artikel

Werk iets veiliger

Geen categorie

Hoewel vier jaar niet erg lang is om conclusies uit te trekken, wijzen twee van de drie belangrijke indicatoren op een dalende trend. Het totaal aantal ongevallen met letsel en verzuim nam af van 103.000 in 2000 naar respectievelijk 95.000, 103.000 en 93.000 in de daaropvolgende jaren. Het aantal ziekenhuisopnamen – gecorrigeerd voor weers- en seizoensinvloeden en vergrijzing – vertoont de meest ondubbelzinnige trend: van 4.000 naar 3.200. Wel was er een daling te bespeuren bij het aantal dodelijke ongevallen: van 119 naar 104, maar met een uitschieter naar beneden van 91 in 2002 is geen significante trend vast te stellen.

 

Vooral mensen van 15 tot 34 jaar werden minder vaak in het ziekenhuis opgenomen na een arbeidsgerelateerd ongeval, 38 procent minder vaak om precies te zijn. De gemiddelde daling voor alle leeftijdsgroepen was 23 procent.

 

Ook de bedrijfsgrootte is belangrijk. In kleine bedrijven bleef het aantal ongevallen met letsel en verzuim min of meer stabiel, maar het risico in middelgrote bedrijven is tussen 2000 en 2003 significant gedaald tot iets onder het niveau van grote bedrijven.

 

De invloed van overige risicofactoren, zoals bedrijfstak, geslacht, leeftijd, herkomst en arbeidsrelatie, blijft over alle onderzochte jaren ongeveer gelijk.

 

Wat zijn nu de risicofactoren? Volgens de Monitor 2003 nemen enkele sectoren, waar ruim een derde van de beroepsbevolking werkt, de helft van de ongevallen met verzuim voor hun rekening. Het gaat om de industrie, de handel en de bouwnijverheid. Als we het sec hebben over de kans op een dodelijk ongeval of ziekenhuisopname per 100.000 werkenden, dan springt de sector landbouw en visserij er duidelijk uit. Tegenover deze sectoren met relatief hoge risico’s, staan lage risico’s binnen onderwijs, gezondheidszorg en financiele instellingen. Opvallend is dat het openbaar bestuur, voor het gevoel wellicht een vrij safe werkkring, niet verder dan de middenmoot komt.

 

De bedrijfsgrootte is wel een factor van betekenis: hoe groter de onderneming, hoe groter ook de kans op een ongeval. Het gaat om een toename van iets minder dan een op honderd naar 1,2 op de honderd. Maar niet alleen de sector en de bedrijfsgrootte bepalen het risico. Ook geslacht, leeftijd, opleiding, herkomst en arbeidsrelatie spelen een rol. Kort samengevat: voor een jonge, allochtone, mannelijke werknemer met weinig opleiding in het middelgroot en grootbedrijf is het oppassen geblazen. Zijn tegenpool, de oudere, autochtone, vrouwelijke kleine ondernemer met een hoge opleiding loopt relatief weinig risico op het werk.

 

De cijfers over 2003 leveren boeiende gegevens op, vooral waar het gaat om de persoonskenmerken van de risicogroepen. Dat hoeven niet altijd minderheidsgroepen te zijn. Neem de volgende risicogroep: de mannen. Misschien lijkt het logisch dat die groepzich in de gevarenzone bevindt, want nog altijd werken er meer mannen dan vrouwen: 56 tegen 44 procent. Logisch dus dat er ook meer mannen bij een arbeidsongeval zijn betrokken. Toch is er meer aan de hand want niet 56 procent van de slachtoffers van een ongeval met letsel en verzuim is man, maar 79 procent. Gaat het om ziekenhuisopnames en dodelijke ongevallen, dan zijn de percentages zelfs respectievelijk 92 procent en 96 procent. Een man loopt maar liefst twintig keer zoveel kans op een dodelijk werkgerelateerd ongeval als een vrouw.

 

Ook de leeftijd levert interessante waarnemingen op. Jongeren, vooral die tussen de twintig en vierentwintig jaar, hebben anderhalf keer zoveel kans op een ongeval met verzuim als gemiddeld. Maar hier dient zich een paradox aan: het zijn juist ouderen die de ernstige arbeidsongevallen krijgen. 55-plussers lopen een drie tot vijf keer hogere kans op een ziekenhuisopname of overlijden na een arbeidsongeval.

 

Dan de allochtonen. Zij lopen net als jongeren een anderhalf keer zo grote kans op een ongeval met verzuim. Maar het opleidingsniveau zorgt voor veel grotere verschillen. Iemand met alleen basisonderwijs loopt – ongetwijfeld mede door het soort werk dat hij of zij uitvoert – ruim zes keer zoveel kans op een ongeval met verzuim als een universitair geschoolde. Opmerkelijk is dat elke stap in het onderwijs zich vertaalt in een lager risico. Daarbij is de stap van HAVO naar HBO het grootst: van 1,36 ongevallen per honderd werkenden per jaar naar 0,36 per honderd werkenden per jaar. Wie zei dat studeren niet loont?

