artikel

Ef-fictief ?

Geen categorie

‘Ik kan me best voorstellen dat zoiets leuk is om met collega’s te doen. Maar als het doel is het uithoudingsvermogen op peil te brengen, kun je het schudden’, zegt Peter Hollander, hoogleraar inspanningsfysiologie van de faculteit Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hollander plaatst kritische kanttekeningen bij de effecten die verwacht mogen worden van bedrijfsbewegingsprogramma’s.

 

Hollander: ‘Er is een standaardrijtje wat er allemaal beter gaat als je sport. Daar gelden normen voor. Het is de vraag of een bewegingsprogramma de elementen bevat waarvan je redelijkerwijs effecten kunt verwachten.’

 

Uit onderzoek door TNO Arbeid bleek dit voorjaar dat in 2003 gemiddeld veertien procent van alle bedrijven met vijftig werknemers of meer een bewegingsprogramma aanbood. Dat is evenveel als in 1996. In de enquetes onder duizend bedrijven werd gevraagd of er binnen het bedrijf activiteiten zijn op het terrein van bewegingsstimulering, welke redenen daarvoor zijn en om wat voor activiteiten het gaat. TNO verstaat onder bevorderen van voldoende bewegen onder andere bedrijfsfitness, bedrijfssport of lunchwandelen.

 

Het aantal bedrijven dat activiteiten aanbiedt, bleef tussen 1996 en 2003 gelijk. Grote bedrijven (met meer dan 500 werknemers) zijn tussen 1996 en 2003 iets meer aan bewegen gaan doen. In kleine bedrijven (50-99 werknemers) deden de werkgevers en werknemers het juist rustiger aan. Verbetering van de fitheid en vermindering van verzuim zijn de belangrijkste motieven voor bedrijven om het bewegen te stimuleren.

 

De oproep om meer te bewegen lijkt niet overbodig. Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) becijferde begin september in een onderzoek dat een ongezond voedingspatroon en overgewicht in ons land jaarlijks leidt tot twintigduizend doden en tachtigduizend gevallen van suikerziekte, hart- en vaatziekten en kanker.

 

Volgens Dianne Commissaris van TNO Arbeid wordt er ook op de werkplek steeds minder bewogen.

 

Commissaris is projectleider van een vierjarig onderzoek ‘preventie bewegingsarmoede’. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) moet het project richtlijnen en oplossingen aanreiken om werknemers voldoende te laten bewegen tijdens hun werk. Commissaris: ‘Over de hele linie zie je dat werknemers minder bewegen. Dat komt voor een belangrijk deel door mechanisering en automatisering. Op kantoor kun je bijna alles vanachter je computer regelen; je hoeft nauwelijks van je plek. Ook in de industrie zie je dat werknemers steeds vaker een controletaak hebben achter een computerscherm, terwijl machines hun werk doen. Of werknemers krijgen, zoals in de assemblageindustrie, minder taken zodat zij minder hoeven te lopen en de productie opgevoerd kan worden.

 

Ook in de vervoerssector, denk aan buschauffeurs, machinisten en vrachtverkeer, wordt weinig bewogen.’

 

Te weinig beweging kan leiden tot verschillende klachten. Die kunnen betrekking hebben op het hele fysieke gestel of op bepaalde delen, zoals nek en schouders. TNO Arbeid onderzocht bij Philips DAP in Drachten, producent van scheerapparaten, welk effect extra pauzes hebben op mensen en productiviteit.

 

Commissaris: ‘Vijftien minuten langer pauzeren binnen een bepaald pauzeschema verminderde het lokale discomfort in nek en schouders met 28 procent.

 

En de algehele vermoeidheid aan het eind van de dag was achttien procent minder.

 

Ondanks de extra pauzes bleef de productiviteit van elke medewerker gelijk.’ Commissaris pleit er daarom voor binnen de werkomstandigheden het natuurlijk bewegen van medewerkers zoveel mogelijk te stimuleren.

 

Daarnaast is bedrijfssport bij uitstek een goede mogelijkheid om mensen te stimuleren meer te bewegen, meent Karin Proper, onderzoeker van TNO Arbeid.

