artikel

Gevaarlijk duo bedreigt varkenshouders

Geen categorie

De blootstelling aan zowel chemische en biologische stoffen als allergenen is in de werkomgeving vaak vele malen hoger dan in het algemene milieu. Hierdoor biedt het bestuderen van beroepsmatig blootgestelde populaties een uitgelezen kans om meer te weten te komen over de invloed van deze blootstellingen op het ontstaan en voorkomen van allergieen in de algemene bevolking. Kennis hierover is ook van direct belang voor de preventie van beroepsallergieen en werkgerelateerde luchtwegklachten. Hiermee zou de gecombineerde blootstelling aan een allergeen en stoffen die het sensibilisatieproces stimuleren namelijk kunnen worden vermeden.

 

Het tegenovergestelde, het stimuleren van blootstelling aan stoffen met een beschermend effect op allergische sensibilisatie, ligt vooralsnog wat minder voor de hand. De meeste stoffen waarvan zo’n werking wordt vermoed, lijken namelijk zelf negatieve gezondheidseffecten te hebben.

 

Voor dit promotieonderzoek zijn onder meer de effecten van een gecombineerde blootstelling aan endotoxine en ontsmettingsmiddelen op de prevalentie van allergieen en allergische luchtwegklachten bij varkenshouders onderzocht. Endotoxine is een stof die voorkomt in de celwand van voornamelijk Gramnegatieve bacterien. Uit experimentele dierstudies is bekend dat deze stof de werking van het aangeboren immuunsysteem sterk stimuleert. Ook is gebleken dat blootstelling aan endotoxine tijdens de eerste fase van de immuunreactie op een allergeen het ontstaan van allergische reacties remt.

 

In verscheidene onderzoeken is aangetoond dat endotoxineconcentraties hoger zijn in slaapkamers van kinderen die op een boerderij wonen en dat deze kinderen minder vaak allergisch zijn. Veel van deze onderzoeken zijn echter uitgevoerd in Midden-Europese landen, waar boerderijen relatief klein zijn en de agrarische leefwijze veelal traditioneler is dan bij de rest van de bevolking. Bovendien was niet onderzocht of ook de ouders van deze kinderen wellicht minder vaak allergisch waren. Uit onderzoek naar luchtwegklachten bij varkenshouders (Preller et al., 1995) is bekend dat deze beroepsgroep is blootgesteld aan hoge concentraties organische stof met daarin veel endotoxine. Daarom werd besloten na te gaan of een beschermend effect van het wonen op een boerderij op het voorkomen van allergieen wellicht ook te vinden was bij Nederlandse boeren, en of dit effect misschien gerelateerd zou kunnen zijn aan de blootstelling aan endotoxine.

 

Gegevens uit de eerder genoemde studie onder varkenshouders zijn gebruikt om te onderzoeken of er een relatie bestaat tussen de blootstelling aan endotoxine en het voorkomen van sensibilisatie tegen veelvoorkomende allergenen. De onderzoeksresultaten bevestigen het vermoeden dat ook Nederlandse agrariers minder vaak allergisch zijn dan werknemers in andere onderzochte beroepsgroepen en dan mannen in de algemene populatie. Hoogstwaarschijnlijk hangt dit samen met de hoge blootstelling aan organische stoffen, waaronder endotoxine.

 

Van de Nederlandse varkenshouders die in dit promotieonderzoek zijn onderzocht, bleek slechts 17 procent gesensibiliseerd tegen allergenen van huisstofmijt, kat, hond of gras, terwijl het voorkomen hiervan in de algemene bevolking op basis van een internationaal vergelijkingsonderzoek op zo’n 32 procent wordt geschat (Portengen et al., 2005). Daarnaast bleek er binnen de groep varkenshouders een sterke relatie te bestaan tussen blootstelling aan endotoxine en het optreden van sensibilisatie. Op basis van de statistische modellen werd de prevalentie van sensibilisatie bij ‘laag blootgestelde’ boeren geschat op meer dan veertig procent, terwijl dat bij de ‘hoog blootgestelde’ boeren zo’n twintig tot dertig procent lager lag. Dit betekent dat ‘hoog blootgestelde’ boeren een meer dan tweemaal zo lage kans hadden om gesensibiliseerd te zijn tegen veelvoorkomende allergenen van huisstofmijt, kat, hond of gras. Deze bevinding is erg interessant, omdat ze suggereert dat blootstelling aan endotoxine ook op latere leeftijd nog effect kan hebben op het optreden van dit type allergieen.

