artikel

VASt maakt kennis toegankelijk

Geen categorie

Kernpunt in het VASt-project is dat de informatie in de gehele keten van leveranciers en gebruikers van stoffen moet worden doorgegeven. De risico’s van oplosmiddelen bijvoorbeeld zijn bij werknemers van een verfproducent genoegzaam bekend, en een groot schildersbedrijf zal ook aardig op de hoogte zijn. Bij een schildersbedrijfje om de hoek kan dat al heel anders zijn. In elk geval behoeft zo’n onderneming andere informatie dan een kapper of een schoenmaker die weliswaar eveneens met oplosmiddelen te maken heeft, maar met heel andere producten zoals kleurspoeling of lijmen voor zolen werkt.

 

In het VASt-project zullen nadrukkelijk andere kanalen en systemen van informatieoverdracht over de risico’s worden onderzocht. Vaak is er in al die jaren heel veel kennis opgebouwd, maar is die onvoldoende toegankelijk. ‘Zo heeft Stichting Arbouw tientallen rapporten over arbeidsomstandigheden in de kast staan die eigenlijk te weinig toegankelijk zijn voor eindgebruikers’, constateert Hollander. Een database op internet is een voor de hand liggende optie, al waarschuwt Hollander dat zo’n bestand niet zonder meer zoden aan de dijk zet. ‘Het moet duidelijk zijn wie de database beheert en actualiseert, hoe mensen bij de informatie kunnen en vooral hoe werkgevers en werknemers daadwerkelijk met de informatie aan de slag gaan.’

 

Mondjesmaat is in Nederland ervaring opgedaan met affiches en posters op de werkplek die met een stoplichtmodel (‘rood = niet doen’) in een oogopslag enkele gulden regels duidelijk maken. Ook zijn in een aantal branches proefprojecten gehouden, zoals in de sector van industriele reinigingsbedrijven (Orsima).

 

‘Daarbij moet je denken aan het grove werk, zoals het schoonmaken van schepen en grote chemische installaties in het Botlekgebied’, zegt Kees de Schipper, arboadviseur bij Orbis.

 

Zelf maken de reinigingsbedrijven gebruik van relatief onschuldige stoffen als water, stoom en zeep.

 

‘Wat zich echter allemaal aan vuil in de tanks bevindt is een groot probleem. Het betreft een scala van uiteenlopende stoffen.

 

Grote opdrachtgevers verstrekken daarover beter informatie dan de kleinere’, aldus De Schipper.

 

‘Maar de reinigingsbranche omvat veel kleine bedrijven die afhankelijk zijn van hun opdrachtgevers. Uit praktijk-onderzoek blijkt bovendien dat de reinigers die wel informatie krijgen, er niet goed mee uit de voeten kunnen, onder meer door de grote tijdsdruk van de werkzaamheden. Vaak werkt de directeur gewoon mee’, aldus De Schipper.

 

In de eerste fase van het pilotproject is in kaart gebracht welke bedrijven allemaal een rol spelen in de keten, zowel in de ‘reinigingsketen’ als in de ‘vuilketen’.

 

De Schipper: ‘We staan nu op het punt om te onderzoeken hoe de informatie beter beschikbaar gemaakt en ontsloten kan worden, zodat de reinigingsbranche er in de praktijk vrijwel direct mee kan werken.’

 

Gegevens melden over duizenden stoffen is niet zo zinvol. Het kennissysteem zal daarom bestaan uit een aantal hoofdcategorieen.

 

‘Daaraan willen we direct een maatregelenpakket koppelen’, aldus De Schipper.

 

‘Het moet zo in elkaar zitten dat de gebruikers er in de werksituatie concreet mee aan de slag kunnen.’ Dat kan leiden tot een brancherichtlijn, die mogelijk wordt gecertificeerd. Uiteraard is de beschikbaarheid van het kennissysteem op een website een concreet doel van het proefproject, net als een cursus voor werkvoorbereiders.

 

De kappersbranche is een andere sector waar een proefproject van VASt is gestart. Kappers hebben in hun werk al gedurende lange tijd met arborisico’s te maken.

 

Vroeger waren de scharen van nikkel, waardoor kappers een nikkelallergie konden oplopen.

 

‘Doordat de scharen nu nikkelarm zijn, behoort dat probleem inmiddels tot de verleden tijd’, zegt Frans de Kruif, net als De Schipper werkzaam bij Orbis.

 

‘Ook de sterk zure stoffen in permanentvloeistoffen staan op het punt van vervanging. We hopen eveneens door overleg en afspraken met de producenten van cosmetica, verenigd in de Nederlandse cosmetica vereniging (NCV), de sterk stuivende blondeermiddelen aan banden te leggen. Dat kan door de samenstelling ervan te verbeteren, maar wellicht ook door kappers het blondeerpoeder voortaan in gesloten apparaatjes in de kapperszaak aan te laten maken.’

 

Mede door de blootstelling aan blondeerpoeder krijgt dertig tot veertig procent van de kappers ooit in zijn carriere kapperseczeem.

 

Ziekteverzuim en WAOinstroom blijven echter binnen de perken doordat het verloop onder kappers groot is. ‘Veel mensen met zo’n arboprobleem verlaten snel het vak en gaan iets anders doen’, aldus De Kruif.

 

Anders dan in de branche van industriele reinigers is voor kappers de meest cruciale informatie wel min of meer beschikbaar.

 

De Kruif: ‘Dat gebeurt niet in de laatste plaats bij de kapperspoli in Arnhem. Daar werkt een gespecialiseerd team dat niet alleen elke vorm van kapperseczeem kan duiden, maar ook kan aangeven met welke stoffen onder welke omstandigheden de betreffende kapper nog wel kan werken.’ Probleem in de kappersbranche is volgens de Kruif meer hoe de kappers en de medisch professionals als bedrijfsartsen te bereiken: dat zijn immers twee verschillende doelgroepen die hetzelfde informatiesysteem langs een andere weg moeten gaan gebruiken.

 

De Kruif legt de vinger op de zere plek. ‘Kappers zijn geen lezers en evenmin intensieve internetgebruikers.

 

Daarom gaan we op zoek naar aansprekende vormen om hen te bereiken, zoals modeen roadshows met spannende muziek en beelden, waarin de boodschap van de arbeidsomstandigheden terloops maar indringend ter sprake komt.

 

Begin 2003 hebben we daar met de ‘Preview tour’ voor kappers goede ervaringen mee opgedaan.

 

Op bijvoorbeeld de grote kappersbeurs in april 2004 in Ahoy gaan we daar zeker mee door.’

 

Reageer op dit artikel