 

Proper: ‘Sporten in zijn algemeenheid is gezond. Dat is onomstotelijk bewezen. Het is ook bewezen dat er een samenhang is tussen sport en minder verzuim en sport en hogere productiviteit.

 

Bedrijfssport kan als aanvulling daartoe bijdragen.’

 

Ook hoogleraar inspanningsfysiologie Peter Hollander beschouwt sport als een zinnige bezigheid.

 

‘Dat is duidelijk’, zegt hij. ‘Maar of het effectief is om dat via het werk te organiseren hangt er vanaf wat iemand ermee wil bereiken’, aldus Hollander. ‘Sporten is gezond, maar waarvoor dan…?’, stelt hij de vraag.

 

Volgens Hollander zijn er door bewegen drie effecten te bereiken. Door sport kun je lichaamsgewicht handhaven of verminderen, je conditie/uithoudingsvermogen verbeteren, en je spierkracht op peil houden/vergroten. Hollander: ‘Als iemand sport met als doel het lichaamsgewicht te verminderen, moet die persoon minimaal tienduizend kilojoule aan energie verbruiken per etmaal.

 

En een effect op conditie of uithoudingsvermogen bewerkstellig je pas bij drie maal per week een half uur inspanning bij een hartfrequentie van honderdzeventig slagen per minuut minus je leeftijd. Dergelijke effecten zijn lastig om via het werk te regelen, of je moet echt meerdere uren per week sporten.’

 

Je moet daarom onderscheid maken tussen sporten in het algemeen en bedrijfsbewegingsprogramma’s, stelt Karin Proper.

 

‘Een bedrijfsbewegingsprogramma op zichzelf zorgt er meestal niet voor dat iemand drie keer in de week dertig minuten sport.

 

Maar het uurtje sport via het werk kan een aanvulling zijn op andere activiteiten die iemand al in zijn vrije tijd doet. En kan er bijvoorbeeld net voor zorgen dat die persoon voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen

 

– tenminste vijf dagen per week minstens dertig minuten matig intensief – of aan de fitheidsgerelateerde norm – ten minste drie keer per week minstens twintig minuten zwaar intensief, zoals sporten.’

 

Verschillende onderzoeken wijzen op positieve effecten van bewegingsstimuleringsprogramma’s, onder andere op ziekteverzuim.

 

Hollander betwijfelt echter of een lager ziekteverzuim te herleiden is tot een effect van de fysieke inspanningen. ‘Voor een bedrijf is een lager ziekteverzuim nuttig. Maar wijst het ook ergens op? Ik vind het geen relevante maat als het gaat om effect. Als mensen gaan sporten, hebben ze een effect in hun achterhoofd en gaan ze zich daarnaar gedragen. Het is de vraag of dat een rechtstreeks effect is van de fysieke inspanning of een placeboeffect dat je op andere manieren dan fysieke activiteiten ook kunt bereiken. Als je sport voor je gezondheid, moet je er ook in geloven. Misschien melden mensen zich dan enige tijd ook minder snel ziek.’ Proper: ‘Het is inderdaad lastig om harde conclusies te trekken over de effecten van de bedrijfsbewegingsprogramma’s.

 

Daarvoor moet je een zogenaamd gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek met het liefst nog een grote onderzoeksgroep doen.

 

Werknemers worden dan ingedeeld in een sportprogramma, zodat je een gelijkwaardige controlegroep hebt. Er zijn maar een paar onderzoeken over bewegingsstimuleringsprogramma’s die aan zo’n opzet voldoen en harde conclusies kunnen trekken.

 

Vaak vergelijken onderzoeken deelnemers met niet-deelnemers aan programma’s. Het kan zijn dat de groep deelnemers al de wat actievere personen zijn.

 

Terwijl je juist de grootste winst kunt bereiken bij de nog niet actieve werknemers.’

 

Toch zijn het volgens Proper niet alleen sportievelingen die deelnemen aan bedrijfsbewegingsprogramma’s.

 

Weliswaar zijn actieve mensen makkelijker te motiveren voor deelname aan een programma, maar ook een deel van niet-actieven komt soms naar de fitnesszaal. Proper: ‘Actieve mensen die in hun vrije tijd ook al sporten, staan positief tegenover bewegingsstimulering.