 

Het is erg onwaarschijnlijk dat de resultaten van deze studie zijn vertekend door grote verschillen in de leefwijze tussen groepen, daar alle deelnemers fulltime varkenshouder waren en bovendien in dezelfde regio (Zuid-Nederland) woonden. Dat laatste is namelijk wel een groot probleem bij het interpreteren van studies waarin boerenkinderen worden vergeleken met kinderen die niet op een boerderij wonen.

 

Van veel ontsmettingsmiddelen is bekend of wordt vermoed dat ze luchtwegklachten kunnen veroorzaken. Toch hebben de meeste gegevens over het daadwerkelijk optreden van klachten een anekdotisch karakter en zijn ze vaak niet gebaseerd op systematisch epidemiologisch onderzoek. Van een aantal stoffen, waaronder glutaaraldehyde, chloramine T en sommige quaternaire ammoniumverbindingen, is bekend dat blootstelling kan leiden tot allergische sensibilisatie. Dit zou dan ook een rol kunnen spelen bij het ontstaan van luchtwegklachten. Een groot internationaal onderzoek (Kogevinas et al., 1999) naar beroepsgebonden risicofactoren voor astma heeft ook uitgewezen dat vooral schoonmakers, die veel met dit soort middelen werken, een sterk verhoogde kans hebben op deze allergische luchtwegaandoening.

 

Naast een specifieke allergische reactie op de ontsmettingsmiddelen zelf is er echter nog een manier waarop blootstelling aan ontsmettingsmiddelen zou kunnen leiden tot het ontstaan van allergische luchtwegklachten. Tijdens het onderzoek naar het ontstaan van luchtwegklachten bij varkenshouders bleek frequent gebruik van ontsmettingsmiddelen met quaternaire ammoniumverbindingen ook gerelateerd aan een hogere prevalentie van sensibilisatie tegen veelvoorkomende allergenen en, binnen de gesensibiliseerde groep, aan het voorkomen van luchtwegklachten (Preller et al., 1996).

 

Omdat deze studie echter niet was ontworpen om de relatie tussen ontsmettingsmiddelengebruik en het voorkomen van allergieen te onderzoeken, is hiervoor een nieuw dwarsdoorsnede-onderzoek opgezet (Portengen et al., in voorbereiding). Doel van deze studie was om bij varkenshouders de relatie tussen ontsmettingsmiddelengebruik, allergieen en allergische of andere luchtwegklachten in detail te onderzoeken. Voor dit onderzoek is bij alle deelnemende varkensboeren de mogelijke sensibilisatie bepaald tegen de twee meest gebruikte bestanddelen van ontsmettingsmiddelen (chloramine T en quaternaire ammoniumverbindingen). Ook zijn bloed en uitademingslucht verzameld en is een neusspoeling uitgevoerd om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en het type ontstekingen in de bovenste en lagere luchtwegen. Daarnaast is door het afnemen van een systematische vragenlijst getracht om gedetailleerde informatie te krijgen over het gebruik van ontsmettingsmiddelen.

 

Het rekruteren van voldoende varkenshouders voor dit onderzoek bleek een groot struikelblok. Veel varkenshouders uit de gebruikte commerciele adressendatabase bleken (recentelijk) gestopt met boeren en andere waren erg wantrouwig ten aanzien van het gebruik van de onderzoeksresultaten. Van de beoogde 250 deelnemers deden er uiteindelijk maar 133 mee. Tijdens de statistische analyse van de resultaten bleek dit een zware handicap omdat de kracht van de studie om verbanden statistisch aan te tonen hierdoor aanzienlijk werd verminderd. Dit is des te meer te betreuren aangezien deze resultaten die van de studie van Preller (1996) leken te bevestigen, namelijk dat frequent gebruik van ontsmettingsmiddelen is geassocieerd met het vaker voorkomen van allergische sensibilisatie en met luchtwegklachten binnen deze gesensibiliseerde groep.

 

Van alle 133 varkenshouders bleek er slechts een gesensibiliseerd tegen quaternaire ammoniumverbindingen en geen tegen chloramine T.

