artikel

Bedrijfsfitness lijkt zichzelf terug te verdienen

Geen categorie

Het Shell-gebouw beschikte niet over een lege ruimte die meteen te gebruiken was voor fitnesstraining.

 

Er moest daarom eerst verbouwd worden.

 

De kosten daarvan bedroegen 280.000 euro. Met de aanschaf van apparatuur was 69.885 euro gemoeid.

 

Voor beide posten is uitgegaan van een afschrijvingstermijn van vijf jaar.

 

De jaarlijkse operationele kosten bedragen voor schoonmaak 7.800 euro en voor energie- en onderhoudskosten 7.500 euro per jaar. Sommige kosten zijn afhankelijk van het aantal deelnemers, zoals de kosten van de fitheidstesten en orientatietrainingen die High Five afneemt. Hoewel de werknemers onder werktijd trainen, zijn de kosten door verloren productiviteit niet meegenomen. De reden hiervoor heeft te maken met het feit dat de medewerkers flexibele werktijden hebben en een behoorlijke eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot hun werkzaamheden en taken. Hierdoor treedt in de praktijk nagenoeg geen productiviteitsverlies op.

 

De totale kosten die High Five in rekening brengt, betreffen organisatie, administratie, fitheidstesten, orientatietrainingen, instructie en materiaal. In totaal een bedrag van 220.182 euro over de periode januari 2002 tot en met augustus 2003. Deze kosten zijn onderverdeeld per periode en gedeeld door het aantal leden in die periode.

 

Nagegaan is of het fitnessprogramma het ziekteverzuim positief heeft beinvloed. De kosten van ziekteverzuim zijn berekend aan de hand van de pensioenbasissalarissen (PBS) over de jaren 2001, 2002 en 2003. De extra werkgeverslasten worden geschat op 35 procent van de PBS-kosten. Deze kosten zijn dus bij de PBS-kosten opgeteld. Verder is een elasticiteit van 0,8 gehanteerd. Dit wil zeggen dat een verzuim van honderd procent gepaard gaat met een verlies aan productiviteit van tachtig procent.

 

In de periode januari 2002 tot en met augustus 2003 hebben in totaal 631 personen deelgenomen aan fitnesstraining, 50 aan groepstraining en 44 aan het revalidatieprogramma. Vanwege het geringe aantal deelnemers aan de groepstraining zijn deze samengenomen met de fitnesstraining. Eveneens door het kleine aantal zijn de deelnemers aan het revalidatieprogramma buiten beschouwing gelaten.

 

Het uiteindelijke totaalbestand besloeg 1272 werknemers: 533 ‘ooit-deelnemers’ en 739 ‘nooitdeelnemers’ aan het bedrijfsfitnessprogramma. De volledige gegevens waren niet van alle personen beschikbaar door het later in dienst treden (na 2001) of het uit dienst treden.

 

Van de werknemers die de gehele periode geregistreerd stonden als lid van High Five (n = 264), de ‘continue deelnemers’, was de gemiddelde deelnamefrequentie per maand 3,1. Deze deelnemers zijn onderverdeeld in regelmatige deelnemers (gemiddelde deelname (3 x per maand) en niet-regelmatige deelnemers (gemiddelde deelname <3 x per maand). De regelmatige deelnemers (n = 126) trainden gemiddeld 4,6 keer per maand, de nietregelmatige (n = 138) gemiddeld 1,8 keer per maand. Figuur 1 geeft een meer gespecificeerde frequentieverdeling. De meeste deelnemers trainen twee tot drie keer per maand (26,5%).

 

Figuur 1. Verdeling (in %) deelnemers per deelnamefrequentie

 

 

In tabel 2 staan de ziekteverzuimgegevens per periode en per groep vermeld. In het jaar voorafgaand aan de start van het fitnessprogramma (2001) was er niet of nauwelijks een verschil in verzuimduur tussen de nooit-deelnemers en de ooit-deelnemers 11,7 dagen in beide groepen) en tussen de nooitdeelnemers en de continue deelnemers (11,7 versus 11,2 dagen). De gemiddelde ziekteverzuimduur bleek bij de nooit-deelnemers in 2002 nauwelijks veranderd. De ooit-deelnemers en de continue deelnemers lieten daarentegen een daling zien in het verzuim, respectievelijk van 11,7 naar 9,3 dagen en van 11,2 naar 9,0 dagen. Uit de analyse waarbij gecorrigeerd was voor leeftijd, geslacht en verzuimduur in 2001 bleek dat de ooit-deelnemers en de continue deelnemers in 2002 significant minder verzuimden ten opzichte van de nooit-deelnemers.

