Roept u maar!
<p>Figuur 1 laat zien dat er aanzienlijke en vrij stabiele verschillen zijn tussen de landen. Nederland kent het hoogste aantal arbeidsongeschikten per 1000 verzekerden: in 2002 lag dit aantal op 116. In de andere landen was dit een stuk lager (Zweden 86, Duitsland 60, Belgie 52, Zwitserland 44, Canada 25). Hoewel de Nederlandse cijfers na 2002 zijn gedaald, is nog niet het niveau van de andere landen bereikt. Ook blijkt over de onderzochte periode van tien jaar de trend te verschillen: deze is in Canada, Duitsland en Nederland dalend, in Belgie stabiel en in Zweden en Zwitserland stijgend. De hogere cijfers in Nederland hangen onder andere samen met de sterkere instroom. In 2002 waren er dertien instromers per 1000 verzekerden. De andere landen telden er elf (Zweden), acht (Belgie), zes (Duitsland en Zwitserland) en twee (Canada) per duizend. De trend in de WAO-instroom is in Nederland sinds 2001 dalend, terwijl deze in Belgie, Zwitserland en Zweden blijft stijgen.</p>
<p>Bij een groot bedrijf waar jaarlijks honderden investerings- en onderhoudsprojecten worden uitgevoerd, onderzocht Zanders Consulting & Training de effectiviteit van de procedure om veiligheids-, gezondheids- en milieuaspecten te beheersen. Het betrof een bedrijf in de industrie met ongeveer 3500 werknemers, dat onderdeel uitmaakt van een grote multinational. De onderneming omvat laboratoria, kantoren en productiefabrieken en er wordt met gevaarlijke stoffen gewerkt.</p>
<p>De problemen die zich voordoen bij arbocuratieve samenwerking, zijn onder te verdelen in vier groepen: praktische, structurele, juridische en sociaalpsychologische knelpunten. Praktische knelpunten hangen veelal samen met tijd en bereikbaarheid. Veel professionals zijn gewend om autonoom beslissingen te nemen. Overleggen met een andere partij kost simpelweg meer tijd en die wordt soms niet vergoed. Bovendien weet men vaak niet waar en hoe de ander te bereiken is. Dit geldt vooral voor huisartsen of paramedici die in overleg willen treden met een bedrijfsarts. Veel werknemers weten immers niet eens wie hun bedrijfsarts is. En ook als dit wel bekend is: een goedwillende huisarts of fysiotherapeut die een bedrijfsarts probeert te bellen en na vier pogingen nog niet 'beet' heeft, raakt gefrustreerd. Dan een structureel knelpunt. In Nederland is er ruim een eeuw geleden afgesproken dat er enerzijds behandelende artsen zijn en anderzijds artsen voor de controle (nu: begeleiding) van (zieke) werknemers. Deze scheiding tussen bedrijfsartsen en huisartsen is destijds vastgelegd. Tussen deze groepen bestaan bovendien statusverschillen. Curatieve artsen staan 'hoger' dan bedrijfsartsen (en ook dan paramedici). Door deze pikorde zoeken 'hoger geplaatsten' vaak geen samenwerking met 'lager geplaatsten' en meent men het wel alleen te kunnen.</p>
<p>Het was beter geweest als de NEN 6088 niet alleen een minimumhoogte had voorgeschreven, maar ook de herkenbaarheid. In de norm had moeten staan dat de borden altijd herkenbaar moeten zijn, ook als mensen tussen twee vluchtdeuren in staan. Aan die eis valt gemakkelijk te voldoen, door een groot formaat borden te gebruiken, of door om de twintig meter een vluchtbord op te hangen. Deze laatste optie is echter niet zo ideaal. Stel dat er in een ruimte om de honderd meter een vluchtdeur zit. Dan moeten er dus vijf bordjes worden opgehangen om de afstand van de ene naar de andere deur te overbruggen. Dat maakt de vluchtwegsignalering als geheel visueel druk. Want niet alleen hangen er dan meerdere bordjes; er komt ook meer informatie op de bordjes te staan. De pijl op een bord bij een vluchtdeur wijst <span class="NADRUK">horizontaal </span>naar de deur; een pijl op een tussenbord wijst rechtdoor, of verderop in <span class="NADRUK">verticale </span>richting. Maar mensen die tussen vluchtdeuren in staan, moeten ook nog weten wat de dichtstbijzijnde deur is. De tussenborden moeten dus ook nog een afstandsaanduiding krijgen. Het is veel eenvoudiger om grote borden op te hangen. Voor een ruimte met om de honderd meter een vluchtdeur moeten de borden dan vanaf vijftig meter afstand herkenbaar zijn. In dat geval moet het bord dus 250 millimeter hoog en 520 millimeter lang zijn.</p>
