artikel

Bevallen en opstaan?

Wetgeving

Bij verzuim tijdens de zwangerschap en na de bevalling is niet altijd duidelijk in hoeverre het daaraan is gerelateerd. Dat is vooral een vraag voor verzekeringsartsen van het UWV. ‘Met de komst van de WULBZ betalen werkgevers bij ‘gewone’ ziekte het loon helemaal door. Is vastgesteld dat het verzuim aan zwangerschap of bevalling is gerelateerd, dan wordt het loon volledig doorbetaald uit de Ziektewet’, vertelt Wim Otto, arts en beleidsmedewerker bij UWV.

 

‘Werkgevers betalen dus niets of honderd procent. Zij hebben er zodoende financieel veel belang bij dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de zwangerschap of bevalling wordt gerelateerd.’

 

Het is voor verzekeringsartsen soms niet eenvoudig om dat te beoordelen, hoewel de in 1999 ingevoerde Standaard Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid (zie kader) wel houvast biedt.

 

Deze standaard leidt de verzekeringsarts als het ware door de beoordeling. ‘Naarmate er medisch minder te meten valt, laat de uitkomst van een beoordeling natuurlijk een grotere spreiding zien als je daar vijf verschillende artsen naar laat kijken’, aldus Otto.

 

‘De standaard beoogt een uniforme beoordelingswijze van dergelijke aanvragen.’

 

TABEL 1. VERZUIM TIJDENS ZWANGERSCHAP EN NA BEVALLING

 

 

TABEL 2. INSTROOMPERCENTAGE WAO NAAR HUISHOUDSITUATIE EN GESLACHT (2000)

 

 

Sinds 2002 valt het zwangerschapsverlof niet meer onder de Ziektewet, maar onder de Wet Arbeid en Zorg (WAZO). Voordeel hiervan is dat de zestien weken zwangerschapsverlof nu niet meer meetellen voor de WAO.

 

Ziek of niet, zwangeren vallen nu tijdens de hele verlofperiode onder de WAZO. Rest natuurlijk wel de vraag in hoeverre zwangerschap, bevalling en moederschap het WAO-risico verhogen.

 

‘Voor pas bevallen vrouwen ligt het WAO-risico op circa vier procent.

 

Voor vrouwen in dezelfde leeftijdsgroep die niet zijn bevallen, is dat 1,5 procent’, zegt Boukje Cuelenaere, beleidsonderzoeker en adjunct-directeur van bureau AStri (Leiden). ‘Is er in de periode na de bevalling sprake van verzuim, dan is dat meestal volledig. Alleen de duur ervan varieert nogal.’

 

In de meeste gevallen leidt dat verzuim uiteindelijk niet tot langdurig verblijf in de WAO.

 

Cijfers van het CBS (2000) laten immers zien dat het hebben van kinderen bij vrouwen en mannen slechts leidt tot een te verwaarlozen verhoging (met 0,1 procent) van het WAO-risico. ‘Dat alle werkende vrouwen door het hebben van kinderen een verhoogd WAO-risico kennen, is dus niet meer dan een fabeltje’, aldus Cuelenaere. De enige groep waarbij het hebben van kinderen wel een duidelijke verhoging van het WAO-risico geeft, is die van alleenstaande ouders. Binnen die groep ligt het WAO-risico voor mannen op 2,4 en voor vrouwen op 3,5 procent.

 

Vraag is wel nog steeds waarom vrouwen in het jaar na de bevalling een veel hoger WAO-risico hebben dan andere vrouwen.

 

Het verschil tussen die groepen bedraagt immers nog altijd 2,5 procent. Hoe kan dat? ‘De afgelopen dertig jaar is de arbeidsparticipatie van vrouwen met inderen enorm toegenomen.

 

De hele problematiek rond zwangerschap, bevalling en werk bestaat dus nog niet zo heel lang in Nederland’, zegt Cuelenaere. ‘Op de werkvloer wordt vaak gedacht: ojee, weer zo’n zwangere. Nu is het ook lastig als iemand ineens vier maanden niet kan werken.

 

Alleen: kinderen krijgen is wel een onderdeel van het leven. Van mannen en vrouwen.’

 

In Nederland wordt het redelijk normaal gevonden dat moeders doorgaan met werken. Maar volgens Otto hebben veel mensen wel een ideaalbeeld voor ogen bij het krijgen van kinderen.

 

‘Kinderen krijgen brengt een enorme verandering met zich mee. Dat hoeft niet per se vervelend te zijn, maar het kan wel veel energie kosten’, zegt hij. ‘Veel vrouwen maken carriere, worden tussendoor zwanger, gaan ‘even bevallen’

 

en dan weer door. Dat verhaal klopt natuurlijk niet. Maar ze worden er ook nauwelijks in teruggefloten.’

 

HET BELANG VAN BORSTVOEDING

 

Het geven van borstvoeding heeft een gunstige invloed op de gezondheid van het kind. Uit longitudinaal onderzoek (Dundee, Schotland) blijkt dat moedermelk jarenlang bescherming biedt tegen infecties aan de luchtwegen en het maagdarmkanaal. Ook verkleint ze de kans op astma. In Nederland krijgt 75 procent van de pasgeborenen volledig borstvoeding. Na een maand is dat gedaald tot 31 procent, na drie maanden tot 17 procent. Ter vergelijking: in Scandinavische landen geeft tachtig procent van de vrouwen drie maanden na de geboorte nog volledige borstvoeding. Nederlandse vrouwen hebben tot negen maanden na de bevalling het recht om tot maximaal een vierde van de werktijd per dienst hun kind te zogen of borstvoeding af te kolven. De werkgever moet zorgen dat daar een rustige en hygienische ruimte voor is die de vrouw van binnenuit kan afsluiten. Ook moet zij afgekolfde melk op de juiste manier kunnen bewaren.

