artikel

Explosieveiligheid naar ATEX137

Geen categorie

Als het over explosieve atmosferen gaat, heeft de arboverantwoordelijke houvast aan de Richtlijn 1999/92/EG, ook bekend als ATEX137. Deze regelgeving, gepubliceerd in het voorjaar 2000, is 30 juni 2006 ingevoerd. De Richtlijn (opgenomen in het Arbobesluit) is van toepassing op alle arbeidsplaatsen waar zich een explosieve atmosfeer kan vormen. Een explosieve atmosfeer is een mengsel van lucht en een brandbare stof (bijvoorbeeld gas, damp of een poeder) in een bepaalde mengverhouding. Na ontsteken zal de verbranding zich snel over het hele mengsel uitbreiden. De ontsteking kan open vuur zijn, een mechanische of elektrische vonk, een heet voorwerp of statische elektriciteit.

 

Naast de sociale richtlijn is er de ATEX95 productrichtlijn, opgenomen in het warenwetbesluit explosieveilig materieel. Dit besluit heeft betrekking op materieel dat in explosiegevaarlijke gebieden toelaatbaar is. Aan de markering op de typeplaat is te zien voor welke situatie het materieel geschikt is, dus of het geen potentiele ontstekingsbron zal vormen.

 

In de praktijk blijkt het niet eenvoudig deze regelgeving correct in te voeren. Als arboverantwoordelijke heb je immers te maken met twee richtlijnen. Ook zijn er raakvlakken met de elektrotechniek, de werktuigbouw, chemische technologie en, niet onbelangrijk, het gedrag van mensen.

 

Om tot een goede invoering van deze regelgeving te komen, is het noodzakelijk om de plaatsen te bepalen waar explosieve atmosferen kunnen ontstaan. Dit is lastig en daarom hebben de Europese Unie en onze nationale overheid handreikingen voor een goede implementatie opgesteld. Voor de invoering zijn twee situaties aan de orde: bestaande installaties/arbeidsplaatsen en nieuwe.

 

De werkwijze is overzichtelijk te houden door een vragenlijstje te hanteren:

 

1 Zijn er brandbare stoffen aanwezig?

 

2 Is de vorming van een explosieve atmosfeer mogelijk?

 

3 Is het betrokken gebied qua gevaarsetting en omvang te beperken?

 

4 Welke zone-indeling krijgt het gebied?

 

5 Welke maatregelen zijn noodzakelijk om het risico beheersbaar te houden?

 

Wat brandbare vloeistoffen en gassen zijn, is genoegzaam bekend: ze zijn herkenbaar aan pictogrammen en R- en S-zinnen op de verpakking. Poedervormige brandbare stoffen zijn vaak niet als brandbaar gekenmerkt, denk aan houtstof of levensmiddelen als zetmeel of bloem. Afhankelijk van de hoeveelheid, de verpakkingsvorm en de opslaglocatie is er een zoneringsplicht. Zo’n zonering geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat een explosieve atmosfeer optreedt.

 

Is er brandbare stof aanwezig (gas, vloeistof of poeder) en kan die zich mengen met lucht (zuurstof), dan is een explosieve atmosfeer mogelijk. Ontsteking kan dan plaatsvinden door een actieve ontstekingsbron, bijvoorbeeld hete vonken van laswerk of elektrostatische ontlading.

 

Kun je voorkomen dat een explosieve atmosfeer een gevaar wordt? Jawel. Houd de brandbare stof daar waar die bedoeld is. Houd verpakkingen en installaties met brandbare stoffen gesloten. Als een verpakking of installatie gesloten is, kan onder voorwaarden zone-indeling van de locatie achterwege blijven.

 

Is accumulatie van brandbare stof te voorkomen? Voor gassen en dampen is dit te realiseren met ventilatie. Heeft de ventilatie voldoende capaciteit en is die altijd beschikbaar, dan is de vorming van een explosieve atmosfeer waarschijnlijk niet meer mogelijk. Bij poedervormige brandbare stof is dit misschien haalbaar door afzuiging bij de bron (bijvoorbeeld bij een zaagmachine).

 

De ATEX137-richtlijn schrijft voor dat plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen, zijn ingedeeld in zones. Die zone-indeling beoogt de betrouwbaarheid van de beschermingswijze te bepalen. Er zijn drie klassen, aflopend in gevaarsniveau. Voor brandbare gassen, dampen, vloeistoffen en nevels: zone 0, zone 1 en zone 2 en voor poedervormige stoffen zone 20, zone 21 en zone 22.

 

Op de arbeidsplaats zouden de zones 0 en 20 niet mogen voorkomen. In die gebieden kan de explosieve atmosfeer voortdurend, langdurig of herhaaldelijk aanwezig zijn. Kort en simpel: het is er te gevaarlijk. In installaties en machines kunnen deze zones wel aanwezig zijn.

 

Er zijn vaak meerdere, elkaar aanvullende, maatregelen mogelijk om de veiligheid te waarborgen:

 

– Zones herkenbaar maken (wettelijk verplicht) (zie: *).

 

– Het ontstaan van een explosieve atmosfeer verhinderen of het voortduren beperken. Bijvoorbeeld door materiaalkeuze (niet-brandbaar materiaal, geen poedervormig materiaal) of transportwijze (geen zakken of bakken, maar een gesloten systeem).

 

– De kans op ontsteking beperken. Door het beperken van het gevaarlijk gebied of door ontstekingsbronnen te verplaatsen.

 

– De gevolgen beperken. Bijvoorbeeld door hoeveelheden te beperken, explosieonderdrukkingssystemen toe te passen of met behulp van explosiedrukontlastingspanelen.

 

– Door de kwaliteit van installaties op peil te houden. Door preventief onderhoud, controles en periodieke beproevingen.

 

– Opleiding van personeel. Medewerkers hebben een grote invloed op veiligheid. Door bewust te zijn van eigen handelen en door installaties en processen in de gaten te houden is het mogelijk gevaarlijke situaties tijdig te onderkennen. Als een organisatie adequaat reageert, kunnen gevaren in de kiem gesmoord worden. Goede opleiding, informatieverstrekking, instructies en werkvergunningen zijn daarbij onmisbaar.

 

Bij nieuw materieel en nieuw in te richten arbeidsplaatsen zijn de mogelijkheden eenduidiger. Is er sprake van explosieve atmosferen, dan kan er alleen materieel toegepast worden dat geschikt is voor de zoneklasse en de brandbare stof. De ontstekingsbronnen moeten voldoen aan de bepalingen van de ATEX95 Richtlijn. Deze richtlijn stelt eisen aan de betrouwbaarheid van de beschermingswijze tegen ontsteking. Dit materieel is herkenbaar aan de ‘Ex’-markering op de typeplaat (zie: **).

 

Het in de hand houden van explosierisico’s is een complex aandachtsgebied. Kennis van de gebruikte stoffen, van processen en installaties, van ontstekingsbronnen en van organisatorische maatregelen is noodzakelijk. Vaak ontbreekt het aan kennis en mankracht om dit werk van de grond te tillen. Er zijn gelukkig specialisten op dit gebied van wie men de hulp kan inroepen. De kritische blik van een ‘vreemde’ kan aspecten boven water halen waar je als arboverantwoordelijke makkelijk aan voorbijgaat. Ook kunnen zij efficiente oplossingen voor knelpunten aandragen.

 

Reageer op dit artikel