artikel

Steun of dreun?

Geen categorie

Een groot aantal professionals in de regio vond inmiddels via de regionale centra de weg naar de kennis en expertise van het KGA. Maar of zij in de toekomst ook kunnen terugvallen op het kennisnetwerk, is onzeker geworden. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) besloten eind vorig jaar geen verdere subsidie meer te verstrekken aan het KGA. Een woordvoerder van het ministerie van VWS verdedigt die beslissing: ‘De subsidie stopt omdat het een tijdelijke projectsubsidie betrof. Het is niet dat we de instelling niet meer belangrijk vinden. Maar op het moment dat een project is afgelopen, stopt ook de subsidie die daarmee gemoeid is. We verlengen een subsidie niet om een instelling overeind te houden. Daar zijn instellingssubsidies voor.’

 

Frank de Man: ‘We wisten dat de subsidie eindig was. Maar we zouden met de ministeries spreken over condities en snelheid waarmee we naar de markt zouden worden begeleid. Maar er is nooit een goed inhoudelijk gesprek geweest. Het houdt ineens op. De overheid zegt gewoon: we hebben vier, vijf jaar betaald en that’s it. De markt moet het nu maar adopteren. Dat is bizar.’ Volgens De Man is het nu een ongelukkige tijd voor het kennisnetwerk om zonder subsidie verder te gaan. ‘Want er is helemaal nog geen markt’, stelt hij. ‘Natuurlijk weet je dat subsidie tijdelijk is. En het liefst heb ik ook helemaal geen subsidie. Maar we zijn in een bijna Kafkaiaanse situatie beland. We moeten in een private markt ons bestaansrecht aantonen. Maar we zijn juist opgericht om iets neer te zetten waar aanvankelijk geen behoefte aan bestond. Wij moesten bewustwording kweken rond arbeid en gezondheid, zodat er via samenwerking betere en effectievere arbeidsgeneeskunde zou ontstaan. We moesten onze eigen markt creeren. Dat is best. Maar dan moet je na een tijd een analyse maken en beoordelen of de markt rijp is voor adoptie. Dat is de markt nu niet. De condities zijn niet rijp. Er loopt een enorme privatiseringsoperatie. Zorg en WAO moeten nog geprivatiseerd worden. Er is heel veel onduidelijk. Iedereen wacht af waar het precies naar toegaat. Zorg- en inkomensverzekeraars houden een slag om de arm en hun opstelling kan per maand veranderen. Wij zijn daarvan afhankelijk. Op zo’n moment zegt de overheid: we stoppen ermee. Daarmee is de behoefte aan het onderwerp niet weg. De behoefte wordt alleen maar groter. Het is heel Kafkaiaans .’

 

Jos Rooyackers is plaatsvervangend hoofd van het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen – Opgelucht Werken. Hij schetst uitvoerig het belang van het landelijk kenniscentrum op het gebied van longziekten, verbonden aan het Universitair Longcentrum Dekkerswald in Groesbeek, voor de arbeidsgeneeskunde. Rooyackers: ‘Als kenniscentrum zijn wij er in de eerste plaats voor bedrijfsartsen en longartsen. We hebben vorig jaar onder andere onze kennis ingebracht voor de NVAB-richtlijn om werknemers met astma/COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) beter te kunnen diagnosticeren en behandelen. Zo’n tien procent van de 700.000 rokers krijgt boven hun vijftigste last van COPD, zoals chronische bronchitis of longemfyseem. COPD is daarmee een volksaandoening en betekent een enorme kostenaanslag op de gezondheidszorg. Via de richtlijn brengt het kenniscentrum deskundigheid op het vakgebied over naar bedrijfsartsen. Aan de andere kant is er bij longartsen vaak onvoldoende aandacht voor de factor arbeid bij longaandoeningen. Daar richten we ons ook op.’ Samen met TNO Arbeid en de Orde van Medisch Specialisten werkt het kenniscentrum mee aan het opstellen van een arbeidsanamnese voor specialisten. Rooyackers: ‘Iemand met een longaandoening heeft vaak een mindere belastbaarheid in zijn werk. Daar moet voldoende aandacht voor zijn.’ Het kenniscentrum functioneert verder als polikliniek voor longspecifieke diagnostiek. Een multidisciplinair team diagnosticeerde de afgelopen twee jaar zo’n 150 verwijzingen. Rooyackers: ‘Wij stellen een plan van aanpak op voor de behandeling waar andere artsen mee aan de gang gaan.’ Verder doet het kenniscentrum onderzoek dat is gericht op vroegdetectie en preventie van longaandoeningen. Rooyackers beschouwt het ‘als pure kennis- en kapitaalvernietiging’ als het kennisnetwerk door het wegvallen van subsidie uiteen zou vallen. Rooyackers: ‘Er is iets voor te zeggen dat je op een bepaald moment je eigen broek moet kunnen ophouden. Van subsidie gaat ook een negatief signaal uit. Maar ik heb er moeite mee dat de overheid op geen enkele wijze een prikkel heeft gegeven aan de markt om actief te worden. Dan was het meer een geleidelijk proces geweest.’

