artikel

De arbocatalogus: zorgen dat ‘ie werkt’ (I)

Gezond werken

Deze pilot speelde rond enkele bedrijven in de luchtvaart en hun arbodienst. Het experiment was: een ‘anders dan anders-inzet’ van bepaalde medewerkers bij de ontwikkeling, implementatie en beheer van een arbocatalogus. Het ging om arbocoordinatoren van de bedrijven en deskundigen van de arbodienst. Zij zouden niet als ‘louter gebruiker’ en ‘louter ontwikkelaar’ optreden, maar beiden de rol van redacteur vervullen. De vraag was: welke andere ondersteuning is nodig als een bedrijf of branche voor deze meer interactieve en duurzamer aanpak kiest?

 

Het plan was dat TNO de redacteurs optimaal zou ondersteunen door hen op weg te helpen met de ordening en vulling van de catalogus (risico’s, zoekfilters, oplossingen, autorisatiesysteem). Samen met de bedrijven keek TNO ook naar de rol van de arbodienst richting de bedrijven, de taken waarvoor de arbodienst zelf de tool kon aanpassen, en de technische inzetbaarheid van de tool. Hiertoe waren drie workshops van een dagdeel voorzien: werksessies met 6-12 deelnemers die hands on in het arbocatalogussysteem konden werken. Als redacteur mochten zij nieuwe oplossingen maken, die van anderen redigeren en deze publiceren. In de eerste workshop kregen de deelnemers instructies en konden zij eerste ervaringen opdoen. De tweede ging over het redigeren van oplossingen (verbeteren vanuit diverse invalshoeken). In de derde workshop stond de feedback van werknemers en werkgevers centraal.

 

Er waren twee workshops. Wat bleek? Niet alle deelnemers waren aanwezig en bovendien bleken ze weinig tijd in de voorbereiding te steken. Daarnaast hadden ze weinig affiniteit met het gebruik van ICT-middelen, zoals het contentmanagementsysteem (CMS) van de tool. De arbodienst was juist erg gericht op de technische mogelijkheden en beperkingen, en op het gebrek aan benodigde vaardigheden. De aandacht voor de inhoudelijke rol van de redacteurs werd daarmee ondergeschikt. De derde workshop ging daarom niet door. Opmerkelijk was verder dat de arbodienstmedewerkers geen praktische benadering kozen. Ondanks dat de arbodienst wel gespecialiseerd is in het werk van de bedrijven. En de arbodienstadviseurs ook veel persoonlijke contacten hebben met lijnfunctionarissen, staf en werknemers van de bedrijven (feitelijk een ideale situatie). Oplossingen werden bijvoorbeeld niet opgepikt en ondersteund vanaf de werkvloer, maar vanuit de arbodienst ‘bedacht’. Ook was men niet bereid om aparte beschrijvingen van oplossingen voor leidinggevenden en werknemers te maken, zelfs niet als oefenvorm. Kortom: de instelling en het commitment voor de ‘redacteurenaanpak’ waren niet optimaal. Niet vanuit de bedrijven, noch vanuit de arbodienst. Toch zijn in deze pilot relevante resultaten geboekt:

 

– meer inzicht en vaardigheden voor ondersteuning van redacteuren;

 

– stappenplan met instructies en handleiding voor redacteuren;

 

– technische en functionele aanpassingen in het CMS. Hierdoor is de gebruikersvriendelijkheid voor redacteuren vergroot.

 

Info In Praktijkblad Preventie 6 volgt een verslag van de derde pilot, met tips voor innovatieve implementatie.

 

Lessen voor vernieuwende implementatie: ‘deskundigen als redacteur‘

 

– Een redacteurenrol door medewerkers uit arbodiensten en bedrijven is soms (toch) zinvol. Kennis uit bedrijven en een korte lijn tussen werkvloer en arbodienst kunnen immers zorgen voor oplossingen en goede praktijken zeer dicht op de werkvloer. Dat biedt meerwaarde. Deze ‘anders-dan-anders-aanpak’ vraagt wel om commitment van de betrokkenen.

 

– De sociale partners moeten nadrukkelijk achter deze aanpak staan. In de pilot ging het om het management en de ondernemingsraden (en werkvloer) van de bedrijven. Zij speelden hier nauwelijks een rol, omdat de arbodienst in dit geval als klant voor het TNO-team fungeerde. Het werkt dus beter wanneer de sociale partners de klant zijn.

 

– Het ontwikkelproces en de tool moeten leuk zijn. Bovendien moet de arbocatalogus aansluiten op prioriteiten en knelpunten van bedrijven, niet van deskundigen. De tool moet ook praktische oplossingen bevatten voor herkenbare problemen: concrete acties, tips, voorbeelden, plaatjes, filmpjes e.d.. Voor de gebruikers in de bedrijven – werkgevers, werknemers, arbocoordinatoren – neemt de waarde van de arbocatalogus hierdoor sterk toe.

 

– Inhoudelijke kennis moet van diverse ‘leveranciers’ komen. Van deskundigen van de arbodienst, maar ook van anderen die over relevante kennis beschikken, bijvoorbeeld mensen van de werkvloer. Door alle kennisleveranciers elkaar geregeld te laten ontmoeten, verrijkt iedereen zijn kennis en inzichten. Zo ontstaat ook meer afstemming over en draagvlak voor de arbovraagstukken en de aanpak in bedrijven.

 

– Eerst aandacht voor de stakeholders en hun rollen, pas daarna voor de tool. Deze les is vooral belangrijk voor ondersteuners van deze innovatieve aanpak. Focus in het begin dus vooral op de stakeholders in hun rollen te krijgen: wie zijn de echte klanten/gebruikers, en dus de beslissers? Wie zijn de redacteuren? En wie zijn de kennis- en dienstenleveranciers? Focus pas later op de tool zelf: de structuur, de techniek en de inhoud. Bedenk: de tool is een middel, niet het doel.

 

 

Reageer op dit artikel