artikel

De paprika wordt duur betaald

Geen categorie

Bij het onderzoek is ernaar gestreefd om 500 medewerkers uit de paprikateelt te betrekken. In totaal zijn 110 kassen telefonisch benaderd en werkten 85 bedrijven met een totale oppervlakte van 188 hectare aan het onderzoek mee. Dit komt neer op circa 16 procent van de totale Nederlandse paprikateelt. In vier testblokken zijn 472 personen (97 procent van de benaderde medewerkers) onderzocht.

 

Gemiddeld werkte men 8,5 jaar tussen de paprika’s. De meeste medewerkers waren van het mannelijk geslacht (82 procent) en werkten fulltime (87,3 procent). Van de 472 medewerkers ervoeren er 254 (53,8 procent) allergische klachten tijdens het werk. Dit betrof vooral neusklachten, maar ook oogklachten, huidklachten en kortademigheid (zie tabel 1). Van deze groep gaven 208 werkers aan dat hun klachten verminderden tijdens het weekend of een vakantie.

 

TABEL 1. GEREGISTREERDE ALLERGISCHE KLACHTEN BIJ 254 VAN 472 ONDERZOCHTE WERKERS IN DE PAPRIKATEELT

 

Allergische klachten bij 53,8 procent van de onderzochte medewerkers in de paprikateelt

 

Neusklachten

 

49,4%

 

Oogklachten

 

30,3%

 

H u id klachten

 

17,6%

 

Kortademigheid

 

13,3%

 

 

De deelnemende paprikakassen zijn driemaal bezocht. Het eerste bezoek vond plaats in de bloeiperiode van het gewas. Bij de deelnemende medewerkers werd bloed afgenomen voor het aantonen van allergeenspecifieke antistoffen. Ook vulden zij een ‘kwaliteit van leven’-vragenlijst in. Ter objectivering van beroepsgebonden kortademigheidsklachten werden er gedurende twee weken voor en na het werk piek-flowmetingen verricht. Tijdens het tweede bezoek, buiten de bloeiperiode, zijn priktesten uitgevoerd met zowel gewone inhalatieallergenen (zoals huisstofmijten, gras en berkpollen) als bestanddelen van de paprikaplant (blad, stengel, pollen, meeldraden) en Botrytis cinerea, een van de meest voorkomende schimmels in kassen. Tevens vulden de medewerkers een tweede ‘kwaliteit van leven’-vragenlijst in.

 

Sensibilisatie – de ontwikkeling van allergische antistoffen – voor de eiwitten van de paprikaplant bleek de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van beroepsgerelateerde klachten. Dit verband was het sterkst voor astmaklachten, hoewel die veel minder vaak voorkomen dan klachten als rhinitis (ontsteking van het neusslijmvlies) en conjunctivitis (ontsteking van het bindvlies van het oog). Van alle geteste onderdelen van de paprikaplant bleken de pollen het belangrijkste allergeen te zijn. De paprikapollen zijn niet alleen verantwoordelijk voor een groot deel van de werkgerelateerde klachten, maar ook voor meer ernstige symptomen als astma.

 

In de groep werknemers met symptomen en sensibilisatie voor paprikapollen hadden meer mensen last van astmatische klachten dan in de groep werknemers met symptomen, maar zonder sensibilisatie. Atopie, een erfelijke aanleg voor allergische aandoeningen, bleek ook samen te hangen met het ontstaan van werkgerelateerde klachten van de onderste en bovenste luchtwegen. Het effect hiervan op de ontwikkeling van klachten is echter minder sterk in vergelijking met sensibilisatie voor de paprikaplant en -pollen. Verder bleek ook de leeftijd van werknemers een risicofactor te zijn: op hogere leeftijd was er een duidelijke afname van klachten. Mogelijk is dit te verklaren doordat mensen met allergische klachten het werk in de kas eerder verlaten.

 

Er bleek geen relatie te bestaan tussen enerzijds het hebben van klachten en/of sensibilisatie voor beroepsallergenen en anderzijds het geslacht, het soort kaswerkzaamheden, de oppervlakte van de kas of het aantal werkzame jaren in de paprikateelt. Dit kan verband houden met de continue en chronische blootstelling aan pollen, waardoor een dosisresponsrelatie niet meer te vinden is. Bij 65,7 procent van de medewerkers met werkgerelateerde klachten werd uiteindelijk een IgE-gemedieerde allergie voor de paprikaplant en -pollen vastgesteld. Het was echter de vraag wat de oorzaak van klachten binnen de groep werknemers zonder sensibilisatie zou kunnen zijn.

