artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

In september 1990 verricht een matroos bij de Koninklijke Marine zonder veiligheidsgordel onderhoudswerk aan een lanceerinrichting van vier meter hoog. Hij daalt af naar een lager gelegen platform, maar stoot zijn elleboog en een stroombotje, waardoor hij even buiten kennis raakt en achterwaarts, over de railing van het platform, op het dek valt. Behalve een hersenschudding lijken de gevolgen niet ernstig, maar later krijgt hij psychische klachten. In september 1992 volgt ontslag wegens blijvende ongeschiktheid.

 

Hij stelt in oktober 1996 Defensie aansprakelijk voor zijn schade. Die brief wordt eerst opgevat als een verzoek om toekenning van een militair pensioen. Een herhaalde schadevordering wordt in augustus 2000 afgewezen omdat de vordering is verjaard. Bezwaar en beroep bij de rechtbank halen niets uit en de matroos stapt naar de Centrale Raad van Beroep. Volgens de Raad gaat het geschil over de vraag of Defensie voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om het ongeval te voorkomen. De matroos stond aanvankelijk op een platform op een hoogte van 2.10 meter boven het dek waarop hij is gevallen. Dit platform had een railing op ongeveer 90 cm. Hij moest boven op de lanceerinrichting klimmen om zijn werk te kunnen uitvoeren. De afstand van de bovenkant van die inrichting tot het onderdek was 3.15 meter terwijl de voorzijde grensde aan het voordek, meer dan 4 meter lager.

 

Defensie heeft gesteld dat het dragen van een veiligheidsgordel bij dergelijk onderhoudswerk niet gebruikelijk was omdat het platform een railing had. Er golden geen veiligheidsvoorschriften omdat er bij een hoogte van 2.10 meter geen sprake is van (relevant) valgevaar. Verder was het rustig weer en maakte het schip nagenoeg geen slingerbewegingen. De Raad is het niet eens met dit verweer. Het werk kon niet geheel vanaf het platform worden uitgevoerd en het was noodzakelijk op de installatie te klimmen, die zelf geen railing had. Dat deel van de installatie meet ongeveer 80 x 200 cm. Daar moest de matroos manoeuvreren met een vetspuit en schoonmaakmateriaal, op meer dan 4 meter boven het voordek. Daarbij was volgens de Raad een veiligheidsgordel onontbeerlijk. Immers, zelfs bij rustig weer is er sprake van een bewegend schip. Defensie heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het beroep gegrond. Defensie moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van deze uitspraak.

 

(Centrale Raad van Beroep 28 april 2005, LJN: AT4835)

 

Een bankmedewerker wordt in 1996 arbeidsongeschikt, na een dienstverband van bijna dertig jaar. Hij vordert vergoeding van de schade wegens psychische klachten, op grond van art. 7:658 Burgerlijk Wetboek.

 

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, maar het hof wijst haar toe. Volgens het hof moet aangenomen worden dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden arbeidsongeschikt is geworden, en hij daarom eerder dan verwacht van de VUT gebruik moest maken en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden.

 

De werkgever gaat in cassatie. Volgens hem geldt art 7:658 BW alleen als een werknemer fysieke schade heeft opgelopen.

 

De Hoge Raad is het daar niet mee eens. Noch de tekst noch de geschiedenis van het artikel wijst in de richting van een dergelijke beperkte opvatting. De werkgever is verhoogd aansprakelijk omdat hij degene is die bepaalt op welke plaats, onder welke omstandigheden en met welke hulpmiddelen de werknemer moet werken. Dit is niet anders als de werkomstandigheden niet fysiek, maar psychisch ziekmakend zijn. Een beperkte uitleg zou ook leiden tot willekeurige onderscheidingen, omdat lichamelijk en psychisch welzijn nauw met elkander zijn verbonden: wat bij het ene individu tot uiting komt als lichamelijke klacht, zal bij een ander naar buiten komen als psychische klacht.