 

Aan de andere kant vinden sommigen van de actieven dat zij in hun vrije tijd al genoeg doen en gaan dus niet ook nog eens meedoen aan een initiatief van de werkgever. Zo werkt het ook andersom. Inactieven kunnen weliswaar ook positief tegenover sporten staan, alleen komen ze er om de een of andere reden niet aan toe. Het initiatief van de werkgever is dan juist een welkome actie. Over het algemeen bereik je eerder de actieven, maar mensen die normaal gesproken niet voldoende actief zijn, doen toch ook wel mee aan bedrijfsbewegingsprogramma’s.

 

Dat is winst. Er is wel om allerlei redenen over de hele linie veel verloop binnen de programma’s.

 

Mensen beginnen, stoppen en beginnen weer of beginnen pas na een jaar.’

 

Hoogleraar Hollander: ‘Veel dingen in het leven zijn in het begin leuk, maar gaan op den duur vervelen. En dan houd je er weer mee op.’ Hollander betwijfelt sterk dat de bewegingsprogramma’s mensen ertoe kunnen aanzetten voldoende te gaan sporten.

 

‘Iemand die geen affiniteit heeft met sport, begint er niet aan. Al die mensen hebben schoolgymnastiek gehad en deden dus sport. Sommigen gaan ermee door, anderen niet.

 

Het idee dat je iedereen actief kunt krijgen, zou na de middelbare school een effect moeten laten zien. Dat is er niet. Bij bedrijfssport doen de liefhebbers mee, de rest amper. Waarom zou dat in een bedrijf ineens anders werken? Het is volgens mij geen kwestie van ‘geen tijd’, maar van

 

‘geen prioriteit’. Mensen hebben naast hun werk nog heel veel tijd over om iets aan hun lijf te doen. Als ze dat willen.’

 

Zeker heeft de werknemer een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat hij gezond is en blijft, vindt ook Proper.

 

Maar ook een werkgever heeft daar belang bij, stelt zij. Proper: ‘Een werkgever heeft er baat bij om te investeren in bewegingsstimuleringsprogramma.

 

Om meerdere redenen. Gezonde werknemers verzuimen minder.

 

Maar naast de fysieke effecten kan bedrijfssport ook kwalitatieve baten hebben. Het is goed voor een imago van een bedrijf.

 

En werknemers beschouwen het als goede secundaire arbeidsvoorwaarden.

 

Daardoor kunnen mensen voor het bedrijf behouden blijven of kan het bedrijf mensen aantrekken. Dat is ook winst. Bedrijven kiezen om verschillende redenen voor bewegingsprogramma’s.

 

De een meer vanuit een sociaal aspect, een ander vanwege een positieve kosten-batenanalyse.’

 

Voor werknemers die niet door een bos willen rennen of aan de fitness-apparatuur willen, zijn er toch mogelijkheden om dagelijks voldoende te bewegen. Het bedrijf Fit Office in Utrecht won eerder dit jaar de Arbo Innovatie Award met hun Walking Plus, een apparaatje dat een individuele werknemer bij zich draagt en registreert hoeveel en hoe intensief iemand beweegt. Ron Roozendaal van Fit Office: ‘Het effect van alleen bedrijfssport is moeilijk aan te tonen. En het zijn veelal de sportievelingen die deelnemen. Voor veel mensen is sport nog altijd een heel grote drempel. Toch is bewegen heel gezond. Daarom stimuleert Walking Plus bewegen op de werkplek.

 

Het apparaatje legt vast hoeveel iemand per dag beweegt op zijn werk en registreert het calorieverbruik. Als iemand een keer de trap neemt, scoort hij hoger. De totaalscore van een dag kan via software eenvoudig in de computer worden gezet. Aan die bewegingsspiegel kun je zien of je voldoet aan de norm van dertig minuten matig intensief bewegen op een dag.’

 

Volgens Roozendaal wordt bewegen op die manier leuk. ‘Het is een Amerikaanse benadering.

 

Je kunt er een competitie van maken op een afdeling of tussen afdelingen. Welke afdeling beweegt het meest? Mensen vinden het leuk om aan wedstrijdjes deel te nemen. Het is voor in-actieven een laagdrempelige manier om toch aan voldoende beweging te komen.

 

En dat is gezondheidswinst.’

 

Reageer op dit artikel