 

 

Zelf je zaakjes regelen: dat is in onze cultuur een goede gewoonte.

 

En dat wordt, al dan niet impliciet, ook van zwangere vrouwen en moeders verwacht. ‘Niet alleen de vrouw moet de knop omdraaien, maar in enige mate ook de werkgever en zeker de partner’, aldus Van Beukering.

 

Maar die man, zo laten cijfers uit de Emancipatiemonitor 2002 zien, gaat na de geboorte van zijn kind meestal op dezelfde voet verder. Slechts tien procent van de jonge vaders gaat na de geboorte van het eerste kind minder uren werken. Van de vrouwen stopt bijna een kwart met werken en gaat 43 procent minder uren werken. Bij 32 procent van deze vrouwen verandert er niets in het arbeidspatroon.

 

De periode voor en na de bevalling kan zowel fysiek als mentaal erg zwaar zijn. “Het minste dat werkgevers kunnen doen, is zorgen voor fatsoenlijke aandacht voor zwangere en pas bevallen werkneemsters’, vindt Cuelenaere. ‘En daarmee bedoel ik het hanteren van het wettelijk kader dat is opgenomen in de Arbeidstijden- en Arbowet. De praktijk laat zien dat bedrijven met een lage WAO-instroom van vrouwen ook op dit gebied vaak goed beleid voeren.’

 

Maar behalve goed zwangerschapsbeleid is er nog een factor van belang: de begeleiding door artsen. Want ook die bepaalt of pas bevallen vrouwen en werkende moeders langdurig uitvallen.

 

Uit het onderzoek Begeleiding van mannen en vrouwen in het eerste ziektejaar (LISV, 2001, B.

 

Cuelenaere en P. Molenaar-Cox) blijkt dat vrouwen die na hun zwangerschapsverlof wegens ziekte niet aan het werk zijn gegaan, veelal met rust worden gelaten en niet worden geactiveerd om het werk te hervatten.

 

‘Die houding zie je bij bedrijfsartsen, huisartsen, P&O’ers, leidinggevenden en partners’, aldus Van Beukering.

 

‘Bij mannen is de begeleiding over het algemeen intensiever, meer gericht op werkhervatting en wordt beter gezocht naar alternatieven om iemand aan het werk te houden.’ Vrouwen maar thuis laten blijven is het slechtste dat je kunt doen, vindt ze. ‘Van afwachten word je echt niet beter. Dat heeft een slechte invloed.’

 

Dreigen werkneemsters met kinderen vast te lopen, dan verwijst Van Beukering ze door naar de bedrijfsmaatschappelijk werker.

 

‘Dat werkt heel goed, want die denkt mee en kan ook eens met de leidinggevende praten’, legt ze uit. ‘Het is echt aan te raden om tijdens de zwangerschap en vlak na de bevalling meer tijd en aandacht te besteden aan de begeleiding van vrouwen’, weet Van Beukering. ‘En dan heb ik het niet zozeer over gesprekken over bloeddruk en vermoeidheid, maar vooral hoe het met de vrouw in kwestie gaat, of de kinderopvang geregeld is en wie er eventueel kan helpen. Ik weet zeker dat je daarmee voorkomt dat vrouwen in de WAO terechtkomen.’

 

ZWANGERSCHAP EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID

 

De standaard Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid van het UWV kent zes categorieen van (mogelijke) oorzaken voor arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en bevalling:

 

1. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren als gevolg van een pathologisch verloop van zwangerschap, baring en kraamperiode. Voorbeelden: verhoogde bloeddruk, buitenbaarmoederlijke zwangerschap, foetale groeivertraging. De causaliteit tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling is in deze categorie evident.

 

2. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren samenhangend met fysiologische veranderingen in de zwangerschap.* Voorbeelden: moeheid, misselijkheid, lage rugklachten.

 

3. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren door aandoeningen die ook buiten de zwangerschap kunnen ontstaan, maar waarvan wel een oorzakelijk verband met de zwangerschap is beschreven en/of die relatief vaker voorkomen tijdens zwangerschap, bevalling en kraambed dan daarbuiten.*

 

Voorbeelden: suikerziekte, urineweginfecties, carpaletunnelsyndroom, depressie.

 

4. Klachten, stoornissen en beperkingen in het functioneren door aandoeningen waarvan het beloop tijdens de zwangerschap kan verergeren.* Voorbeelden: hartziekten, longziekten, epilepsie, suikerziekte.

 

5. Stoppen met medicatie in verband met de zwangerschap.

 

6. Specifieke arbeidsomstandigheden bij normale zwangerschap. Voorbeelden: zwaar lichamelijk werk, werk dat gevaar oplevert voor de vrucht.

 

* Bij deze categorieen is de causaliteit tussen arbeidsongeschiktheid en zwangerschap/bevalling niet evident en zijn daarom meer afwegingen nodig.

 

 

Reageer op dit artikel