<p>Weet u ook nog steeds niet hoe het moet: uw foto's op het beeldscherm 90 graden laten kantelen? Vanaf nu hoeft u niet meer op cursus. Want met de LX Bureauzwenkarm van Ergotron draait u even aan uw beeldscherm en bereikt u hetzelfde effect. Het maakt niet uit of de monitor twee kilo weegt of negen, met Ergotrons geesteskind is hij moeiteloos te draaien, te zwenken en op en neer te bewegen. De fabrikant rept van een ongekend instellingsbereik: de zwenkarm is 33 centimeter in hoogte en 61 centimeter in diepte verstelbaar. Het monitorrotatiepunt kan 180 graden naar links en rechts zwenken, en als de gebruiker de arm 360 graden wil laten draaien, kan dat ook. Nee, dit is niet alleen leuk voor kleine kinderen, hoewel Ergotron meldt dat ook die de hoogte van de monitor kunnen instellen. Een beeldschermwerker kan met de zwenkarm voorkomen dat er hinderlijk licht op zijn scherm valt. Op die manier bereikt hij volgens de fabrikant een optimaal kijkcomfort en vermindert hij de kans op oog-, rug- en nekklachten.</p>
<p>Het onderzoek van de Arbeidsinspectie richt zich op de opslagloods. Hoe kon het dat de chauffeur daar tegen een staander botste? In de loods worden goederen tijdelijk opgeslagen totdat zij naar een definitieve eindbestemming gaan. Vorkheftrucks tillen de goederen uit opleggers en leggen ze in magazijnstellingen. De opslagbordessen in deze stellingen hebben verschillende hoogten, varierend van twee meter voor het eerste bordes, tot acht meter hoogte voor het laatste. Op de tussenliggende paden rijden heftrucks met goederen af en aan.</p>
<p>Toch blijven er knelpunten. De peiling toont aan dat er behoefte is aan helderheid op een aantal gebieden. Zo kunnen arbodiensten 'dreigend langdurig verzuim' heel uiteenlopend interpreteren. De ene dienst vat een verzuim van langer dan een week al op als 'dreigend langdurig', de andere spreekt hierover pas bij een verzuim van minstens acht maanden. Wanneer is dan een probleemanalyse aan de orde? Sommige diensten maken, omdat de duur van het verzuim moeilijk te voorspellen is, per definitie na zes weken een probleemanalyse', wat veel tijd kost.</p>
<p>Misschien is het zinnig om even pas op de plaats te maken en uit te leggen wat de Stoffenmanager precies is. Het is een hulpmiddel voor het middenen kleinbedrijf (MKB) voor de omgang met gevaarlijke stoffen en preparaten. Het instrument beoordeelt op een gestructureerde manier aard, mate, duur en frequentie van de blootstelling en genereert voor de ingevoerde handelingen een risico-overzicht. Hiervoor maakt de Stoffenmanager gebruik van een eerder instrument van Arbo Unie (ChemAudit, Heussen et al., 2002) en een model van TNO (Le Feber et al., 2003) die de intrinsieke eigenschappen van het product, het soort handeling dat met de stof wordt uitgevoerd, de mate van beheersing in de werkomgeving en de duur en frequentie van gebruik als het ware tegen elkaar afwegen (zie figuur 1). De Stoffenmanager werkt met drie relatieve risicocategorieen: hoog, gemiddeld en laag. Een aparte module rekent mogelijke beheersmaatregelen door en geeft de gebruiker aan of toepassing van de maatregel tot een lagere risicoscore leidt (zie figuur 2).</p>
<p>- Sinds deze maand zijn werkgevers niet langer verplicht om een contract af te sluiten met een gecertificeerde arbodienst voor onder andere de RI&E en de begeleiding van zieke werknemers; in plaats daarvan mogen zij een alternatief voor een arbodienst inschakelen.</p>