artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werknemer werkt sinds 1986 bij de Informatie Beheer Groep. In januari 1993 krijgt hij wegens ernstig plichtsverzuim voorwaardelijk ontslag, met een proeftijd van drie jaar. Van augustus 1998 tot april 1999 neemt hij deel aan een project voor alcohol- en drugsverslaafden. In het voorjaar van 2000 verschijnt hij niet op een afspraak bij de bedrijfsarts. Na zijn herstelverklaring hervat hij ook niet direct zijn werk. Als dit in september weer gebeurt, maakt zijn leidinggevende met hem afspraken over de werkhervatting, de wijze van ziekmelding en begeleiding door een consultatiebureau. Afgesproken wordt dat hij bereikbaar moet zijn voor zowel zijn leidinggevende als de bedrijfsarts.

 

Dit wordt schriftelijk vastgelegd onder voorwaarde dat de werknemer een disciplinaire straf krijgt opgelegd als hij zich niet aan de afspraken houdt. Gewezen wordt op de mogelijkheid van disciplinair ontslag. In oktober gaat het weer mis. De werknemer geeft na een ziekmelding geen gehoor aan de oproep bij de bedrijfsarts te verschijnen; ook hervat hij het werk niet. Hij wordt schriftelijk gesommeerd te verschijnen bij de bedrijfsarts en daarna bij de leidinggevende.

 

Enige dagen later meldt hij zijn leidinggevende telefonisch dat hij de brief net heeft ontvangen.

 

Onderzoek door de bedrijfsarts geeft aan dat de werknemer niet arbeidsongeschikt is. Na een verantwoordingsgesprek wordt hem eind november 2000 disciplinair ontslag gegeven. De werknemer maakt bezwaar maar dat wordt ongegrond verklaard.

 

Ook beroep bij de rechtbank mag niet baten. De werknemer gaat in beroep bij de Raad van State.

 

Ook die is van oordeel dat de werknemer herhaalde malen afspraken over bezoek aan de bedrijfsarts en werkhervatting niet is nagekomen. De werknemer stelt dat hij niet kon voldoen aan de oproep om op het spreekuur te verschijnen, omdat die hem niet tijdig bereikte. Volgens de raad staat vast dat die oproep per koerier is afgeleverd. Uit de aantekeningen van de betrokken koerier op het ontvangstbewijs blijkt dat de werknemer toen aanwezig was, maar de deur niet wilde openen om voor ontvangst te tekenen. De werknemer is de afspraak om bereikbaar te blijven voor zowel bedrijfsarts als leidinggevende niet nagekomen.

 

Hij voert nog aan dat hij destijds in een labiele toestand verkeerde.

 

Daaruit volgt echter niet dat het plichtsverzuim hem niet valt toe te rekenen. Daarom is de disciplinaire maatregel terecht gegeven.

 

Gelet op de aard en het herhaalde en doorgaande karakter van de gedragingen wordt dit plichtsverzuim als ernstig gekwalificeerd.

 

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

 

(Centrale Raad van Beroep Utrecht, 5 januari 2004, LJN nr. AO2065)

 

Een werkgever wil de arbeidsovereenkomst ontbinden met een veertig jaar oude werknemer, in dienst sinds 1 september 2002 als scan operator. De werkgever vindt het functioneren van de werknemer onvoldoende. De werknemer treedt (te) eigenmachtig op en gesprekken hebben niet tot verbetering geleid.

 

Ook zijn ernstige wrijvingen ontstaan tussen de werknemer en zijn collega’s en leidinggevenden.

 

De werkgever spreekt de werknemer hierop aan in september 2003. De werknemer meldt zich kort daarna ziek.

 

Begin oktober 2003 constateert de arbo-arts dat er sprake is van een conflict en stelt voor een mediator in te schakelen. De werkgever ziet daar niets in. De werknemer wijst de kritiek op zijn functioneren van de hand.

 

Volgens de kantonrechter is niet aangetoond dat de werknemer daadwerkelijk disfunctioneert.

 

Mogelijk heeft de werknemer bepaalde opdrachten niet letterlijk uitgevoerd, maar dit kan hem niet worden verweten aangezien hij juist vanwege zijn deskundigheid op het gebied van scan-apparatuur is aangenomen. Daarom had hij een zekere eigen verantwoordelijkheid en ruimte om te bepalen op welke wijze hij zijn opdrachten uitvoerde. Wel is de arbeidsverhouding inmiddels zodanig verstoord dat ontbinding onontkoombaar is. Dit komt voor rekening van de werkgever.

 

Daarbij moet de omstandigheid worden betrokken dat de werkgever heeft geweigerd mee te werken aan de door de arbo-arts voorgestelde bemiddeling.

 

Daardoor heeft de verstoring van de relatie tussen partijen een definitief karakter gekregen. In de arbeidsovereenkomst staat een bepaling over terugbetaling aan de werkgever voor een door hem voor de werknemer betaald bedrag als de werknemer binnen twee jaar ontslag zou nemen.

 

Daaruit blijkt dat partijen de bedoeling hadden een langdurige relatie aan te gaan. Hiervan is echter door het optreden van de werkgever geen sprake geweest.

 

Het onverkort toepassen van de kantonrechtersformule zou daardoor niet leiden tot een billijke vergoeding. Daarom bestaat er aanleiding om de vergoeding vast te stellen op zes maandsalarissen, zijnde de periode tussen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het volmaken van de termijn van twee jaar.

 

(Kantonrechter Amsterdam 22 januari 2004, JAR 2004, 54)

 

Een vrouw werkt als adviseur en interim-manager bij een bedrijf.

 

Tijdens een bezoek in mei 1993 glijdt zij uit en loopt ze ernstig letsel op. De linoleumvloer is die ochtend door een schoonmaakbedrijf stofvrij gemaakt en voorzien van een nieuwe waslaag.

 

De vrouw draagt schoenen met leren zolen en hakken van anderhalve centimeter. Ze vordert schadevergoeding. De rechtbank vindt dat het bedrijf aansprakelijk is voor het ongeval en daarom voor vergoeding van de schade.

 

Wegens gedeeltelijke eigen schuld van de vrouw hoeft het bedrijf slechts tachtig procent van de schade te voldoen. Beide partijen gaan tegen dit vonnis in beroep.

 

Het hof stelt dat het uitglijden met name is veroorzaakt door de onderhoudsbeurt. Het is algemeen bekend dat een vloer die is voorzien van een nieuwe waslaag, daardoor gladder wordt.

 

Het bedrijf is dan ook als bezitter van de opstal op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk.

 

De linoleumvloer valt als een bestanddeel van het gebouw onder het bereik van het begrip ‘opstal’ als bedoeld in dit artikel. Het bedrijf heeft voor de (potentieel) gevaarlijke situatie niet gewaarschuwd door het plaatsen van borden of anderszins. Over de verdeling van de schade oordeelt het hof, dat niet is komen vast te staan dat de klager wist dat de vloer enkele uren eerder was behandeld.

 

Van onzorgvuldig handelen is niet gebleken, zeker niet omdat zij met de nodige voorzichtigheid liep. Het hof bepaalt daarom dat het bedrijf geheel aansprakelijk is voor de geleden schade.

 

(Gerechtshof den Bosch, 5 februari 2002, VR 2003, 139)

 

Reageer op dit artikel