artikel

Eén probleem, vele oorzaken

Geen categorie

Is werken in een zwembad slecht voor de ademhaling? Veroorzaakt de chloorlucht klachten als slijm ophoesten, kortademigheid, astma? In een onderzoek werd nagegaan welke chloorverbindingen eventueel problemen veroorzaken. Daarnaast vond er een veldonderzoek plaats. De gegevens zijn gebaseerd op 624 vragenlijsten ingevuld door personeel van 38 zwembaden.

 

Het blijkt dat in zwembaden de aandoeningen 1,4 tot 7 keer vaker voorkomen dan bij de rest van de bevolking, afhankelijk van het aantal uren dat het personeel werkt. Het rapport concludeert echter dat het chloor in het zwemwater niet de oorzaak is, maar dat de bestaande aandoeningen daardoor worden verergerd.

 

‘Het onderzoek kan de onrust wegnemen bij mensen die zich zorgen maken over het optreden van beroepsastma door het werken bij zwembaden’, schrijft Van Hoof in een brief aan de Tweede Kamer. ‘Op basis van de informatie uit het onderzoek mag worden aangenomen dat een dergelijk verband niet bestaat.’

 

Een persbericht licht dit verder toe. ‘Badmeesters en andere werknemers in binnenbaden hebben vaker dan de rest van Nederland klachten over kortademigheid en aanvallen van astma. Boosdoeners zijn de chloramines, die in de lucht komen als zwemmers zich bewegen in water waarin het desinfecteermiddel chloor zit. De onderzoekers noemen het niet waarschijnlijk dat deze chloramines beroepsastma veroorzaken, maar veronderstellen wel dat ze al bestaande allergie en astma verergeren.’

 

Laten we eens kijken of deze conclusie echt voortkomt uit het onderzoek, dat vijf soorten klachten opsomt:

 

– klachten die samenhangen met astma;

 

– klachten van de bovenste luchtwegen (keel, mond, neus, voorhoofd);

 

– rhinitis (ofwel hooikoorts);

 

– huidklachten;

 

– overige klachten.

 

Die soorten zijn weer onderverdeeld. Dat totaal levert 27 stuks op. Voor elk van deze klachten is gekeken of deze samenhangt met kenmerken van de persoon of van het zwembad.

 

Zo is nagegaan hoe groot de kans is op een ‘ja’-antwoord op elk van de 27 vragen naar klachten bij de verschillende functies. De kans op droge hoest bij een toezichthouder is bijvoorbeeld lager (73 procent) dan bij een instructeur (78 procent). Die staat immers iedere dag veel langer in de buurt van het zwembad.

 

Hoe groot is nu de kans dat de klachten specifiek worden veroorzaakt door chloor? Om die vraag te beantwoorden, hebben de onderzoekers ook gekeken naar eventuele andere oorzaken. Zij zijn ervan uitgegaan dat rokers, ouderen en vrouwen (wie wist dat al?) eerder last van een droge hoest hebben, en dat het uitmaakt in welk zwembad de ondervraagden werken. Daarom hebben ze de effecten van roken, leeftijd, geslacht en zwembad verwerkt in de kansen.

 

Omdat zwembadmedewerkers vaak jong zijn en weinig roken, is het minder waarschijnlijk dat hun hoest wordt veroorzaakt door leeftijd of sigaretten. Daarmee neemt de nettokans dat chloor de boosdoener is, toe: 78 procent (voor een toezichthouder) en 81 procent (voor een instructeur). Merkwaardig genoeg staan deze belangrijke getallen niet in het rapport, maar kunnen alleen specialisten ze achterhalen. Tja, een lezer moet ook een beetje kunnen cijferen.

 

Een andere tekortkoming van het onderzoek is dat het geen rekening houdt met onderlinge samenhangen van zaken als werktijden, taakverdeling, en tijd van dienstverband. Zo zullen mensen met klachten eerder weggaan of kortere werktijden hebben, en dan zullen ze weer beperkt inzetbaar zijn in bepaalde functies. Deze onderlinge verbanden kunnen de kans op een klacht verkleinen. Met het op elkaar inwerken van effecten die zich tegelijkertijd voordoen, hebben onze rekenmeesters echter geen rekening gehouden.

 

Ten slotte komt de geruststellende conclusie volledig uit de lucht vallen. Ze volgt in elk geval niet uit het onderzoek. Het persbericht heeft het bij het rechte eind als het zegt dat de onderzoekers alleen maar veronderstellen dat de klachten door het zwembadpersoneel worden binnengebracht. Dat staat ook zo in het rapport. Veronderstellingen zijn echter geen harde feiten, waarop beleid kan worden gevoerd. De werknemers in een zwembad hebben wel meer last van klachten met ademhaling, en steeds meer.

