artikel

Sloopbedrijf sjoemelt met asbest

Veilig werken

Volgens de rechtbank is vast komen te staan dat zij de bestemming van een inrichting hebben veranderd, waarmee zij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer hebben overtreden. Dat de activiteiten die werden uitgevoerd – mogelijk – niet vergunningsplichtig, dan wel meldingsplechtig waren, maakt dat niet anders.

 

Een andere locatie gebruikten de directeuren niet voor carrosseriebouw, zoals ze aangaven, maar voor asbestwerkzaamheden met een structureel karakter. De locatie functioneerde onder meer als tussenopslag voor asbest dat vrijkwam bij de asbestsloop, zonder dat zij daar melding van hebben gedaan. Verder acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de aangifte dat een asbestsloop moest gebeuren wegens een calamiteit, vals was.

 

Op een ander karwei hebben de directeuren het logboek met de gewerkte asbesturen niet eerlijk ingevuld. Verder is bewezen dat zij in het werkplan van een andere sloop de namen van enkele Polen in strijd met de waarheid niet hebben opgenomen. Ook werden er regelmatig te veel ‘pakuren’ (het dragen van asbestbeschermende kleding) gemaakt die zij niet in het logboek hebben genoteerd.

 

Bij weer een ander sloopkarwei werd asbesthoudend materiaal bij het uitsluizen niet of onvoldoende gereinigd, waardoor niet alleen gevaar ontstond voor de omgeving maar ook voor de werknemers. Ook is enkele malen een risicoklasse onterecht teruggeschaald.

 

De directeuren wordt onder meer verweten dat zij zich onvoldoende bekommerden om het lot van de eigen medewerkers. Aan het werken met asbest kleven grote risico’s. Binnen het bedrijf is een cultuur ontstaan waarbij met grote regelmaat opzettelijk de regels werden overtreden. Beide directeuren hebben daar een groot aandeel in gehad en in sommige gevallen zelf zich aan overtredingen schuldig gemaakt.

 

De rechtbank vindt dat in verband met een juiste normhandhaving een straf lager dan een gevangenisstraf niet volstaat. Beide directeuren, van wie de een de feitelijke leidinggever is, worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtspersoon ten slotte krijgt een geldboete van 30.000 euro en zes maanden voorwaardelijke stillegging van het bedrijf, ook met een proeftijd van twee jaar. Een en ander conform de eis van de officier van justitie.

 

Reageer op dit artikel