 

Voor de periode januari tot en met augustus 2002 ten opzichte van diezelfde periode in 2001 was een overeenkomstig patroon te zien als voor het hele jaar. Verschillen met de nooit-deelnemers waren statistisch significant. In 2003 echter hadden alle groepen weer te maken met een toename in de gemiddelde verzuimduur en was er geen significant verschil meer tussen de groepen.

 

TABEL 1. KOSTENOVERZICHT BEDRIJFSFITNESSPROGRAMMA

 

 

De nooit-deelnemers hadden over elke periode de hoogste kosten als gevolg van ziekteverzuim (tabel 3). De andere groepen lieten in 2002 allemaal een daling zien in de gemiddelde ziekteverzuimkosten ten opzichte van 2001. Bij de ooit-deelnemers was die daling met 357 euro het hoogst. De ooit-deelnemers en de continue deelnemers hadden in 2002 significant minder verzuimkosten ten opzichte van de nooit-deelnemers. In 2003 waren deze verschillen verdwenen.

 

De regelmatige deelnemers hadden in 2002 de laagste totale kosten (tabel 3). De baten ten opzichte van de nooit-deelnemers kwamen daarbij neer op een gemiddeld bedrag van 383 euro per persoon (tabel 4). Dit verschil is veroorzaakt door de daling van de verzuimkosten onder de regelmatige deelnemers in tegenstelling tot de nooit-deelnemers, die gelijk bleven in de verzuimkosten. Er was ook een aanvankelijk groot (niet-significant) verschil in verzuimkosten tussen deze groepen, maar daarvoor was in de analyse gecorrigeerd. De verschillen in de totale kosten in 2002, gecorrigeerd voor de kosten in 2001, tussen de ooit-deelnemers of de (niet-)regelmatige deelnemers en de nooit-deelnemers waren overigens niet statistisch significant (p = 0,080 resp. p = 0,103).

 

Voor de driekwart jaarlijkse (jan-aug) perioden in 2002 en 2001 was een zelfde patroon aanwezig (tabel 3 en 4). Echter, hier was in 2002 wel een statistisch significant verschil gevonden in het voordeel van de ooit-deelnemers en de (niet-)regelmatige deelnemers (p = 0,044 resp. p = 0,041). Met uitzondering van de niet-regelmatige deelnemers, bleef deze gunstige kosten-batenbalans bestaan in het tweede jaar van het fitnessprogramma (2003), maar verschillen waren niet meer significant. De niet-regelmatige deelnemers hadden in 2003 een stijging in de verzuimkosten ten opzichte van 2002, waardoor de totale kosten gelijk waren aan de totale kosten van de nooit-deelnemers (tabel 3).

 

TABEL 2. GEMIDDELDE (STANDAARDDEVIATIE) ZIEKTEVERZUIMDUUR (IN DAGEN) PER GROEP

 

 

Opvallend was dat alle deelnemersgroepen in 2002 een daling in de gemiddelde verzuimduur en verzuimkosten hadden ten opzichte van 2001. In 2003 nam het verzuim vervolgens weer toe. Niet duidelijk is of er hier sprake is van een kortstondige daling in het verzuim, of dat er na enige tijd een ‘uitdoving van het effect’ van het bedrijfsfitnessprogramma optreedt.

 

Ondanks het feit dat Shell Amsterdam al enige jaren een erg laag ziekteverzuim heeft (circa 2%), toont het onderzoek een gunstige kosten-batenbalans aan waarbij de nooit-deelnemers in alle jaren de hoogste kosten hadden en de regelmatige deelnemers de laagste. Door een daling in de verzuimkosten onder de groep die ooit, maar vooral de groep die regelmatig deelgenomen heeft, zijn de kosten van het bedrijfsfitnessprogramma gecompenseerd.

 

Hierbij dient overigens opgemerkt te worden dat een equivalente controlegroep ontbrak en een vergelijking plaatsvond tussen vrijwillige deelnemers en vrijwillige niet-deelnemers. Omdat op deze manier selectieprocessen niet uitgesloten kunnen worden, dienen de resultaten als indicatie beschouwd te worden en kunnen op basis van deze resultaten geen harde, causale uitspraken worden gedaan.

 

TABEL 3. OVERZICHT VAN DE GEMIDDELDE KOSTEN (IN EURO) PER GROEP PER JAAR

 

 

TABEL 4. OVERZICHT VAN DE GEMIDDELDE BATEN (IN EURO)1 PER DEELNEMERSGROEP TEN OPZICHTE VAN DE NOOIT-DEELNEMERS

 

 

Reageer op dit artikel