 

De Raad verwijst de zaak terug naar het hof te Amsterdam. Dat moet bepalen of of er een duidelijk causaal verband is tussen de werkzaamheden en de psychische schade, en of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

 

(Hoge Raad 11 maart 2005, JAR 2005, 84)

 

Een werknemer werkt sinds juli 1976 als productiemedewerker. Op 20 februari 2002 meldt hij zich ziek wegens rugklachten. Hij krijgt dan een rugsparende functie en op 11 maart 2002 gaat hij weer volledig aan het werk. Twee dagen later is hij echter weer ziek, en als hij eind maart hersteld wordt verklaard, komt hij niet opdagen. Hij laat ook niets van zich horen en is niet bereikbaar. Begin april wordt hij gewaarschuwd dat bij een volgende overtreding van de regels ontslag op staande voet zal volgen. Na zijn werkhervatting begin april meldt hij zich in mei 2002 opnieuw ziek. Als de arbodienst hem op 23 mei 2002 tijdens een controle niet thuis vindt, volgt een dag later ontslag op staande voet wegens het herhaaldelijk overtreden van de regels van het verzuimreglement van het bedrijf. De werknemer vecht dit ontslag aan bij de kantonrechter, maar dat haalt niets uit. Daarop gaat hij in hoger beroep. Hij vindt dat hem niet kan worden verweten dat hij zich niet aan de verzuimregels heeft gehouden. Zijn echtgenote moest voor een spoedbehandeling naar de tandarts en door de toestand waarin zij verkeerde, moest hij haar vergezellen, omdat het onverantwoord was dat zij zelf zou rijden. Hij vindt de overtreding van de ziekteverzuimvoorschriften geen reden voor een ontslag op staande voet. Hoogstens had de werkgever de loondoorbetaling kunnen opschorten. Met zo’n lang dienstverband mag enige terughoudendheid worden verwacht. Het hof stelt vast dat de werknemer het verzuimreglement heeft overtreden. Volgens het reglement moet een werknemer bij ziekte namelijk thuisblijven totdat een eerste controle door de arbodienst is geweest. Bovendien had de werkgever schriftelijk gewaarschuwd voor ontslag op staande voet. Daarom was het zeer ernstig dat de werknemer opnieuw tegen het reglement inging. Het ontslag op staande voet is dus gerechtvaardigd, ondanks het langdurig dienstverband.

 

(Gerechtshof ’s-Gravenhage, 21 januari 2005, JAR 2005, 82)

 

Een schilder werkt sinds 1985 bij een bouwcombinatie als enige schilder. Het werk is heel divers: de man schildert aftimmerlatten, brengt behang aan en saust wanden en plafonds. Ook doet hij algemeen onderhoudswerk, ‘s zomers buiten en ’s winters vaak in de timmerwerkplaats of in een Romneyloods binnen. In 1996 wordt hij arbeidsongeschikt door OPS, waarschijnlijk veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling aan neurotoxische stoffen. De schilder vordert schadevergoeding omdat de werkgever niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

 

De werkgever vindt dat hij steeds die maatregelen heeft genomen die in de branche gebruikelijk waren. Zijn veiligheidsbeleid voldeed aan alle wettelijke eisen. Steeds werd gezegd om voldoende te ventileren. Beschermingsmiddelen waren beschikbaar en er was voldoende gelegenheid om rust te houden in ruimten waar voldoende frisse lucht was. De werknemer rookte echter zwaar, waardoor hij problemen had als hij een mondkapje moest voordoen.

 

De kantonrechter concludeert dat de werkgever als bouwbedrijf een goed arbobeleid voerde, maar dat hij geen maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de schilder werd blootgesteld aan toxische stoffen. In de Romneyloods was helemaal geen afzuiginstallatie. In de timmerwerkplaats wel, maar die was bedoeld voor het afzuigen van zaagstof. Het werd aan de werknemers overgelaten om de deuren open te zetten en zo te ventileren. De werkgever had er rekening mee moeten houden dat dit niet zou gebeuren en voor alternatieve ventilatie moeten zorgen.

 

Het geven van gewone mondkapjes vindt de rechter onvoldoende bescherming tegen toxische stoffen. Dat de werknemer geen mondkapje droeg omdat hij rookte, is niet van belang. De rechter vindt dat de werkgever met dergelijke gedragingen rekening moet houden. Dat is onvoldoende gebeurd. Daarom is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgverplichting en moet hij de schade vergoeden.