 

Ook het zelfstandig ondernemerschap lijkt heilzaam; het levert een duidelijk lagere kans op een ongeval op. Opmerkelijk is, dat ook werknemers met een flexibele arbeidsrelatie minder vaak een arbeidsongeval hebben dan vaste medewerkers.

 

Voor het ontwikkelen van beleid is bestudering van de cijfers over de toedracht en over de oorzaken van ongevallen nuttig. De conclusie kan alleen maar luiden dat valpreventie een flinke prioriteit verdient. Van de ongevallen waarbij ziekenhuisopname nodig is, is maar liefst 43 procent terug te voeren op een val. Andere veel voorkomende oorzaken zijn ‘contact met een bewegend object’ (17%), ‘contact met snijdend, puntig, hard of ruw object’ (13%) en beknelling (13%). Ook bij de dodelijke ongevallen is een val vaak de oorzaak (19%). Maar vaker nog vallen er doden doordat werknemers ergens door geraakt of getroffen worden (36%) of bekneld raken.

 

Niet verrassend is dat ook het menselijk gedrag erg belangrijk is voor de veiligheid. De informatie van de Arbeidsinspectie maakt duidelijk dat het veiligheidsbewustzijn en de veiligheidscultuur in bedrijven nog vaak te wensen overlaten. Een kwart van de circa 1.400 meldingsplichtige ernstige en dodelijke ongevallen wordt veroorzaakt doordat medewerkers hun werkplek niet veiligstellen of borgen. Belangrijke andere oorzaken waren: ontoereikende afscherming, onjuist materiaal en onjuist materiaalgebruik, onjuiste belading, werken zonder bevoegdheid en het buiten werking stellen van veiligheden.

 

Dodelijke ongevallen komen het vaakst voor op het bedrijfsterrein (57 doden), op de bouwplaats (14 doden) en in het verkeer. In 2003 overleden negentien mensen die voor hun werk onderweg waren. Ook bij de overige dodelijke ongevallen was een ‘transportwerktuig’ (bijvoorbeeld een heftruck op het bedrijfsterrein) de belangrijkste veroorzaker van dodelijke ongevallen, op enige afstand gevolgd door ladders, steigers of delen van gebouwen.

 

In bijna de helft van alle gevallen van letsel en verzuim bestaat het letsel uit oppervlakkige of open wonden. Ze zijn vaak ernstig en ze verklaren dan ook bijna een kwart van de opnames in het ziekenhuis. Toch krijgen de artsen en verpleegkundigen hier het meest te maken met botbreuken: die nemen iets minder dan de helft van de gevallen voor hun rekening. Letsel aan armen (31%) en benen (25%) komt het vaakst voor. Voor hoofdletsel moet men in 19 procent van de gevallen in actie komen.

 

Behalve veel leed veroorzaken de 93.000 arbeidsongevallen ook veel verzuim. Een kwart van de slachtoffers kon weliswaar na een tot vier werkdagen weer aan de slag, maar een ander kwart zat, of lag, een maand na het ongeval nog steeds thuis.

 

Het is te hopen dat de cijfers over 2004 een bevestiging te zien zullen geven van de dalende trends die zich over de periode 2000-2003 lijken af te tekenen. De cijfers over 2003 geven aan, dat er nog steeds veel werk aan de winkel is op het gebied van veiligheid op de werkplek. Nog steeds zijn kennelijk niet overal de juiste beschermingsmiddelen en fysieke omstandigheden aanwezig of worden ze niet op de goede manier gebruikt.

 

MONITOR ARBEIDSONGEVALLEN

 

Sinds 2001 vergelijken TNO Kwaliteit van Leven in Hoofddorp en Consument en Veiligheid in Amsterdam verschillende gegevens, aangeleverd vanuit het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Arbeidsinspectie en het Letsel Informatie Systeem (LIS) van Consument en Veiligheid. Ze hebben een methodiek ontwikkeld om uit al die bronnen een eenduidig overzicht te krijgen. Het werk wordt gedaan in opdracht van het Ministerie van SZW en vindt zijn weerslag in de jaarlijkse Monitor Arbeidsongevallen.

 

 

Dit is het tweede artikel over de uitkomsten van een internationale studie naar psychische arbeidsongeschiktheid vanuit Nederlands perspectief. Het eerste verscheen in ARBO 7/8 op blz. 38 en volgende.

 

Reageer op dit artikel