 

Tijdens het verzamelen van paprikapollen voor de vervaardiging van het pollenextract viel de aanwezigheid op van grote hoeveelheden roofmijten in de bloemetjes van de paprikaplanten. De roofmijt (Amblyseius cucumeris) werd in 1985 in paprikakassen geintroduceerd als een effectieve biologische bestrijder van thrips, de meest voorkomende plaag in de paprikateelt. Toepassing van dit commercieel beschikbare diertje maakt het gebruik van pesticiden overbodig. Het gebruik van de roofmijt is sinds 1985 voortdurend gestimuleerd, hetgeen heeft geleid tot een toegenomen blootstelling van kasmedewerkers aan deze diertjes. Dit zou kunnen leiden tot sensibilisatie en eventueel werkgerelateerde klachten. Daarom leek het essentieel om de invloed van de roofmijt nader te bekijken.

 

Bij 109 van de 472 deelnemende werknemers (23%) werd een positieve huidtest voor de roofmijt gevonden. Bij gesensibiliseerde werknemers kwamen veelvuldig werkgerelateerde klachten voor (76,1%), met als belangrijkste symptomen rhinitis (71,6%) en conjunctivitis (48,6%). IgE-gemedieerde allergie voor inhalatieallergenen, vooral voor de huisstofmijt, bleek een belangrijke risicofactor te zijn voor sensibilisatie voor de roofmijt.

 

Sensibilisatie voor de voorraadmijt (Tyrophagus putrescentiae), die tijdens het kweekproces als tijdelijke voedselbron voor de roofmijt dient, hing in de meeste gevallen (77,4%) samen met sensibilisatie voor de roofmijt. Hoewel er geen nauwe taxonomische relatie is tussen de verschillende mijtsoorten, zijn zij nauw aan elkaar verwant en is kruisreactiviteit niet uit te sluiten.

 

De biologische effecten van de roofmijt op menselijke slijmvliezen, vooral van de neus, en de klinische gevolgen van sensibilisatie zijn aangetoond door middel van neusprovocatietesten. Werknemers met rhinitisklachten reageerden sterker op alle roofmijtconcentraties in vergelijking met werknemers zonder die klachten. Dit verschil was niet waarneembaar wanneer er gekeken werd naar de mate van huidreactiviteit op de roofmijt tijdens de huidtest. Dit betekent dat de neusprovocatietest met roofmijten gevoeliger en dus beter is dan de huidtest ter onderscheiding van gesensibiliseerde werknemers met en zonder rhinitisklachten.

 

In de studie is ook de mogelijkheid van kruisreactiviteit tussen paprika- en gewone pollen onderzocht. Sera van tien symptomatische kaswerknemers, gesensibiliseerd voor paprikapollen en met positieve huidtesten voor berk, gras en/of bijvoetpollen, zijn geselecteerd en geanalyseerd. Vervolgens zijn er IgE-antilichaammetingen, RAST-remming en immunoblot-experimenten uitgevoerd. Met gras, berk en bijvoetpollen werd er geen of weinig remming gezien van IgE-binding aan het paprikapollenextract. Dit suggereert dat paprikapollen allergenen bevatten die geen of beperkte kruisreactiviteit vertonen met gewone pollenallergenen. Sensibilisatie voor paprikapollen is daarom niet het gevolg van een primaire sensibilisatie voor gewone pollenallergenen. Dit heeft consequenties voor de dagelijkse praktijk: een negatieve huidtest voor ‘gewone’ inhalatieallergenen sluit de aanwezigheid van een IgE-gemedieerde beroepsallergie immers niet uit.

 

Parallel aan het onderzoek in paprikakassen is een dwarsdoorsnedeonderzoek uitgevoerd onder 104 medewerkers van Nederlandse chrysantenkassen. Ook in deze beroepsgroep komen werkgerelateerde klachten veelvuldig voor (56,7%). Bij 20,2 procent van alle werknemers was sensibilisatie voor chrysantpollen aanwezig. Deze sensibilisatie bleek een belangrijke risicofactor voor het optreden van werkgerelateerde klachten van de bovenste luchtwegen. Rhinitis is duidelijk de belangrijkste klacht. Klachten van de huid en de onderste luchtwegen werden nauwelijks gerapporteerd.

 

Op alle zeven geteste soorten van de chrysantenfamilie zijn positieve huidtesten gevonden. Er lijkt sprake te zijn van een allergie gericht tegen chrysantspecifieke eiwitten. Ook bleek er een nauw verband te bestaan tussen sensibilisatie voor ‘gewone’ pollen en chrysantpollen. Zo was sensibilisatie voor bijvoetpollen alleen aanwezig bij werknemers die gesensibiliseerd waren voor chrysantpollen. Hoewel er sprake kan zijn van kruissensibilisatie, is een op zichzelf staande sensibilisatie voor chrysantpollen niet uit te sluiten.