 

Sensibilisatie tegen ontsmettingsmiddelen zelf lijkt dus nauwelijks voor te komen en kan dus ook geen verklaring zijn voor de hoge prevalentie van luchtwegklachten in deze beroepsgroep. Wel bleek sensibilisatie tegen veelvoorkomende allergenen van huisstofmijt, kat, hond, gras of berk aanmerkelijk minder vaak voor te komen bij varkenshouders die geen ontsmettingsmiddelen gebruikten, dan bij collega’s die wel ontsmetten. Zo was van de varkenshouders die nooit ontsmettingmiddelen gebruikten, slechts zes procent gesensibiliseerd tegen deze allergenen. Van de varkensboeren die minder dan eens per week ontsmetten, bleek vijftien procent gesensibiliseerd, van collega’s die wekelijks ontsmetten zelfs twintig procent. Ook in deze studie leek het frequent gebruik van ontsmettingsmiddelen alleen te leiden tot een toename van de prevalentie van luchtwegklachten bij varkenshouders die gesensibiliseerd waren (78 procent in hen die minstens eens per week ontsmetten, versus 33 procent in degenen die dat niet deden).

 

Hoewel beide relaties door de lage aantallen nietstatistisch significant waren, lijkt er dus wel echt een verband te bestaan tussen het gebruik van ontsmettingsmiddelen en het ontstaan van allergische klachten bij varkenshouders. Er zijn geen relaties gevonden tussen het gebruik van ontsmettingsmiddelen en de resultaten van de longfunctietest of de aanwezigheid van stikstofmonoxide (NO) in uitademingslucht. Wel bleek er een sterk verband te bestaan tussen de frequentie van ontsmetten en het voorkomen van ontstekingsstoffen in de neusspoelingsvloeistof. Of dit direct verband houdt met het ontsmetten is echter de vraag. Toen varkenshouders die in de twee dagen voor het onderzoek hadden ontsmet van de analyse werden uitgesloten, bleef de relatie namelijk bestaan. Dit terwijl verwacht mocht worden dat ontstekingsreacties in de neus vooral het gevolg zouden zijn van de meer acute effecten van blootstelling aan ontsmettingsmiddelen.

 

De gecombineerde blootstelling aan endotoxine en ontsmettingsmiddelen blijkt gerelateerd aan het voorkomen van allergische sensibilisatie tegen veelvoorkomende allergenen bij varkenshouders. Dit suggereert dat er tijdens het ontstaan of het in stand houden van sensibilisatie een wisselwerking bestaat tussen deze stoffen en de allergenen in kwestie. Nu is de blootstelling aan de allergenen zelf een uitermate complex proces dat niet of nauwelijks accuraat valt te meten. Toch is het niet waarschijnlijk dat de gevonden effecten te verklaren zijn door een verschil in allergeenblootstelling dat samenhangt met de blootstelling aan endotoxine of ontsmettingsmiddelen.

 

De geschatte effecten van een gecombineerde blootstelling aan endotoxine en ontsmettingsmiddelen op het voorkomen van sensibilisatie bij varkenshouders zijn relatief groot (verschillen van een factor twee tot drie tussen hoog en laag blootgestelde groepen). Dit suggereert dat blootstelling aan niet-allergene stoffen van grote invloed kan zijn op het ontstaan van allergieen. Daar gecombineerde blootstellingen in de werkomgeving eerder regel dan uitzondering zijn, is het van belang te proberen hier bij de risicobeoordeling van stoffen, die de werking van het immuunsysteem beinvloeden, rekening mee te houden.

 

Lutzen Portengen, Risk modification and combined exposures in the development of occupational allergic airways disease, Utrecht, 2004.

 

– Kogevinas, M., J. M. Anto, et al. (1999), ‘Occupational asthma in Europe and other industrialised areas: a population-based study. European Community Respiratory Health Survey Study Group’, Lancet 353(9166): 1750-4.

 

– Portengen, L., G. Folkerts, et al. (-), ‘Disinfectant use and respiratory disease in adult pig farmers’, (in voorbereiding).

 

– Portengen, L., L. Preller, et al. (2005), ‘Endotoxin exposure and atopic sensitization in adult pig farmers’, Journal of Allergy and Clinical Immunology 115(4): 797-802.

 

– Portengen, L., T. Sigsgaard, et al. (2002), ‘Low prevalence of atopy in young Danish farmers and farming students born and raised on a

 

farm’, Clinical and Experimental Allergy 32(2):

 

247-53.

 

– Preller, L., G. Doekes, et al. (1996), ‘Disinfectant use as a risk factor for atopic sensitization and symptoms consistent with asthma: an epidemiological study’, European Respiratory Journal 9(7): 1407-13.

 

– Preller, L., D. Heederik, et al. (1995), ‘Lung function and chronic respiratory symptoms of pig farmers: focus on exposure to endotoxins and ammonia and use of disinfectants’,

 

Occupational and Environmental Medicine

 

52(10): 654-60.

 

Reageer op dit artikel