 

Rooyackers zit samen met voorzitter Frank de Man in de stuurgroep Kennisnetwerk Gezondheid en Arbeid. De stuurgroep is opgericht om de deelnemende partijen in het kennisnetwerk een organisatorisch verband te geven en om de nieuwe ontwikkelde visie en strategie van het netwerk vorm te geven. Voorzitter Frank de Man: ‘We hebben in april van dit jaar besloten de zaak over een andere boeg te gooien. De overheid heeft geen oor voor ons. Daarom hebben we besloten de samenleving te mobiliseren. Er is een Raad van Advies en een Comite van Aanbeveling samengesteld. Laten die maar zeggen wat ze ervan vinden.’

 

Het Comite van Aanbeveling bestaat uit de voorzitters van artsenorganisatie KNMG, werkgeversorganisaties VNO/NCW en MKB Nederland, GGZ Nederland, revalidatie Nederland, Raad van Bestuur Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, de directeur van de divisie Arbeidsongeschiktheid van het UWV en A. Heerts namens het federatiebestuur FNV. Al deze partijen zijn ook vertegenwoordigd in de Raad van Advies, die verder is aangevuld met andere werknemersorganisaties, beroepsorganisaties van artsen, paramedici en arboprofessionals, verzekeraars en het Breed Platform Verzekerden en Werk. Met de Raad van Advies is overleg over de te volgen strategie. Frank de Man: ‘Ons kompas zit nu dicht bij de samenleving. Dat leidde onlangs tot de uitspraak van de Stichting van de Arbeid die in een brief aangeeft dat ze kennisnetwerk uitermate belangrijk vindt.’

 

Volgens De Man liggen er inmiddels businessplannen die aangeven hoe de kenniscentra en de regionale centra in de toekomst zonder subsidie zouden kunnen blijven bestaan. Maar voordat die plannen tot volle wasdom zijn gekomen, ben je zo twee jaar verder, meent De Man. Daarom hoopt hij alsnog op een overbruggingssubsidie voor twee jaar. Ondertussen worden ook gesprekken gevoerd met een derde private partij. ‘De weg om te overleven is voor de verschillende centra verschillend’, zegt De Man. ‘De kenniscentra moeten gerichte afnemers vinden voor hun producten gericht op kennisoverdracht en implementatie. Het is de bedoeling dat de kenniscentra doorgroeien naar een mixfinanciering van onderzoek en kennisproducten, implementatieactiviteiten en zorgverlening (poliklinieken). Medwerk, dat bestaat uit de vijftien regionale centra, willen we onderbrengen in regionale ondersteunings-structuren (ROS). Dat is een nieuw initiatief van de overheid. In twintig regio’s moeten er eer-stelijnsstructuren komen die niet alleen de huisartsen, maar ook anderen in de eerstelijns-zorg zoals fysiotherapeuten, ondersteunen in kwaliteitsbeleid. Als Medwerk daarbij aansluit, zitten we heel dicht bij de professionals. Dat willen wij graag om de professionals, via na- en bijscholing en andere middelen, bezig te laten zijn met de effecten van gezondheid op arbeid en arbeid op gezondheid. Want er is nog steeds grote behoefte dat de gezondheidszorg op dat punt effectiever gaat functioneren.’ Volgens De Man ligt de zaak voor het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten iets beter dan voor de kenniscentra en regionale centra. ‘Het NCvB heeft nog een aparte subsidie voor de specifieke taken die ze doen’, aldus De Man.

 

Het Kennisnetwerk heeft als overbruggingssubsidie voor komend jaar 1,5 miljoen euro gevraagd bij de overheid. Voor het jaar 2006 twintig procent minder. ‘En het jaar daarop moeten we grotendeels op eigen benen kunnen staan’, is de inschatting van voorzitter De Man.

 

De VWS-woordvoerder houdt vooralsnog de vingers op de knip: ‘Er zijn heel veel belangrijke instellingen en projecten. En iedereen vindt zichzelf het meest belangrijk. Maar de overheid kan haar euro’s maar een keer uitgeven. We moeten keuzes maken. We hanteren daarbij niet langer de kaasschaaf-methode, maar kiezen gericht welke projecten we steunen en welke niet meer. Als een netwerk functioneert en goed op weg is, kunnen prioriteiten anders komen te liggen. Daarmee kunnen bestaande structuren van projecten niet langer worden voortgezet, maar dat is nu eenmaal verbonden met keuzes.’

 

Frank de Man: ‘Ik ga er voor vijftig procent vanuit dat het Kennisnetwerk behouden blijft. Ik houd niet op totdat dit gelukt is, omdat ik weet dat dit zinnig is en de samenleving dit nodig heeft. Alleen zit iedereen naar elkaar te kijken en dreigen wij te verdrinken in een vacuum waarin iedereen roept: het is belangrijk, maar niet betaald. Dat doorbreken we nu door de maatschappelijke steun van de Stichting van de Arbeid. Dat geeft ons weer power naar de overheid en derden om door te schakelen. Dat is de ambitie van alle betrokkenen.’

 

Reageer op dit artikel