 

(Kantonrechter Haarlem, 21 april 2005, LJN AT4930)

 

Een keukenhulp in een verpleegcentrum krijgt in 1998 de ziekte van Crohn. Pas na acht maanden kan zij weer aan de slag, maar in 1999 is zij zes maal korte tijd ziek en eind februari 2000 wordt zij weer arbeidsongeschikt. In juni 2000 probeert zij het werk op arbeidstherapeutische basis te hervatten. Reintegratie in haar eigen functie lukt niet: de uitvoeringsinstelling heeft vastgesteld dat zij niet langer geschikt is voor haar eigen werk. Zij kan wel andere passende arbeid verrichten en wordt niet als arbeidsongeschikt aangemerkt. Daarom volgt zij een opleiding tot receptioniste en heeft in april 2002 vijf van de zeven vakken met goed gevolg doorlopen.

 

Maar volgens de werkgever heeft zij onvoldoende communicatieve vaardigheden om als zodanig te werken. De arbeidsovereenkomst wordt per 1 november 2002 ontbonden.

 

De werkneemster eist bij de kantonrechter een bedrag van 50.000 euro wegens kennelijk onredelijk ontslag. Ze vindt dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn reintegratieverplichting omdat hij externe reintegratie heeft nagelaten. De gevolgen hiervan zijn, gezien haar leeftijd en de lengte van het dienstverband, voor haar te ernstig in vergelijking met het belang dat de werkgever bij de opzegging heeft.

 

De vordering wordt afgewezen en de werkneemster gaat in hoger beroep bij het hof. Dat veroordeelt de werkgever tot betaling van 5.000 euro. Volgens het hof had de werkgever maatregelen moeten nemen om de werkneemster in een ander bedrijf te reintegreren.

 

De werkgever gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Die merkt op dat het hof zijn oordeel uitsluitend heeft gebaseerd op artikel 8 lid 1 Wet REA. Dit is het artikel dat de werkgever verantwoordelijk maakt voor externe reintegratie. Maar dat is pas ingegaan op 1 januari 2003 en deze werkneemster is voor die datum arbeidsongeschikt geworden. Daarom wordt de klacht van de werkgever gehonoreerd.

 

(Hoge Raad, 29 april 2005, LJN AS 5891)

 

Een gemeenteambtenaar wordt op 15 november 2002 ontslagen omdat hij pornografisch materiaal heeft rondgemaild. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard en de werknemer gaat in beroep bij de rechtbank. Die verklaart het beroep gegrond omdat de werknemer zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Maar de rechtbank vindt dat voorwaardelijk ontslag een meer passende sanctie zou zijn geweest. Het ontslagbesluit wordt vernietigd maar de Gemeente gaat in beroep.

 

De Centrale Raad van Beroep vraagt zich af of de rechter heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De werknemer heeft onmiskenbaar gehandeld in strijd met de gemeentelijke gebruikersregels waarin gedetailleerde regels staan op het gebied van pornografie, regels die de werknemer kende.

 

Wat de Raad de werknemer vooral aanrekent, is dat hij de mails ook heeft gestuurd naar een hem onbekende persoon buiten de organisatie, en dat hij hiermee door bleef gaan hoewel de man hem per mail verklaarde dat hij daar niet van was gediend. Daarmee is afbreuk gedaan aan het aanzien van de Gemeente als fatsoenlijke en integere overheidsinstantie. Volgens de Raad is er daarom geen sprake van een onevenredig zware sanctie. De werknemer is er niet tevoren op gewezen dat een dergelijk plichtsverzuim tot onvoorwaardelijk strafontslag zou kunnen leiden, maar dat doet niets af aan het voorgaande. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt op grond van door de Gemeente overlegde stukken afgewezen. Het hoger beroep van de Gemeente slaagt. Het ontslag van de werknemer blijft gehandhaafd.

 

(Centrale Raad van Beroep, 27 januari 2005, LJN AS4759)

 

Reageer op dit artikel