 

Niet alle werkgerelateerde klachten bleken door een IgE-gemedieerde allergie voor chrysantpollen te verklaren. Symptomatische werknemers kunnen gesensibiliseerd zijn voor een specifieke chrysantsoort of voor andere beroepsallergenen die in de studie niet zijn getest. Aspecifieke hyperreactiviteit, die klachten kan veroorzaken bij blootstelling aan bloemen, pesticiden of een vochtig klimaat, is een andere mogelijkheid.

 

Rhinitisklachten onder medewerkers in de paprikateelt kunnen worden veroorzaakt door zowel een allergie voor paprikapollen en roofmijten als door gewone inhalatieallergenen. De invloed van sensibilisatie voor deze verschillende allergenen op de (rhinitisspecifieke) kwaliteit van leven binnen en buiten de bloeiperiode van het gewas is daarom ook onderzocht. Hierbij is gekeken of de kwaliteit van leven van gesensibiliseerde medewerkers van paprikakassen vergelijkbaar is met die van chrysantenmedewerkers met neusklachten of met mensen die last hebben van een chronische allergische rhinitis. De ‘kwaliteit-van-leven’-vragenlijsten omvatten zeven domeinen: activiteiten, slaap, niet-nasale klachten, praktische problemen, neus- en oogklachten en emoties. Sensibilisatie voor paprikapollen had een duidelijk negatief effect op de gemiddelde kwaliteit van leven en op alle zeven domeinen. Andere allergenen bleken daar juist helemaal geen invloed op te hebben. Daarnaast was er buiten de bloeiperiode van de paprikaplanten een duidelijke afname te zien van alle rhinitisscores. Deze bevindingen suggereren dat de paprikapollen het belangrijkste beroepsallergeen zijn onder kasmedewerkers met allergische klachten. Medewerkers van paprikakassen ondervinden duidelijk meer praktische problemen dan chrysantmedewerkers. Andere relevante verschillen tussen paprika- en chrysantmedewerkers zijn niet gevonden. Onafhankelijk van het oorzakelijke beroepsallergeen is de kwaliteit van leven van symptomatische kasmedewerkers onderling vergelijkbaar.

 

In vergelijking met een gemiddelde bevolkingspopulatie met chronische allergische rhinitis scoorden kasmedewerkers opvallend hoger op beperkingen in activiteiten en veel lager op emotionele, praktische en slaapproblemen. Een gewone allergie heeft dan ook niet meer invloed op het dagelijks leven dan een beroepsallergie. Wel is er een duidelijk verschil in de manier waarop een beroepsgroep gehinderd wordt in het dagelijkse leven ten opzichte van een niet-beroepsgroep.

 

Beroepsallergieen vormen een omvangrijk probleem in de groeiende paprika- en chrysantindustrie. De belangrijkste oorzaak is een hoge en chronische blootstelling aan paprika- en chrysantpollen. Tuinders hebben hierdoor een duidelijk verminderde kwaliteit van leven. Om de blootstelling aan pollen te verminderen, is het gebruik van maskers en afzuiginstallaties boven de planten te overwegen. Ook moeten de mogelijkheden van nieuwe veredelingstechnieken worden bekeken. Wellicht is het mogelijk planten te kweken die met minder pollen toch een goede vruchtzetting hebben. Daarnaast is aandacht nodig voor irrigatietechnieken en de waarde van honingbijen als ‘stuifmeelvangers’. Verder moeten de voordelen van de inzet van de roofmijt als biologisch bestrijdingsmiddel zorgvuldig worden afgewogen tegen de nadelen. Voor wat betreft de arbozorg is individuele medische begeleiding van belang. Medewerkers bijtijds instellen op goede medicatie kan verergering en uitbreiding van klachten voorkomen. Omdat rhinoconjunctivitisklachten vaak voorafgaan aan klachten van de lagere luchtwegen, is controle op bronchiale hyperreactiviteit belangrijk. Kampen kasmedewerkers met beroepsastma, dan is het noodzakelijk om blootstelling volledig te vermijden en moet omscholing naar een andere functie of werkkring worden overwogen.

 

MEER INFO

 

Gisele Groenewoud, Occupational Allergy in Horticulture/Beroepsallergie in de glas- en tuinbouw, Rotterdam, 2004, ISBN 90-90 185 25-9.

 

 

Reageer op dit artikel