De vordering wordt afgewezen.
<p>De vrouw gaat nog enige tijd zittend door met haar werk, maar meldt zich aan het eind van de werkdag ziek. Dezelfde avond nog bezoekt ze haar huisarts. In haar voet ontstaat daarna dystrofie, met als gevolg dat zij haar rechterbeen niet meer kan belasten. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat hij van oordeel is dat de werkgever niet in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten. De vrouw gaat in beroep. Het gerechtshof bespreekt eerst het verweer van de werkgever. Dat komt erop neer dat niet is aangetoond dat het ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is gebeurd. Dat verweer wordt door het hof verworpen. Twee leidinggevenden hebben immers verklaard dat de vrouw bij hen heeft gemeld dat zij haar been bezeerd had en ook staat vast dat de vrouw die avond haar huisarts heeft bezocht. Die heeft haar vervolgens naar een reumatoloog doorverwezen. Voor wat betreft de zorgplicht overweegt het hof dat niet is weersproken dat het tot de taak van de vrouw behoorde om lege pallets, die een gewicht van 25 kilo hebben, op te ruimen. Daarnaast moest zij blikken verf van 10 kilo in de schappen zetten. Dit werk bracht het risico met zich dat een zwaar voorwerp - een pallet of blik verf - op haar voeten zou vallen. Aan de vrouw zijn echter geen veiligheidsschoenen verstrekt, terwijl de werkgever dergelijke schoenen wel verstrekte aan personeel in het magazijn, aan personeel dat met zware onderdelen werkt en personeel dat uitsluitend afgeleverde goederen in ontvangst neemt. Daarmee is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Daar komt bij dat de werkgever geen RI&E heeft overlegd, hoewel er een advies van de arbodienst was over het dragen van veiligheidsschoenen. De werkgever is daarom aansprakelijk voor de schade. </p>