 

Dragen planten in een werkomgeving bij aan de gezondheid en het welbevinden van werknemers? Om dat aan de weet te komen, keken de TNO’ers naar eerder onderzoek. Dat concludeert dat planten de luchtsamenstelling verbeteren evenals de akoestiek van de ruimte. Daarnaast verhogen ze het comfort, en dat komt de gezondheid weer ten goede. Planten versterken het welbevinden van werknemers en bevorderen hun productiviteit. De onderzoekers denken dat dit vooral komt doordat ze rust met zich meebrengen.

 

Een dergelijke opsomming is belangrijk als eerste kennismaking met een bepaald onderwerp. Het nadeel van het onderzoek is echter dat het om erg uiteenlopende typen studies gaat, gericht op een enkel aspect. Bovendien zijn ze uitgevoerd in verschillende situaties.

 

Het zou nu interessant zijn om soortgelijke werkomgevingen onderling te vergelijken: omgevingen met planten en omgevingen zonder planten. Blijven de gunstige effecten dan overeind?

 

Heel belangrijk is dat onderzoekers in een dergelijk geval rekening houden met andere mogelijke oorzaken van de gunstige effecten. Hoe kunnen ze de doorkruisende factoren neutraliseren?

 

Er zijn drie manieren om de werking van doorkruisende factoren weg te werken in een onderzoek. De eerste manier is het experiment. Een groot aantal min of meer dezelfde proefpersonen wordt blootgesteld aan een zorgvuldig gekozen prikkel. Het grote aantal is daarbij nodig om de eventuele onderlinge verschillen te kunnen verdisconteren. Het resultaat is een ‘gemiddelde proefpersoon’. De onderzoekers schermen de omstandigheden zorgvuldig af en houden de andere factoren die van invloed zijn op het effect, zorgvuldig gelijk. Ze veranderen alleen die factor die ertoe doet en dan kijken ze of het effect ook verandert. Soms is er ook een controlegroep zonder prikkel, want soms treden veranderingen spontaan op. Dan kan men door vergelijking die spontane veranderingen vaststellen. De metingen zelf kunnen ook effect hebben op het resultaat. Algemeen bekend is het experiment, waaruit ‘bleek’ dat samenwerking op de werkvloer de productie bevorderde. Sindsdien is het een credo dat gezelligheid op de werkvloer goed is voor de productie. Men was hoogst verbaasd dat dit lang niet altijd het geval bleek te zijn. De verklaring is eenvoudig. De proefpersonen hadden zoveel aandacht van de onderzoekers gekregen dat zij daardoor harder zijn gaan werken!

 

Overigens is het praktisch onmogelijk en ook niet verantwoord om sociale experimenten uit te voeren. De tweede manier is een supergrote steekproef naar toeval. We verzamelen gegevens van zo veel mogelijk respondenten in de hoop dat de vele factoren die een rol spelen bij de antwoorden, tegen elkaar wegvallen. Dit soort grootschalige onderzoeken vindt meestal maar eenmalig plaats. Ook dan bedenken we een gemiddelde respondent. Stel dat blijkt dat bij de ene respondent weinig van de oorzaak aanwezig is en ook weinig van het effect, en bij de andere juist veel van beide. De onderzoeker neemt dan gemakshalve aan dat het om dezelfde persoon gaat die op twee verschillende momenten is ondervraagd. Dan concludeert hij dat er een effect is in de tijd. Als oudere badmeesters meer longklachten hebben dan jongere, dan zeggen we dat de klachten door de leeftijd komen.

 

De derde manier is statistische controle. Meestal treedt een aldus vastgesteld effect bij meerdere factoren tegelijk op. De onderzoeker stelt groepjes van respondenten samen die op alle vragen dezelfde antwoorden hebben gegeven, behalve op die van de factor waarin we geinteresseerd zijn. Hij doet dan zijn voordeel met de grote aantallen ondervraagden door daaruit kleine groepjes samen te stellen. Hij kijkt dan of binnen elk groepje hetzelfde effect optreedt. We zeggen dan dat de overige factoren constant worden gehouden, of gecontroleerd. Omdat dit uitsorteren een tijdrovend karwei is, doet een pc dat.

 

Op deze wijze zijn er in het zwembadonderzoek groepjes gemaakt van mensen met hetzelfde rookgedrag, dezelfde leeftijd en dezelfde sekse. Er waren meer van deze doorkruisende factoren voorhanden, maar daarop hebben de onderzoekers niet gecontroleerd.

 

Duidelijk is na dit kijkje in de onderzoekskeuken dat het meestal goed mogelijk is meerdere oorzaken tegelijk te onderzoeken. Jammer genoeg doen onderzoekers dat lang niet altijd.

 

Jose Jacobs, Suzanne Spaan, Frits de Rooy, Kees Meliefste, Vanessa Zaat, Jos Rooijackers, Dick Heedik (2006) Invloed van luchtkwaliteit op het voorkomen van klachten bij personeel van zwemgelegenheden, Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

John Klein Hesselink, Marcel Loomans, Ellie de Groot, en Anja Kreemer (2006), Fysiologische en psychische gezondheidseffecten van planten in de werksituatie op de gezondheid en welbevinden van werknemers, TNO-rapport 21573/018. 10311.

 

Reageer op dit artikel