artikel

Re-integratie: geen vrijblijvende zaak

Geen categorie

Een 54-jarige werknemer werkt bijna tien jaar als keukenhulp in een hotel als hij begin januari 2003 ziek wordt. Medici stellen vast dat er sprake is van een angst- en paniekstoornis die te maken heeft met jeugdervaringen. Die stoornis is weer naar boven gekomen door conflicten op de werkvloer. De werknemer gaat later als keukenhulp in een verzorgingshuis aan de slag. Dat gaat goed tot hij zich in januari 2004 weer ziek meldt.

 

De werkgever reageert in februari met een brief op poten en stopt de loonbetaling. Later blijkt dat de werknemer niet meer heeft gewerkt omdat hij niet alleen over straat durfde. Het UWV regelt een taxivergoeding, maar de man kan wegens reorganisatie niet meer in het verzorgingstehuis aan de slag. De werkgever biedt nog een extern re-integratietraject aan, maar alleen voor de eerste onderdelen, transitie en herorientatie. Na twee jaar ziekte volgt ontslag zonder vergoeding. Het gerechtshof overweegt dat er geen zodanig verband is tussen de werkzaamheden en de klachten dat de werknemer daarom in aanmerking zou komen voor een vergoeding. De ziekte is immers niet ontstaan door het werk, maar bestond al en is door het werk gaan opspelen. Maar het hof vindt – anders dan de kantonrechter – dat de werkgever niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De brief van februari 2004 is verwijtbaar. De werkgever had, op basis van de beschikbare medische gegevens, moeten beseffen dat hij te maken had met een kwetsbare werknemer die kampte met een paniekstoornis. Hij had daarom moeten uitzoeken wat er aan de hand was in plaats van direct het loon stop te zetten. Verder heeft de werkgever ten onrechte na het eerste ziektejaar de loonbetaling gestopt en is slechts een gedeeltelijk re-integratietraject aangeboden. Er is ook geen scholing aangeboden, terwijl daar wel aanleiding voor was. Gezien deze omstandigheden en de beperkte mogelijkheden van de werknemer om ander werk te vinden, acht het hof het ontslag zonder vergoeding kennelijk onredelijk. De uitspraak van de kantonrechter wordt vernietigd. Het hof kent een vergoeding toe van 30.000 euro bruto.

 

(Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2007, JAR 2008, 180)

 

Een werknemer werkt als enige medewerker bij een lijm- en metselbedrijf. Hij valt in april 2004 uit met rugletsel. Hij heeft dan in zes jaar maar twee jaar effectief gewerkt. In januari 2006 stopt de werkgever met de loonbetaling. De rechter veroordeelt de werkgever in kort geding tot doorbetaling van het loon.

 

Eind 2007 zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst op wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De werknemer stapt weer naar de rechter wegens kennelijke onredelijkheid van deze opzegging. Hij vindt de opzegging kennelijk onredelijk omdat er geen enkele re-integratie-inspanning is gedaan. Verder acht hij de gevolgen voor hem te ernstig in vergelijking met het belang dat de werkgever heeft bij de opzegging. Hij eist tevens vergoeding van ruim 10.000 euro. De werkgever eist in een tegenvordering betaling van ruim 10.000 euro omdat hij langer dan de in de wet of cao genoemde termijn van twee jaar het loon van de werknemer heeft doorbetaald, zodat dit bedrag te veel en onverschuldigd is betaald. De rechter komt tot de slotsom dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

 

Hij houdt bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening met alle omstandigheden van het geval, zoals de slechte financiele situatie van de werkgever. Maar wat ook zwaar weegt, is dat de werkgever geen behoorlijke re-integratie-inspanning heeft geleverd. Die verplichting geldt nadrukkelijk ook voor een kleine werkgever. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van ruim 3000 euro (op basis van de kantonrechtersformule, waarbij C = 0.3). De werknemer moet wel het te veel betaalde loon van 10.000 euro terugbetalen. Hij houdt er dus netto niets aan over maar blijft zitten met een schuld van 7000 euro!

 

(Kantonrechter Utrecht, 16 april 2008, LJN BD0548)

 

Reageer op dit artikel